Kijken naar wat je krijgt
Over verzadiging, een brood dat “wat is het” heette, en de koning die je maakt om de gever niet meer te hoeven zien
Een vader van een familiebedrijf zei het me zo: ze zien de zaak. Ze zien mij niet.
Zijn kinderen wilden het bedrijf. Ze wilden de aandelen, de posities, het huis dat erbij hoorde. Ze waren niet ondankbaar, zei hij, ze zeiden netjes dankjewel. Maar als hij aan tafel iets vertelde over hoe het begonnen was, over de jaren dat er niets was, over wat het hem had gekost, dan keken ze op hun telefoon. Ze hadden het brood. De bakker was decor geworden.
Johannes 6 is dat verhaal, met vijfduizend man.
Het begint met een teken. Vijf broden, twee vissen, een jongen die ze had, en een menigte op een heuvel aan het meer. Jezus neemt de broden, dankt — eucharistēsas, het woord dat eucharistie is geworden — en deelt uit, en iedereen eet zoveel hij wil, en er blijven twaalf manden over. Johannes noemt het een sēmeion, een teken: iets wat naar iets anders wijst.
En dan de zin die laat zien wat de menigte ermee doet. Toen de mensen het teken zagen dat hij gedaan had, zeiden ze: dit is werkelijk de profeet die in de wereld komt. En Jezus, wetende dat ze zouden komen om hem te grijpen en koning te maken, trok zich terug op de berg, alleen.
Koning maken. Ik heb dat lang als een compliment gelezen dat hij te bescheiden was om aan te nemen. Het is iets anders. Wie de gever tot koning maakt, zet de bevoorrading vast. Een koning is een gever die je bezit. Hij hoeft niet meer gezien te worden; hij hoeft alleen nog te leveren. De menigte wil het brood elke dag, en de manier om dat te regelen is de bakker een kroon op te zetten en hem in een paleis te zetten waar hij niet meer weg kan.
Hij gaat weg. Alleen, de berg op. Dat is het eerste wat de gever doet als de ontvangers hem willen bezitten.
De volgende dag zoeken ze hem, vinden hem aan de overkant, en vragen: rabbi, wanneer bent u hier gekomen? En hij antwoordt niet op de vraag. Hij antwoordt op de reden dat ze zijn gekomen:
Voorwaar, voorwaar, jullie zoeken mij niet omdat jullie tekenen hebben gezien, maar omdat jullie van de broden hebben gegeten en verzadigd zijn.
Dat is 6:26, en het is de diagnose van deze hele toeschouwer. Ze hebben het teken gezien. Ze hebben het gegeten. Ze hebben het teken opgegeten, en toen was het geen teken meer maar een maaltijd. Een teken wijst ergens naar; wie het opeet, heeft niets meer om naar te kijken, alleen nog een volle maag.
Het werkwoord voor verzadigd is chortazō, en dat is het woord voor vee dat gevoederd wordt. Chortos is gras, voer. Ze zijn gevoederd. Johannes heeft chortos twee keer laten staan in het verhaal van de dag ervoor: er was veel gras op die plaats, en hij liet ze zitten op het gras. Vijfduizend man op het voer, die worden gevoerd, en daarna verzadigd zijn zoals vee verzadigd is: vol, en zonder een enkele vraag.
Want dat is wat verzadiging doet, en ik zie het aan elk lichaam dat het overkomt. Een volle maag kijkt niet meer. Honger is het orgaan waarmee een mens ziet; wie vol is, is klaar met zoeken en dus klaar met zien. De menigte zoekt hem niet omdat ze iets gezien hebben, maar omdat ze vol waren en het nu weer wilden. Zoeken uit verzadiging is geen zoeken. Het is terugkomen bij de automaat.
Dan gebeurt er iets wat ik pas na jaren zag, en het is bijna komisch.
Ze vragen om een teken. Welk teken doet u dan, opdat wij zien en u geloven? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn. Ze hebben gisteren vijf broden voor vijfduizend man gezien en ze vragen vandaag welk teken hij kan doen. Het teken is verdwenen op het moment dat ze het opaten. Er is niets over dan de herinnering dat ze vol waren, en dat is geen teken, dat is een behoefte.
En dan noemen ze het manna, en daar zit de sleutel van dit hoofdstuk.
Het manna heet in het Hebreeuws man, en die naam komt van de zin die het volk zei toen het voor het eerst op de grond lag: man hu? Wat is het? Want zij wisten niet wat het was, staat er in Exodus 16. Het brood van de vaderen heette letterlijk “wat is het”. Het was het brood van het niet-weten, het brood dat elke ochtend opnieuw een vraag was.
En het had twee eigenschappen die de menigte vergeten is. Het kon niet bewaard worden: wie het tot de volgende dag hield, vond wormen. En het viel elke dag, zodat je elke dag opnieuw afhankelijk was van dat het viel. Het manna was een brood dat je dwong naar de gever te kijken, omdat je het niet kon opslaan en het niet kon begrijpen.
De menigte wil het manna zonder het “wat is het”. Ze willen het brood van de vaderen, maar dan een dat je kunt bewaren, met een koning die het levert. Dat is de vraag die ze stellen in 6:34, en ze klinkt vroom: Heer, geef ons dit brood altijd. Altijd. Pantote. Dat is het woord van de opslag. Dat is de vraag van de mens die de gever wil vervangen door een voorraad.
En Jezus zegt: Ik ben het brood.
Niet: ik geef het brood. Ik ben het. Dat is het antwoord op “geef ons dit altijd”: het brood is geen ding dat losgemaakt kan worden van wie het geeft. Wat je eet, is de gever. Er is geen voorraad mogelijk. Er is alleen de relatie, elke dag, zoals het manna.
En dan mort de menigte. Egongyzon, precies het werkwoord dat de Griekse Exodus gebruikt voor het volk in de woestijn dat mort tegen Mozes. En waarover morren ze? Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe kan hij nu zeggen: ik ben uit de hemel neergedaald?
Wij kennen. Weer oidamen, weer het woord van Nicodemus. Ze kennen zijn vader en moeder, dus ze weten wie hij is, dus hij kan niet zijn wat hij zegt. Dat is de vijgenboom van Nathanaël en de nacht van Nicodemus in één zin: wie zijn afkomst kent, hoeft niet meer te kijken naar wat hij geeft. En daarna komt, voor de derde keer in deze reeks, pōs dynatai: hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? De hoe-vraag, nu uit vijfduizend monden.
Het hoofdstuk eindigt met de grootste leegloop van het evangelie. Van toen af gingen velen van zijn leerlingen terug en wandelden niet meer met hem. Ze zijn gekomen voor het brood; het brood blijkt een persoon; een persoon kun je niet opslaan; ze gaan. En Jezus vraagt aan de twaalf: willen jullie ook niet weggaan? En Petrus zegt niet: wij begrijpen het. Hij zegt: naar wie zouden we gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. Hij heeft nog honger. Dat is het enige wat hem daar houdt.
Ik moet dit naar de tafel brengen, want daar zie ik het elke week, en ik zie het aan twee kanten.
De ene kant is de menigte. Mensen komen voor wat ze krijgen. Ze willen rust, ze willen dat hij verandert, ze willen een techniek, een oefening, iets wat ze mee naar huis kunnen nemen en kunnen bewaren. Geef ons dit brood altijd. Ik ken de vraag en ik heb er begrip voor, want ik stel haar zelf ook. Maar wie komt voor het brood, gaat weg zodra hij vol is, en komt terug zodra hij weer leeg is, en heeft in dat hele ritme nooit gekeken naar wie er aan de andere kant van de tafel zat. Dat geldt voor de coach. Het geldt veel erger voor de partner. Voor de ouder. Er zijn huwelijken waarin de een dertig jaar lang brood heeft gegeven en nooit is gezien, omdat de ander verzadigd was.
En dat is de wet die eronder zit, en het is geen morele wet maar een systemische. Geven en nemen kunnen alleen in balans blijven als het nemen de gever ziet. Wie neemt zonder de gever te zien, verbreekt niet de gift, hij verbreekt de stroom. Het brood komt nog wel, maar het voedt niet meer. Het maakt vol en laat leeg. Dat is het verschil tussen chortazō, gevoederd worden, en het brood des levens: hetzelfde brood, en of je erbij hebt gekeken naar de hand.
De andere kant is de gever. Want de vader aan het begin van dit stuk had gelijk, en hij had ook een aandeel. Er zijn gevers die brood geven om niet gezien te hoeven worden. Die de kinderen de zaak geven, en het huis, en de zekerheid, en daarachter verdwijnen, omdat gezien worden eng is en geven veilig. Zij maken zichzelf tot automaat, en zijn daarna gekwetst dat er alleen op de knop wordt gedrukt. De menigte wil hem koning maken, en Jezus gaat de berg op, alleen. Dat is wat een gever doet die niet wil verdwijnen achter zijn gift: hij trekt zich terug op het moment dat men hem wil bezitten. Hij weigert de kroon. Hij blijft een persoon die je moet zoeken, aan de overkant van het meer, in plaats van een voorraad die je hebt.
Wat kun je hiermee.
Je kunt je afvragen, bij alles wat je ontvangt, of je de hand hebt gezien. Niet als beleefdheid — dankjewel zeggen kunnen de kinderen van die vader ook. Maar of je het gezicht kent van wie het gaf, wat het hem kostte, waar hij het vandaan had. Wie dat weet, eet ander brood, ook als het hetzelfde brood is.
Je kunt letten op het moment dat je vol bent. Verzadiging is het uur waarop je stopt met zien. Dat is niet slecht, het is fysiologie, maar het is goed om te weten dat je precies dan het teken kwijtraakt. De vraag die je dan kunt stellen is de vraag van de vaderen: man hu, wat is dit eigenlijk, in plaats van: geef me dit altijd.
Als je zelf de gever bent: ga de berg op als ze je koning willen maken. Je hoeft je niet te laten opslaan. Een vader die zich terugtrekt op het moment dat zijn kinderen alleen nog de zaak zien, doet iets wat hard lijkt en wat de enige kans is dat ze hem ooit nog zien. Een moeder die stopt met leveren is niet liefdeloos; ze weigert een automaat te zijn.
En je kunt honger houden. Dat is wat Petrus doet aan het einde. Hij begrijpt het niet beter dan de vijfduizend die weglopen. Hij is alleen niet vol. Naar wie zouden wij gaan. Wie na het brood nog honger heeft, heeft het teken gezien.
Centrale figuren in dit artikel:
de menigte van vijfduizend,
de vader die de zaak gaf,
Petrus die honger houdt
Bijbelgedeelten:
Johannes 6:1-15 (het teken; het gras; hij dankte; ze wilden hem koning maken; hij trok zich terug);
Johannes 6:25-35 (jullie zoeken mij omdat jullie verzadigd zijn; welk teken doet u; geef ons dit brood altijd; ik ben het brood);
Johannes 6:41-42 (ze morden; wij kennen zijn vader en moeder);
Johannes 6:52 (hoe kan deze ons zijn vlees geven);
Johannes 6:60-69 (velen gingen weg; naar wie zouden wij gaan);
Exodus 16:4-20 (man hu, wat is het; het kon niet bewaard worden; het volk mort)

