Kom, zie een mens (de Samaritaanse vrouw)
Over een vrouw die op het heetst van de dag water komt halen, vijf mannen die worden uitgesproken zonder dat zij wegloopt, en een kruik die blijft staan
Ze komt op het uur waarop niemand komt. Dat is het eerste wat ik van haar weet, nog voordat ze iets zegt: ze heeft haar afspraak zo gepland dat ze niemand tegenkomt in de wachtruimte. Ze heeft een geschiedenis met mannen die ze niet meer telt, en ze weet dat anderen die wel tellen. Als ik na een uur zeg wat ik zie — niet als oordeel, als beschrijving, de hele rij — verwacht ik de beweging die ik ken: de kaak, de stoel iets naar achteren, het onderwerp dat verandert. Ze doet het niet. Ze kijkt me aan en zegt: u ziet het dus. En dan stelt ze de volgende vraag.
Ik heb in dertien afleveringen mensen beschreven die niet zien. Deze vrouw ziet, en ik wil weten waarom zij wel.
Johannes 4 begint met een tegenstelling die hij niet uitlegt, omdat hij haar niet hoeft uit te leggen. In hoofdstuk 3 kwam Nicodemus: een man, een Jood, een leraar van Israël, in de nacht. In hoofdstuk 4 komt een vrouw, een Samaritaanse, naamloos, op het zesde uur, het volle middaglicht. Alles is omgekeerd. En de man die alles wist, begreep niets; de vrouw die niets is, zal aan het eind van het hoofdstuk een hele stad naar buiten brengen.
De plek is de put van Jakob. Wie de Schrift kent, hoort dat meteen: bij een put worden bruiden gevonden. De knecht van Abraham vond Rebekka bij een put. Jakob zelf vond Rachel bij een put en rolde de steen weg. Mozes vond Sippora bij een put. Het is de scène van de bruidegom, en Johannes heeft haar net voorbereid: in het hoofdstuk ervoor noemt de Doper Jezus voor het eerst ho nymphios, de bruidegom. En nu zit de bruidegom bij de put, moe, op het zesde uur, en er komt een vrouw met een kruik.
Jezus vraagt haar om water. Dat is de eerste omkering die zij ziet en die zij ook benoemt: een Jood die een Samaritaanse om drinken vraagt? Zij ziet meteen wat er niet klopt. Nicodemus zag het niet; hij begon met een compliment.
En dan begint het gesprek dat ik zeven keer heb gelezen voordat ik zag hoe het is gebouwd.
Hij spreekt over levend water, hydōr zōn, en zij hoort stromend water, bronwater, tegenover het staande water van de put. Dat is geen misverstand uit domheid; in het Hebreeuws is mayim chayim gewoon de naam voor water dat beweegt. Ze verstaat het letterlijk en ze vraagt door: bent u dan meer dan Jakob, die ons deze put gaf? Ze is bij de vraag die het hele hoofdstuk draagt en ze weet het nog niet.
Hij zegt: wie van dit water drinkt, krijgt weer dorst. Wie van mijn water drinkt, heeft in zichzelf een bron. En zij zegt: geef mij dat water, zodat ik geen dorst meer heb en niet meer hierheen hoef te komen om te putten.
Hier hoor ik haar. Niet hierheen hoeven komen. Niet op het heetst van de dag, niet alleen, niet met de kruik die iedereen kan zien. Ze vraagt niet om theologie. Ze vraagt of het ophouden kan.
En dan zegt hij: ga, roep je man.
Ik heb dat lang gelezen als een val, en het is het tegendeel. Hij heeft haar dorst gehoord en gaat naar de plek waar de dorst zit. Zij zegt: ik heb geen man. En hij zegt iets dat ik in geen enkele vertaling goed vind staan: kalōs eipas hoti andra ouk echō. Goed heb je gezegd: ik heb geen man. Alēthes eirēkas, wat je gezegd hebt is waar.
Alēthes. Het woord van de reeks. De waarheid als het onverborgene. Zij heeft in vier woorden iets gezegd dat niet toegedekt is, en het eerste wat hij doet is dat prijzen. Pas daarna komt de rij: vijf mannen heb je gehad, en die je nu hebt is niet je man.
Dat is het moment waarop ik in mijn kamer de kaak zie en de stoel naar achteren. Kijk wat zij doet. Ze loopt niet weg, ze ontkent niet, ze valt hem niet aan. Ze zegt: kyrie, theōrō hoti prophētēs ei sy. Heer, ik zie dat u een profeet bent.
Theōrō. Ik zie. Het werkwoord van het aanschouwen, van de afgevaardigde die gaat kijken en terugkomt om te vertellen. De Farizeeën zeiden wij weten op het moment dat iemand hun waarheid raakte. Zij zegt ik zie op het moment dat iemand haar waarheid uitspreekt. Het verschil tussen de toeschouwers die niet zien en de vrouw die wel ziet, zit in dit ene punt: wat er gebeurt als de waarheid over jezelf wordt gezegd. De Farizeeën sloten. Zij opent.
Waarom?
Ik denk dat het antwoord in de volgorde ligt, en dat de volgorde de hele reeks samenvat. Eerst zei zij iets waars over zichzelf: ik heb geen man. Klein, onvolledig, maar onverborgen. En daarop kwam niet het oordeel maar de erkenning: goed gezegd. Pas toen kwam de rest van de waarheid, en toen kon ze die dragen, omdat ze al ervaren had dat waarheid spreken in dit gesprek niet werd gestraft.
Dat is de bouw van elk gesprek dat ergens komt. Wie eerst de hele rij te horen krijgt, sluit. Wie eerst één waar ding mag zeggen en merkt dat het blijft staan, kan de rest horen. De Farizeeën hadden nooit één ding over zichzelf gezegd; ze hadden alleen over anderen gesproken. Zij hadden geen plek waar de waarheid kon landen.
En er is iets met de vijf. De uitleggers hebben er van alles van gemaakt: de vijf boeken van Mozes, de vijf zintuigen, de vijf volken die de koning van Assyrië in Samaria vestigde en die ieder hun eigen god meebrachten. Dat laatste staat in 2 Koningen 17, en Samaria heeft in de profeten altijd de gestalte van de vrouw die haar man verliet voor andere mannen. In het Hebreeuws is het woord voor man, ba’al, hetzelfde als de naam van de vreemde god, en Hosea laat God zeggen: op die dag zul je mij niet meer ba’ali noemen, mijn heer, maar ishi, mijn man. Of Johannes dat bedoelt, weet ik niet. Maar het staat er wel: een vrouw die vijf keer een ba’al had, zit bij de bruidegom, en de zesde is haar man niet.
Ze doet wat mensen doen als het te dichtbij komt: ze stelt een theologische vraag. Onze vaders op deze berg, jullie in Jeruzalem, waar moet men aanbidden? Ik ken die beweging. Ik doe haar zelf. Als de waarheid over mij is gezegd, praat ik over de structuur.
Maar hij gaat mee, en het antwoord is de zin waar dit evangelie zijn definitie van waarheid geeft. God is geest, en wie hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en waarheid. Niet op de berg, niet in de stad. In het onverborgene. De plek van aanbidding is de plek waar niets meer toegedekt is, en zij zit daar. Ze heeft net zelf de berg verlaten door te zeggen: ik heb geen man.
En dan zegt hij tegen haar wat hij tegen niemand eerder in dit evangelie zo heeft gezegd. Ik ben het, die met je spreekt. Het eerste ik ben van Johannes, en het valt niet in de tempel, niet bij Nicodemus, niet bij de twaalf. Het valt bij een put, tegen een Samaritaanse vrouw met een geschiedenis, op het heetst van de dag.
De leerlingen komen terug en Johannes schrijft één van zijn droogste zinnen: ze verwonderden zich dat hij met een vrouw sprak, maar niemand zei: wat zoekt u, of: waarom spreekt u met haar. Zij zien een vrouw en een onregelmatigheid. Ze zien niet wat er is gebeurd.
Wat er is gebeurd, staat in vers 28, en het is het vers waar het hoofdstuk om draait. De vrouw liet haar kruik staan.
De kruik was waarvoor ze kwam. De kruik was de reden voor het zesde uur, de dorst, het dagelijkse terugkomen. Ze laat hem staan zoals de vissers hun netten laten liggen, en Johannes zet het er zonder commentaar bij, omdat hij weet dat wie het ziet, het ziet. Ze had gevraagd of ze niet meer hierheen hoefde te komen. Ze hoeft niet meer.
En dan gaat ze de stad in, de stad die ze op het zesde uur had vermeden, en zegt tegen de mensen die haar tellen: Kom, zie een mens die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb.
Kom, zie. Het is de uitnodiging van hoofdstuk 1, het woord dat Filippus tegen Nathanaël zei en dat de hele reeks opende. Zij zegt het nu. De vrouw die niemand wilde tegenkomen, is de eerste in dit evangelie die de uitnodiging van Jezus zelf in de mond neemt en doorgeeft. En waarmee nodigt ze uit? Met het onverborgene. Kom kijken naar iemand die alles over mij heeft gezegd. Wat haar schaamte was, is haar getuigenis geworden, zonder dat er iets aan is veranderd.
En dan de zin die ik het langst heb overgeslagen, omdat ze zo klein is. Mēti houtos estin ho Christos? Zou dit niet de Christus zijn?
Het Grieks verwacht bij mēti een ontkennend antwoord. Het is een vraag die zichzelf niet zeker is. Zij ziet, en wat ze ziet spreekt ze uit als vraag. De Farizeeën zagen niet, en wat ze niet zagen spraken ze uit als wij weten. Dat is de hele reeks in twee zinnen. Wie ziet, vraagt. Wie niet ziet, weet.
En de stad komt. Niet omdat ze overtuigd is, maar omdat een vrouw met een geschiedenis in het volle daglicht een vraag stelt. Later zeggen ze tegen haar: wij geloven niet meer om jouw woord, want wij hebben zelf gehoord. Dat klinkt als een correctie en het is een voltooiing. Zij had gezegd: kom, zie. Ze zijn gekomen en hebben gezien. Haar getuigenis was nooit bedoeld om te blijven staan; het was bedoeld om mensen naar de put te brengen en daar overbodig te worden. Ze is het eerste getuigenis in dit evangelie dat precies doet wat een getuigenis moet doen.
Wat kun je hiermee.
Je kunt letten op het eerste ware ding. Niet de hele rij, niet het volledige verhaal, één zin die niet toegedekt is. Ik heb geen man. Wie dat zegt en merkt dat het blijft staan, kan de rest dragen. Wie de rest eerst krijgt, sluit. Dat geldt voor wie spreekt en voor wie luistert: begin met wat de ander al heeft gezegd, en zeg dat het waar is, voordat je iets toevoegt.
Je kunt zien wanneer je naar de berg vlucht. De structuur, de theologie, de vraag over waar het hoort. Het is de beweging die je maakt als het te dichtbij komt, en ze is niet fout, maar ze is een omweg. Het gesprek gaat pas verder als je terugkomt bij de put.
Je kunt kijken wat je laat staan. De kruik was het instrument van het dagelijkse terugkomen op het uur dat niemand je zag. Wat is jouw kruik. Waarvoor kom je steeds terug, op het uur dat niemand je tegenkomt, en wat zou er gebeuren als je hem eens liet staan.
Je kunt met je geschiedenis uitnodigen in plaats van haar te verbergen. De vrouw gaat de stad in met precies dat wat haar op het zesde uur had gebracht. Het is niet veranderd. Het is uitgesproken, en daarmee bruikbaar geworden.
En je kunt vragen in plaats van weten. Als je iets ziet, zeg het als vraag. Niet uit voorzichtigheid, maar omdat dat de vorm is waarin het zien in dit evangelie wordt uitgesproken door de enige toeschouwer die het echt zag. Mēti houtos estin. Zou het niet.
Ze liet de kruik staan.
Centrale figuren in dit artikel:
de Samaritaanse vrouw,
Nicodemus als tegenbeeld uit het vorige hoofdstuk,
de leerlingen die een onregelmatigheid zien,
de stad die komt,
de vrouw op het uur dat niemand komt
Bijbelgedeelten:
Johannes 4:5-9 (de put van Jakob; het zesde uur; een Jood die een Samaritaanse om water vraagt);
Johannes 4:10-15 (levend water; niet meer hierheen hoeven komen);
Johannes 4:16-19 (roep je man; ik heb geen man; alēthes eirēkas; vijf mannen; ik zie dat u een profeet bent);
Johannes 4:20-24 (de berg of Jeruzalem; in geest en waarheid);
Johannes 4:25-26 (egō eimi, ho lalōn soi);
Johannes 4:27 (niemand vroeg: waarom spreekt u met haar);
Johannes 4:28-30 (de kruik; kom, zie; zou dit niet de Christus zijn);
Johannes 4:39-42 (niet meer om jouw woord);
Johannes 3:1-2 (Nicodemus in de nacht);
Johannes 3:29 (de bruidegom);
Johannes 1:39, 1:46 (kom en zie);
Genesis 24:11-20, 29:1-11,
Exodus 2:15-21 (bruiden bij de put);
2 Koningen 17:24-33 (de vijf volken en hun goden in Samaria);
Hosea 2:16 (ishi, niet ba’ali)

