Laat je geen rabbi noemen
Mattheüs 23:8-10
8 Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders.
9 En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is.
10 En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus.
Er staat een verbod in Mattheüs 23 dat ik altijd heb gelezen als een oproep tot bescheidenheid, en dat blijkt bij nader inzien een instructie over richting.
Drie keer zegt hij het. Laat je geen rabbi noemen. Noem niemand op aarde vader. Laat je geen kathegetes noemen. Dat derde woord komt in het hele Nieuwe Testament maar één keer voor, hier, en het is nooit goed vertaald — meester, leidsman, leraar, het dekt het allemaal niet. Kata-hegeomai: degene die vooruit gaat en de weg wijst omdat hij hem al kent. In het Grieks van vandaag heet een hoogleraar nog steeds zo. Wat verboden wordt is dus niet het onderricht en niet de kennis. Wat verboden wordt is de plek vooraan.
En de reden staat erbij, in dezelfde adem: want jullie zijn allemaal broeders. Eén zin over de horizontale lijn, midden in een hoofdstuk dat verder gaat over mensen die op stoelen zitten en de beste plaatsen bij de maaltijd willen. Er wordt niet gezegd dat niemand mag onderwijzen. Er wordt gezegd dat de rij niet mag worden opgebroken.
Waar staat een leraar dan wel?
Het Hebreeuws heeft voor leren en onderwijzen niet twee woorden maar één. Lamad is leren; dezelfde wortel in de versterkte vorm, limed, is onderwijzen. Wie onderwijst leert intensiever, dat is het hele verschil. Er bestaat in die taal geen woord voor iemand die klaar is met leren en nu doorgeeft. Zoiets is niet zozeer verboden als wel onzegbaar.
En dan de plek. Uit diezelfde wortel komt de malmad: de prikstok waarmee de ploegos wordt aangedreven. Sjamgar, de zoon van Anath, slaat er zeshonderd Filistijnen mee neer, staat er in Richteren (Richteren 3:31, Richteren 5:6), en verder komt het woord bijna nergens voor. Maar het staat er wel: het instrument van het leren is een stok, een prikker, die van achteren port. De os loopt vooraan. Wie hem leert, loopt erachter, met vieze schoenen, in de voren die de os zelf trekt. De lamed is ook de letter die als enige boven de regel uitsteekt — het lijkt alsof hij wijst, maar hij haakt naar beneden.
Dus de verboden plek is vooraan en de gegeven plek is erachter. Blijft over wat ik zelf doe, en dat is geen van beide. Graven gaat naar onder.
In Genesis 26 gebeurt iets waar ik jaren overheen heb gelezen omdat het zo weinig lijkt voor te stellen. Izaäk graaft de putten van zijn vader opnieuw open. De Filistijnen hebben ze dichtgegooid met aarde nadat Abraham gestorven was — een merkwaardige vorm van vijandschap, niet vergiftigen of afpakken maar toedekken, alsof je een naam uitwist door er zand op te gooien. Izaäk haalt het zand eruit. Hij vindt geen nieuwe bronnen. Hij vindt water dat er al was.
En dan staat er de zin waar het om gaat: hij noemde ze bij de namen waarmee zijn vader ze genoemd had.
Hij verzint niets. Hij graaft tot de naam die er al lag weer bloot komt te liggen, en dan spreekt hij hem uit. De naam is het laatste wat gebeurt en het is niet zijn eigendom.
Izaäk is de enige van de drie die het land nooit verlaat, over wie het minst verteld wordt, die niets nieuws sticht. Van Abraham is er een roeping en een uittocht, van Jakob een worsteling en een naamsverandering, en daartussenin zit een man die putten uitdiept die er al waren. Hij is de zoon die op Moria op het hout heeft gelegen. Wat hem is aangedaan heeft hij niet doorgegeven en niet gewroken; hij is gaan graven.
De rest van het hoofdstuk telt de putten.
Bij de eerste komt ruzie: hij noemt hem Esek, twist.
Bij de tweede weer: Sitna, vijandschap — dezelfde drie letters als de satan, de tegenstander, degene die dwarsligt.
Bij de derde is er niemand meer die aanspraak maakt, en die noemt hij Rechovot: ruimte. Nu heeft de Eeuwige ruimte voor ons gemaakt en wij zullen vruchtbaar zijn in het land.
Pas daarna trekt hij op naar Berseba. En pas dáár, in de nacht, verschijnt hem iemand die zegt: Ik ben de God van Abraham, je vader, wees niet bang, Ik ben met je. Hij bouwt een altaar, roept de Naam aan, zet zijn tent op — en de tekst voegt er als laatste, bijna terloops aan toe dat zijn knechten daar een put groeven.
De volgorde is niet omkeerbaar. Twist, twist, ruimte, verschijning, altaar, tent, en dan pas het graven op eigen grond. En dan komt Abimelech, de koning die hem eerder had weggestuurd, met zijn legeroverste, uit zichzelf. Ze sluiten een verbond en zweren een eed. Diezelfde dag komen de knechten zeggen: we hebben water gevonden. Berseba — put van de zeven, put van de eed. Zweren en zeven zijn in het Hebreeuws hetzelfde woord.

Daar staat het antwoord op mijn vraag, en het is een ander antwoord dan ik zocht.
Ik dacht dat het meesterschap iets was dat je op een dag durft aan te nemen, van binnenuit, als een besluit over jezelf. Hier gebeurt het andersom. De plek wordt zichtbaar op het moment dat de twist ophoudt en er ruimte is; hij wordt bevestigd doordat de tegenpartij uit zichzelf komt aanlopen; en hij wordt vastgelegd in een eed, iets wat je uitspreekt tegenover iemand anders en waar je niet meer onderuit kunt. Geen gevoel. Een gegeven woord, in het bijzijn van getuigen, over grond waar water is gevonden.
En de naam komt altijd achteraf. Dat is wat me niet loslaat. Izaäk noemt de putten pas als ze open zijn, en hij noemt ze naar wat er gebeurd is: hier is geruzied, hier is dwarsgelegen, hier was ruimte. De naam is de neerslag van het werk, nooit de aankondiging ervan.
Er is nog één ding, en dat maakt de hele tegenstelling waarmee ik begon verdacht.
Het Hebreeuwse woord voor put is be’er. Diezelfde drie letters, anders gepunt, betekenen: uitleggen, verklaren, duidelijk maken. Schrijf de woorden van deze wet op de stenen, heel duidelijk, staat er in Deuteronomium. Letterlijk: goed uitgegraven.
Uitleggen en graven zijn in die taal één handeling. Er is geen manier om iets werkelijk duidelijk te maken behalve door het uit te diepen, en er is geen manier om te graven zonder dat er iets aan het licht komt waar een ander uit kan drinken. De tweedeling waar ik in zat — leraar of zoeker, uitleggen of graven — bestaat alleen in een taal die het weten van het werken heeft losgekoppeld.
Wat overblijft is de vraag of ik durf te zeggen wat ik heb gevonden, hardop, waar mensen bij zijn, en of ik dat een naam durf te geven die niet van mij is.
Izaäk kreeg het water aangezegd door zijn knechten. Hij was er zelf niet bij toen het opkwam.
Ben je geinteresseerd in mijn graven? Wordt dan ‘abonnee/volger’ van mijn whatsapp kanaal: Graafwerk

