Niet terugkeren (de tien melaatsen)
Over negen mensen die precies deden wat hun gezegd was, één die iets deed wat niemand had gezegd, en het stuk van de weg dat nooit wordt opgedragen
Ze is beter. Ze belt af, vriendelijk: het gaat goed, ze heeft het niet meer nodig, bedankt voor alles. En ik hoor nooit meer iets. Dat is normaal, en ik heb er vrede mee; wie genezen is, gaat verder, dat is wat genezen betekent. Maar af en toe komt er iemand terug. Een jaar later, twee jaar later, zonder afspraak, voor één gesprek, om te zeggen wat er is gebeurd. En ik merk dat die ene mij iets geeft wat de anderen niet geven, en dat het niet om mij gaat. Het is alsof de weg die zij liepen pas dan af is.
In het taal-stuk van deze serie stond de tiende melaatse al: katharizō tegenover sōzō, gereinigd tegenover behouden, de Samaritaan die terugkeert en daarmee de orcha legt. Ik ga daar niet opnieuw heen. Dit stuk gaat over de negen. Over wie ze waren, wat ze deden, en waarom niemand hen ooit heeft veroordeeld.
Van verre, met luide stem
Op weg naar Jeruzalem trok hij door het midden van Samaria en Galilea.
Door het midden. Het is grensland, de streek waar Samaritanen en Joden door elkaar wonen omdat de grens niet scherp is. Lucas zet de scène op de scheidslijn, en dat blijkt de sleutel van het verhaal.
En toen hij een dorp binnenging, kwamen hem tien melaatse mannen tegemoet, die op een afstand bleven staan.
Van verre. Niet uit schuwheid: uit wet. Leviticus 13 schrijft voor dat de melaatse buiten het kamp woont, met gescheurde kleren en loshangend haar, en roept: onrein, onrein, zodat niemand hem nadert. De tien staan op de afstand die de Thora hun geeft. Ze zijn samen, Joden en een Samaritaan, want melaatsheid maakt de grens tussen Jood en Samaritaan overbodig; wie onrein is, is onrein, en de tien zijn een systeem geworden van uitgeslotenen, met hun eigen plek buiten alle plekken.
En zij verhieven hun stem: Jezus, meester, ontferm u over ons.
Ze hieven een stem op. Eén stem, tien mannen. Wie op afstand moet blijven, heeft alleen zijn stem om de afstand te overbruggen. Onthoud die stem, want ze komt terug.
Ga, en toon je aan de priesters
En toen hij hen zag, zei hij: gaat heen, toont je aan de priesters.
Dat is de opdracht, en ik moet haar precies lezen, want alles hangt eraan. Hij geneest hen niet. Hij zegt: ga. Poreuthentes. Ga op weg. Naar de priesters. Dat is Leviticus 14: als een melaatse denkt dat hij genezen is, moet hij zich aan de priester tonen, de priester keurt hem, en dan begint het ritueel van de terugkeer. Twee vogels, waarvan er één wordt geslacht en één losgelaten over het veld. Cederhout, scharlaken, hysop. Het scheren van al het haar. Zeven dagen buiten de tent. Op de achtste dag het offer, en dan is hij weer binnen.
De priesters zijn de poort terug in het systeem. Wie melaats was, moet langs de priester om weer iemand te zijn: een man in een gezin, een naam in een dorp, een lichaam dat aangeraakt mag worden. De opdracht toon je aan de priesters is dus de opdracht: ga terug naar je plek. Naar je vrouw, je kinderen, je synagoge. De weg die Jezus hun wijst, is de weg naar huis.
En het gebeurde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
Onderweg. De reiniging gebeurt niet bij Jezus, niet bij de priesters, maar ertussen, terwijl ze gaan. Ze zijn vertrokken met de zweren nog op hun huid, in vertrouwen op een opdracht, en ergens op de weg is het gebeurd.
De negen
Nu de negen. Wat doen zij?
Ze gaan door. Naar de priesters. Precies zoals hun is gezegd. Ze zijn niet ongehoorzaam, niet ondankbaar in de zin dat ze de opdracht negeren; ze voeren haar uit. Ze lopen naar de priester, laten zich keuren, beginnen aan de zeven dagen, de vogels, de achtste dag. En dan gaan ze naar huis. Naar hun vrouw, hun kinderen, hun plek. De weg die hun gewezen is, hebben ze gelopen tot het einde.
Ik heb de negen altijd ondankbaar horen noemen, en ik denk dat dat te makkelijk is. Ze deden wat er gezegd was. Als een van hen was teruggekeerd, had hij de opdracht onderbroken. De negen zijn de gehoorzamen. Ze zijn de mensen die de weg lopen die hun is gewezen, en dat is in deze hele serie meestal het goede.
En toch zegt Jezus: waar zijn de negen?
Waar. Weer de vraag van de weg. Ze zijn niet verdwaald in de zin dat ze de verkeerde kant op zijn gegaan. Ze zijn op de goede weg, naar de priesters, naar huis. En toch klinkt: waar zijn ze. Alsof er een stuk weg is dat niet op de kaart stond en dat ze hadden moeten lopen.
Het stuk dat niemand opdraagt
Eén van hen, toen hij zag dat hij genezen was, keerde terug, met luide stem God verheerlijkend, en viel op zijn gezicht aan zijn voeten, hem dankend; en hij was een Samaritaan.
Kijk naar de volgorde. Toen hij zag. Hij keek naar zijn eigen huid en zag. De negen liepen ook met genezen huid, maar Lucas zegt van hen niet dat ze zagen. Ze liepen. De ene stond stil, keek, en keerde om.
Hypestrepsen. Hij keerde terug. En dat is het stuk van de weg dat niemand hem had opgedragen. Jezus had gezegd: ga naar de priesters. Hij had niet gezegd: en kom dan terug. De weg terug staat in geen enkele opdracht. Ze is het enige deel van de weg dat een mens zelf moet bedenken, omdat niemand het hem zegt. Alles wat vooruit gaat, wordt gezegd: ga, toon je, doe het ritueel, ga naar huis. Het terug is van jou.
En daarom nemen de negen het niet. Niet uit slechtheid. Omdat het er niet stond. Wie een weg loopt die hem is gewezen, loopt de weg die hem is gewezen. Het terug is een tweede weg, en die moet je zelf openen.
Met luide stem. Dezelfde stem als aan het begin. Phōnē megalē. De stem die van verre om ontferming riep, komt nu van dichtbij terug om te danken. Het is dezelfde stem, in de andere richting. De vraag en de dank hebben hetzelfde geluid, en de negen hebben alleen de eerste helft ervan gebruikt.
En viel op zijn gezicht aan zijn voeten. Para tous podas. Aan de voeten. Het is de plek van Maria in het huis van Martha, de plek van de leerling, de plek waar de weg is. De Samaritaan die terugkeert, komt uit op precies de plaats waar de vrouw zat die niet bewoog. Terugkeren en aan de voeten zitten blijken dezelfde plek.
Waarom de vreemdeling
Werden niet de tien gereinigd? Waar zijn de negen? Is er niemand gevonden om terug te keren en God eer te geven dan deze vreemdeling?
Van een ander geslacht. Het woord komt in het hele Nieuwe Testament alleen hier voor, en het stond op één plaats in Jeruzalem in steen gebeiteld: op de afscheiding in de tempel, met de tekst dat geen allogenēs verder mocht, op straffe van de dood. De Samaritaan is de man die de tempel niet in mocht. En hij is de enige die terugkeert.
Waarom hij? Ik denk niet dat het is omdat Samaritanen dankbaarder zijn. Ik denk dat het komt door de opdracht. Toon je aan de priesters. Welke priesters? Voor de negen Joden: de priesters in Jeruzalem, de tempel, het systeem dat hen weer opneemt. Voor de Samaritaan: welke? Zijn tempel stond op de Gerizim en was verwoest. De priesters van Jeruzalem zouden hem niet keuren. Hij heeft geen systeem om naar terug te gaan. De opdracht die voor de negen een weg naar huis was, is voor hem een weg naar nergens.
En precies daarom kan hij omkeren. Hij heeft geen plek die op hem wacht. Dus gaat hij naar de enige plek die er voor hem is: de plaats waar het begon, de voeten van wie het gaf. De negen gingen terug naar hun systeem. De tiende ging terug naar de bron. En dat kon hij, omdat het systeem hem niet terug wilde.
Dat is een wet die ik uit mijn werk ken en die ik hier voor het eerst in de tekst zag. Wie ergens bij hoort, keert na een genezing terug naar waar hij bij hoort, en de gever verdwijnt in de dankbaarheid aan het systeem. Wie er niet bij hoort, heeft alleen de gever. De buitenstaander is de enige die de weg terug loopt, omdat de weg vooruit voor hem dood loopt.
Wat het terug geeft
Sta op en ga; je geloof heeft je behouden.
Dit is de zin uit het taal-stuk, en ik herhaal alleen wat ik toen niet zag. De negen zijn gereinigd. Zij zijn schoon, ze hebben hun huid, hun plek, hun leven terug. Dat is niet niets; het is het hele leven. Maar er is iets wat ze niet hebben, en het wordt alleen gegeven op de weg terug. Behouden, heel gemaakt. Het tweede.
En het wordt niet gegeven als beloning voor het bedanken. Dat is de valkuil van deze tekst. Het wordt gegeven op de plek waar het terug uitkomt. Wie terugkeert, komt aan de voeten, en aan de voeten wordt iets ontvangen wat onderweg naar de priesters niet te krijgen was. Niet omdat God dank eist. Omdat de gift pas heel is als hij is gezien door wie hem kreeg, en dat zien kan alleen in de richting van de gever.
Israël kende dat. Wie een gevaar overleefde, ziekte, gevangenschap, een reis over zee, sprak in de synagoge de zegen van de gomel: hij die goeds bewijst aan wie schuldig is. Hardop, voor de gemeente. Niet als plicht; als voltooiing. De genezing was privé, de dank was openbaar, en pas met de dank was het voorbij. En de psalm zegt: wie een dankoffer brengt, eert mij, en baant de weg. Derech, de weg. Wie todah brengt, dank, legt een weg aan. De Samaritaan die terugkeert met luide stem, spreekt de zegen van de gomel, aan de voeten, in grensland, en de weg die daardoor ontstaat is het spoor van deze serie.
Dankend. Het woord van de eucharistie. Wat de kerk elke week doet, is de weg terug van een Samaritaan in een grensdorp: terugkomen naar wie het gaf, en het hardop zeggen.
De laag onder de dankbaarheid
Waarom lopen genezen mensen door?
Omdat genezing vergeet. Dat is geen verwijt, het is hoe een lichaam werkt. De nood die je had, verdwijnt met de nood. Zolang de zweren er waren, wist je elke minuut wat je nodig had. Als ze weg zijn, is er niets meer dat je eraan herinnert. Het lichaam bewaart geen pijn die voorbij is; het bewaart alleen pijn die er nog is. De negen lopen naar de priesters met een huid die niets meer weet. Wat er is gebeurd, is in hun lichaam al gewist.
De tiende zag. Dat is het verschil, en het is een verschil van aandacht, niet van deugd. Hij keek naar wat er niet meer was. Hij zag zijn gezonde huid en herinnerde zich de zieke, en tussen die twee viel de gever. Wie alleen zijn gezonde huid ziet, heeft niemand om naar terug te gaan.
En onder de vergeten nood ligt nog iets. Wie iets heeft ontvangen wat hij niet kan terugbetalen, voelt dat als een schuld, en schuld wil je kwijt. De makkelijkste manier om van een schuld af te komen, is de gever niet meer te zien. Naar de priesters gaan, naar huis, het leven oppakken, en de plek waar het gegeven werd achter je laten. De negen zijn geen ondankbare mensen. Ze zijn mensen die iets te groots hebben gekregen, en die de enige uitweg nemen die het lichaam kent: doorlopen.
De weg terug vraagt om het omgekeerde: naar de gever toe gaan met een schuld die je niet kunt betalen, en aan zijn voeten vallen, en zeggen dat je het weet. Dat is wat behouden betekent. Niet de schuld kwijt zijn. Haar dragen, hardop, tegenover degene die haar gaf, en merken dat ze daarmee geen schuld meer is.
In de praktijk
Ik heb geleerd de negen te laten gaan. Dat is de orde: wie genezen is, gaat naar zijn priesters, naar zijn leven, naar zijn plek. Ik hoef daar niet in voor te komen. De gift is gegeven en zij is af; dat zij niet wordt bevestigd, maakt haar niet minder.
Maar ik zeg tegen mensen die vertrekken wel één ding, en het is dit verhaal in één zin: kom een keer terug om te zeggen wat er is gebeurd. Niet voor mij. Voor de weg. Want wie terugkomt om het te zeggen, loopt het stuk dat niemand hem heeft opgedragen, en op dat stuk wordt iets gegeven wat de genezing niet gaf.
En ik zie het bij ouders. De kinderen zijn groot, gezond, op hun plek, precies zoals de ouders het wilden: ze zijn naar de priesters gegaan en naar huis, naar hun eigen huis. En ze komen niet terug om het te zeggen. Niet uit ondankbaarheid; omdat het niet in de opdracht stond. Ouders geven de opdracht: ga, word iemand. Ze geven niet de opdracht: en kom dan terug om het te zeggen. En dat kunnen ze ook niet, want een dank die opgedragen wordt, is geen dank. Dus wachten ze, en negen van de tien komen niet.
Wat ik ouders dan zeg, is wat de tekst zegt: het is de tiende die komt, en het is meestal degene die er het minst bij hoorde. Het kind dat de buitenstaander was. Het kind zonder tempel. Dat kind heeft geen priesters om naar toe te gaan, en keert daarom terug naar de bron. De negen die zo goed terecht zijn gekomen, zijn precies daarom niet terug te verwachten.
En wat ik tegen de kinderen zeg, als ze bij mij zitten: ga een keer terug. Niet om iets goed te maken. Om te zeggen wat er is gebeurd, met de stem waarmee je vroeger om iets vroeg. Het kost een middag. Het is het enige stuk van de weg dat van jou is.
Waarom dit een manier van verdwalen is
De negen verdwalen op de goede weg. Dat is wat deze manier zo onzichtbaar maakt. Ze doen alles wat gezegd is, ze komen thuis, ze zijn gezond, hun leven klopt. En ergens klinkt: waar zijn ze. Niet omdat ze verkeerd liepen, maar omdat de weg twee helften heeft, en de tweede helft nergens staat.
Terugkeren is geen omkijken. De vrouw van Lot keek naar wat brandde; de Samaritaan ging naar wie gaf. Omkijken houdt je vast aan wat achter je ligt. Terugkeren brengt je bij wie je op weg heeft gezet, en stuurt je dan opnieuw: sta op en ga. Het is de enige beweging in deze serie die eindigt met een nieuw vertrek.
Centrale figuren in dit artikel:
de negen die doorliepen,
de Samaritaan die omkeerde,
de priesters als poort terug,
de vrouw die afbelde,
de ouders die wachten
Bijbelgedeelten:
Lukas 17:11-19 (door het midden van Samaria en Galilea; van verre; zij verhieven hun stem; toont je aan de priesters; terwijl zij heengingen; één keerde terug, met luide stem, aan zijn voeten; een Samaritaan; waar zijn de negen; deze vreemdeling; sta op en ga, je geloof heeft je behouden);
Lukas 10:39 (Maria aan de voeten);
Lukas 7:50, 8:48, 18:42 (je geloof heeft je behouden, tegen drie andere buitenstaanders);
Leviticus 13:45-46 (buiten het kamp, onrein, onrein);
Leviticus 14:1-32 (de priester, de twee vogels, de zeven dagen, de achtste dag);
Psalm 50:23 (wie een dankoffer brengt, baant de weg);
Psalm 107 (de vier die verlost zijn en danken; grondslag van de zegen van de gomel);
Talmoed Berachot 54b (de vier die dank moeten brengen)

