Omkijken (de hand aan de ploeg, de vrouw van Lot)
Over een voor die krom trekt, een vrouw die op de weg is blijven staan, en het gezicht dat een andere kant op kijkt dan de voeten
Hij is weg. Dat is het eerste wat hij zegt, en het is waar. Hij heeft het bedrijf verlaten, de aandelen verkocht aan zijn broer, het huis op het erf ontruimd. Hij woont nu in de stad. En hij vertelt me over de zaak, over wat zijn broer verkeerd doet, over de klanten die hem nog bellen, over de plek bij de schuur waar hij als jongen zat. Hij praat een uur lang over wat achter hem ligt, met de rug naar zijn nieuwe leven.
Zijn voeten zijn gegaan. Zijn gezicht is gebleven.
Lucas heeft daar twee scènes voor, en ze horen bij elkaar. Een man met een ploeg, en een vrouw die zout werd.
De hand aan de ploeg
Aan het begin van de reis, meteen nadat het gezicht naar Jeruzalem is gesteld, komen er drie mensen die willen volgen. Marcus en Mattheüs hebben er twee; Lucas heeft er drie, en de derde is van hem alleen.
Ik zal u volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van mijn huisgenoten.
Het is een redelijke vraag. Het is precies de vraag die Elisa stelde toen Elia hem riep. Elisa liep achter twaalf span ossen, Elia wierp zijn mantel over hem, en Elisa zei: laat mij mijn vader en moeder kussen, dan zal ik u volgen. En Elia liet het toe. Elisa ging terug, slachtte de ossen, verbrandde het juk en gaf het volk te eten. Toen ging hij mee. De grootste profeet van Israël vond het goed dat zijn leerling eerst omkeek.
Jezus niet.
Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God.
Lucas laat het Elia-verhaal meeklinken tot in de ploeg, en breekt het dan af. Wat bij Elia mocht, mag hier niet. En de reden staat niet in de moraal, ze staat in de landbouw. Wie ploegt, kijkt naar het punt aan het eind van de akker waar de voor moet uitkomen. Wie tijdens het ploegen achterom kijkt, trekt een kromme voor. Niet uit zwakte; uit mechanica. De ossen volgen de hand, de hand volgt het gezicht, en het gezicht dat naar achteren kijkt, stuurt de ploeg naar achteren terwijl de ossen naar voren gaan.
Het Griekse woord voor geschikt is euthetos, letterlijk: goed geplaatst, goed gezet. Het is het woord dat Lucas ook gebruikt voor zout dat zijn kracht verloren heeft en nergens meer euthetos voor is, niet voor het land en niet voor de mesthoop. Wie achterom kijkt, is niet slecht. Hij staat niet goed. Zijn lichaam en zijn gezicht zijn niet op dezelfde plaats.
De vrouw van Lot
De tweede scène komt veel later op de reis, in het gesprek over de dag die komt. Wie op die dag op het dak is en zijn spullen in huis heeft, moet niet naar beneden gaan om ze te halen; en wie op het veld is, moet evenmin terugkeren naar wat achter hem ligt. Denk aan de vrouw van Lot.
Drie woorden in het Grieks. Gedenk de vrouw van Lot. Alleen Lucas heeft ze.
En dan de zin die eronder staat: wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen.
De vrouw van Lot staat in Genesis 19. Sodom brandt, de engelen hebben gezegd: kijk niet om, blijf nergens in de vlakte staan. Lot en zijn dochters lopen. En zijn vrouw, achter hem, keek om, en werd een zoutpilaar.
Het Hebreeuws is preciezer dan onze vertaling. Vattabet, van nabat: niet even omkijken, maar staren, de blik richten en laten rusten. Het is het werkwoord waarmee God aan Abraham vraagt naar de sterren te kijken. Zij kijkt zo naar Sodom. Met de blik van wie iets wil vasthouden.
En wat ze wordt, is netsiv melach. Een netsiv is een staande zaak, een zuil, een post die is neergezet. Ze wordt iets wat staat. Op de weg uit Sodom, waar iedereen loopt, staat zij. Dat is wat omkijken doet in de taal van Lucas: het maakt van een reiziger een monument. Ze is niet dood, ze is niet terug in Sodom, ze is niet aangekomen in Zoar. Ze staat op de weg, met haar gezicht naar achteren, en de karavaan gaat om haar heen.
Waarom zout? De midrasj vertelt dat zij de avond ervoor geen zout had willen geven aan de gasten die haar man binnenhaalde, en dat ze de buren langsging om zout te vragen zodat de hele stad zou weten dat er vreemdelingen in huis waren. Zout was in Sodom het teken van gastvrijheid en zij gebruikte het als verraad. Ze wordt wat ze heeft misbruikt. Maar er is een tweede laag, en die is ouder dan de midrasj: zout conserveert. Zout houdt vast wat anders zou vergaan. Wie omkijkt naar wat brandt, wordt het middel dat het vasthoudt. Hij bewaart Sodom in zichzelf, en staat daardoor stil.
De rabbijnen zeiden ook dat de zoutpilaar er nog staat, bij de Dode Zee, en dat de ossen eraan likken tot ze afgesleten is, en dat ze dan weer aangroeit. Dat is de eerlijkste beschrijving van omkijken die ik ken: het slijt af en het groeit weer aan.
Het gezicht en de voeten
In het derde stuk van deze serie stond het gezicht dat wordt gesteld: hij stelde zijn gezicht om naar Jeruzalem te gaan. De reis van Lucas begint met een gezicht dat een richting krijgt. Nu wordt duidelijk waarom hij dat zo heeft opgeschreven. Het gezicht is het orgaan van de richting. De voeten volgen het gezicht. Wie het gezicht heeft gesteld, gaat. Wie het gezicht naar achteren heeft, gaat ook, maar hij gaat als de vrouw van Lot: het lichaam onderweg, het gezicht in Sodom.
Dat is de anatomie van omkijken, en zij is lichamelijk voordat zij psychisch is. Het gezicht kan maar één kant op. De nek draait, en waar de nek naartoe draait, gaat de aandacht, en waar de aandacht is, is de mens. Wie loopt en omkijkt, is niet op twee plaatsen tegelijk. Hij is op de plek waar zijn gezicht is, en zijn voeten dragen een leeg lichaam vooruit.
Ik zie het aan de man uit het bedrijf. Zijn lichaam zit in mijn kamer, in de stad, in het nieuwe leven. Zijn gezicht zit bij de schuur. En het nieuwe leven krijgt een lichaam zonder gezicht: het wordt geleefd, maar niet bewoond. Dat is de kromme voor. Hij ploegt wel. Maar de akker die hij ploegt is niet de akker waar hij naar kijkt.
De Grieken kenden deze wet ook, en Lucas’ tijdgenoten lazen het verhaal in de Latijnse dichter die het het mooist vertelde. Orpheus mag Eurydice uit de onderwereld halen, op één voorwaarde: niet omkijken tot ze boven zijn. Hij loopt, zij achter hem, en vlak voor het licht kijkt hij om. En ze is weg. De dichter schrijft dat hij omkeek uit liefde. Dat is het pijnlijke: omkijken is bijna nooit zwakte. Het is liefde die de verkeerde kant op is gericht. Naar wat achter is in plaats van naar wie voor je loopt.
De laag van de familie
Onder het omkijken ligt bijna altijd een familie, en Lucas laat dat zien in de twee mensen die vlak voor de ploeg komen. Sta mij toe eerst mijn vader te begraven. Sta mij toe eerst afscheid te nemen van mijn huisgenoten. De vader, de huisgenoten. Het omkijken is niet naar een plaats, het is naar mensen. En het antwoord is het hardste wat Jezus in Lucas zegt: laat de doden hun doden begraven.
Ik heb dat lang als wreed gelezen. Ik lees het nu als systemisch. Er zijn doden die begraven moeten worden, en er zijn doden die je blijven vasthouden omdat je hen niet begraaft maar draagt. De man die zijn vader wil begraven, heeft waarschijnlijk geen dode vader; in het Oosten van die tijd betekende de zin: laat mij wachten tot mijn vader dood is, dan ben ik vrij. Hij vraagt uitstel tot het systeem hem loslaat. En het antwoord zegt: het systeem laat je niet los. Jij moet gaan terwijl het je vasthoudt.
Dat is de wet onder deze manier van verdwalen. Wie omkijkt, kijkt naar een plek in een systeem die hij niet heeft losgelaten. De oudste zoon die het bedrijf verliet en er nog elke dag naar kijkt, heeft zijn plek daar niet opgegeven; hij heeft zijn lichaam eruit gehaald en zijn gezicht laten staan. Het systeem merkt dat. Zijn broer, de opvolger, werkt onder een blik. De klanten bellen de man die weg is. De plek is niet vrijgekomen, omdat de vorige bewoner er nog naar kijkt.
En omgekeerd: wie werkelijk gaat, geeft een plek vrij. Dat is wat Elisa deed toen hij de ossen slachtte en het juk verbrandde. Hij nam geen afscheid door om te kijken. Hij nam afscheid door onherstelbaar te maken wat hij achterliet. Daarna kon hij mee. Misschien is dat waarom Elia het toestond en Jezus niet: Elisa vroeg niet om nog even te kijken. Hij vroeg om het te mogen verbranden.
In de praktijk
Ik vraag de man uit het bedrijf niet of hij spijt heeft. Die vraag houdt hem bij de schuur. Ik vraag: waar staat je gezicht?
Hij weet meteen wat ik bedoel. Mensen weten het altijd. Het gezicht staat waar het staat, en het lichaam weet het voordat het hoofd het toegeeft. Hij zegt: bij de zaak. En dan zegt hij, langzamer: al twee jaar.
Twee jaar is hij een zoutpilaar op de weg naar de stad geweest. Gegaan en niet gegaan. Zijn vrouw heeft naast een monument gewoond. Zijn nieuwe werk heeft een lichaam gehad en geen gezicht.
Wat ik hem dan vraag, is niet om vooruit te kijken; dat is een zin die niets doet. Ik vraag wat hij nog niet heeft verbrand. Welk juk er nog in de schuur staat waar hij naar kijkt. En dat blijkt bijna altijd iets concreets te zijn: een sleutel die hij nog heeft, een telefoonnummer dat hij nog opneemt, een gesprek met zijn broer dat nooit is gevoerd omdat afscheid nemen betekent dat het voorbij is.
Omkijken is de manier waarop een mens iets niet voorbij laat zijn. Het slijt af en het groeit weer aan. Wat helpt, is niet harder vooruit kijken. Wat helpt, is de ossen slachten. Eén ding onherstelbaar maken, zodat het gezicht niets meer heeft om naar terug te draaien.
Hij heeft de sleutel teruggegeven. Niet omdat zijn broer erom vroeg. Omdat hij merkte dat zijn nek al twee jaar pijn deed.
Waarom dit een manier van verdwalen is en geen zonde
Lucas veroordeelt de derde man niet. Hij laat hem niet weggaan zoals de rijke jongeling bij Marcus. Hij laat de zin over de ploeg staan en vertelt niet wat de man deed. Dat is de opening. Wie omkijkt, is niet van de weg af. Hij staat erop. Hij is alleen niet euthetos, niet goed gezet: zijn gezicht en zijn voeten wijzen niet dezelfde kant op.
En de vrouw van Lot wordt niet in Sodom teruggezet. Ze staat op de weg. Ze is verder gekomen dan de stad. Ze heeft alleen de laatste beweging niet gemaakt, de beweging van het gezicht. En daar, op die plek, tussen wat brandde en waar ze heen moest, is ze zout geworden. Bewaard. Dat is wat omkijken uiteindelijk doet: het bewaart je op de plek waar je omkeek.
Gedenk de vrouw van Lot. Het is het kortste gebod in Lucas. Gedenk, mnēmoneuete, is precies wat zij deed met Sodom. Lucas keert het om: gedenk niet wat achter je ligt, gedenk wie daardoor is blijven staan.
Centrale figuren in dit artikel:
de derde die wilde volgen,
Elisa achter de ossen,
de vrouw van Lot,
de man uit het bedrijf die zijn gezicht bij de schuur liet
Bijbelgedeelten:
Lukas 9:57-62 (de drie die wilden volgen; laat de doden hun doden begraven; de hand aan de ploeg);
Lukas 17:31-33 (niet terugkeren naar wat achter je ligt; gedenk de vrouw van Lot; wie zijn leven wil behouden);
Lukas 9:51 (hij stelde zijn gezicht);
Lukas 14:34-35 (zout dat nergens meer euthetos voor is);
1 Koningen 19:19-21 (Elia roept Elisa; de ossen geslacht, het juk verbrand);
Genesis 19:17, 26 (kijk niet om; zij keek om en werd een zoutpilaar);
Bereshit Rabba 51:5 (het zout van de vrouw van Lot)

