Personages in Hooglied
Hooglied lijkt op het eerste gezicht een poëtische dialoog tussen twee geliefden, maar als je goed kijkt, komen er meerdere personages in voor. Elk van hen heeft een eigen stem, functie en (in mystieke lezing) diepere betekenis.
Hieronder een overzicht van de mensen (of stemmen) in Hooglied en hun betekenis, zowel letterlijk als symbolisch/mystiek:
1. De vrouw (de bruid / de geliefde)
Vaak aangeduid als de Sulamitische (Hooglied 6:13)
Letterlijke rol: De centrale vrouwelijke figuur. Ze spreekt het meest, drukt verlangen uit, zoekt haar geliefde en beschrijft liefde in sensuele en spirituele taal.
Symbolische/mystieke betekenis:
– In de joodse traditie: zij staat voor het volk Israël, verlangend naar God.
– In de christelijke traditie: zij symboliseert de ziel, de kerk, of Maria.
– In mystiek algemeen: zij is de menselijke ziel die verlangt naar vereniging met het goddelijke.
2. De man (de bruidegom / de geliefde)
Vaak aangeduid als de koning of mijn geliefde
Letterlijke rol: De mannelijke geliefde die schoonheid bezingt, uitnodigt en wordt gezocht.
Symbolische/mystieke betekenis:
– In de joodse lezing: hij symboliseert God, de Eeuwige.
– In de christelijke traditie: hij wordt vaak gezien als Christus.
– Mystiek algemeen: hij is de Geliefde (met hoofdletter), het Goddelijke dat zich laat zoeken en liefhebben.
3. De dochters van Jeruzalem
Letterlijke rol: Een soort koor of gezelschap vrouwen dat de bruid aanspreekt, getuige is van haar liefde, en soms raad geeft.
Symbolische/mystieke betekenis:
Zij staan voor de gemeenschap, de buitenwereld, of zij die (nog) niet volledig in de liefde staan.
Mystiek: het zijn andere zielen of zoekenden — ze herinneren aan liefde, maar staan ook soms op afstand.
4. De broers van de bruid
“Mijn moeder’s zonen werden boos op mij” (Hooglied 1:6)
Letterlijke rol: Ze dwongen haar haar eigen wijngaard (lichaam/ziel) te verwaarlozen door haar op andere taken te zetten.
Symbolische/mystieke betekenis:
Ze kunnen staan voor maatschappelijke druk, plicht, of innerlijke stemmen die afleiden van de weg van liefde.
Mystiek: krachten die de ziel verhinderen haar innerlijke roeping te volgen.
5. De moeder van de bruid
“Onder de appelboom wekte ik je liefde, daar baarde je moeder je” (Hooglied 8:5)\
Letterlijke rol: Wordt kort genoemd, vaak als oorsprong of verwijzing naar geboorte.
Symbolische/mystieke betekenis:
Kan staan voor de oorsprong van de ziel, of het vrouwelijke principe dat leven voortbrengt.
In mystieke lezing soms ook een verwijzing naar de oerbron van liefde, of de aarde.
6. De wachters
“De wachters die de stad doorkruisen vonden mij” (3:3; 5:7)
Letterlijke rol: Mannen die de stad bewaken; in één scène slaan en beledigen ze de vrouw.
Symbolische/mystieke betekenis:
Ze kunnen staan voor de grenzen van de buitenwereld, of obstakels op het pad van liefde.
Mystiek: beproevingen, innerlijke weerstand, of de ‘nacht van de ziel’ waarin de Geliefde afwezig lijkt.
7. De koning / Salomo
“Koning Salomo maakte voor zichzelf een draagstoel” (3:9)
Letterlijke rol: Wordt genoemd als een machtige figuur, mogelijk de bruidegom zelf.
Symbolische/mystieke betekenis:
De koning staat voor macht, majesteit en glorie, soms als beeld voor God of Christus.
De naam “Salomo” (vrede) kan wijzen op de vrede van de liefde of de eindbestemming van de ziel.
Samenvattend:
| Personage | Letterlijk | Mystieke betekenis |
|---|---|---|
| De vrouw / bruid | Liefhebbende vrouw | De ziel / Israël / de kerk |
| De man / bruidegom | Geliefde man | God / Christus / het Goddelijke |
| Dochters van Jeruzalem | Omstanders / vriendinnen | Gemeenschap / zij die kijken of zoeken |
| Broers van de bruid | Familie / onderdrukkers | Innerlijke conflicten, maatschappelijke afleiding |
| Moeder van de bruid | Oorsprong, baarmoeder | Levensbron / scheppende kracht |
| Wachters | Bewakers van de stad | Weerstand, beproeving, obstakels op het spirituele pad |
| Koning / Salomo | Heerser | Goddelijke Majesteit / Vrede / spirituele volheid |
Mensen en personages
In het hele boek heeft maar één mens een naam: Salomo. De vrouw heet de Sulammitische, maar dat is een herkomst of een titel, geen naam. De man heet mijn geliefde, mijn herder, de koning. De moeder heet zij die mij baarde. De broers heten de zonen van mijn moeder. De anderen heten naar hun functie: wachters, dochters van Jeruzalem, metgezellen, helden, koninginnen, bijvrouwen. Een boek vol mensen, en bijna niemand heeft een naam. Wie een naam heeft, is precies degene van wie de vrouw zich aan het eind losmaakt.
In de negentiende eeuw bedachten geleerden een oplossing voor een raadsel in de tekst. Soms is de geliefde een koning in een paleis, soms een herder in het veld. Zijn het twee mannen? Volgens die lezing is de vrouw door Salomo naar zijn harem gehaald, maar blijft ze trouw aan de herder die ze thuis liefhad, en aan het eind kiest ze tegen de koning. Het is een mooie roman, en je kunt hem in de tekst lezen. Maar de tekst laat het niet echt toe. Dezelfde man die ze koning noemt, vraagt ze waar hij zijn kudde weidt. Het boek laat koning en herder door elkaar lopen tot je ze niet meer uit elkaar kunt houden. Misschien omdat elke geliefde die twee draagt: de grootheid die je in hem ziet en de eenvoud van wie hij is.
Dan de naam van de vrouw. Shulammit. Er is een oude gedachte dat dit dezelfde naam is als Shunammit, vrouw uit Sunem, want de l en de n wisselen in de Semitische talen wel eens van plaats. En er is in de Bijbel een beroemde Sunamitische. Abisag. Toen koning David oud was en het niet meer warm kreeg, zochten zijn dienaren in het hele land naar een mooi meisje. Ze vonden Abisag uit Sunem. Ze lag in zijn schoot en verwarmde hem, en de koning kende haar niet.
Na Davids dood vroeg Adonia, de oudere halfbroer van Salomo, of hij Abisag mocht trouwen. Hij liet het vragen via Batseba. Salomo hoorde het en liet Adonia doden. Want wie de vrouw van de vorige koning nam, maakte aanspraak op de troon.
Als de Sulammitische en Abisag verwant zijn, dan draagt de vrouw van het Hooglied een schaduw mee. Een meisje dat werd uitgezocht om het lichaam van een oude man warm te houden, zonder dat hij haar kende. Dat daarna een pion werd tussen twee broers die om een troon vochten, en om wier bezit een man stierf. Wie het Hooglied daarnaast legt, ziet opeens de broers terug, de zonen van haar moeder die over haar beslissen. En de koning met zijn duizend. En een vrouw die aan het eind zegt: mijn wijngaard is van mij, de duizend zijn voor jou.
Ik wil daar niet te snel iets van maken. Maar systemisch gezien is het een patroon dat ik herken. Een vrouw die in één generatie wordt gebruikt, uitgekozen om te dienen, doorgegeven tussen mannen, keert in een volgende generatie terug als iemand die zichzelf toebehoort. Wat in het systeem onrecht werd aangedaan, zoekt een plek. Het Hooglied kan gelezen worden als het lied waarin de Sunamitische eindelijk mag zeggen wat Abisag nooit heeft gezegd. In het hele verhaal in Koningen spreekt Abisag geen woord. In het Hooglied spreekt de Sulammitische het meest van iedereen.
Er is nog een vrouw uit Sunem. In het tweede boek Koningen maakt een rijke vrouw een kamer voor de profeet Elisa op het dak van haar huis. Ze krijgt een zoon, en jaren later sterft die zoon. Elisa komt, legt zich op het kind, mond op mond, ogen op ogen, handen op handen, en het lichaam wordt warm. Het kind niest zeven keer en opent zijn ogen. Een Sunamitische bij een koning die niet warm werd. Een Sunamitische wier kind warm werd door een mond op zijn mond. En een Sulammitische die haar boek begint met: laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond.
De andere personages lijken naast haar klein, maar ze hebben elk een plaats die niet leeg mag blijven. De moeder, die nooit spreekt en toch het huis is waar alles naartoe wordt gebracht. De dochters van Jeruzalem, die kijken en vragen en de binnenkant van de draagstoel bekleedden. De wachters, die de orde bewaken en de zoekende slaan. De metgezellen, die luisteren naar haar stem. De koninginnen en bijvrouwen, die haar prijzen. Ze horen erbij. Het boek sluit niemand uit, ook de wachters niet. Iedereen krijgt een rol in het verhaal van twee geliefden, en zo is het ook in elke liefde: er zijn altijd meer mensen bij dan de twee.
Op wie ontbreekt heb ik al gewezen, en ik laat dat hier rusten. Wat ik nu zie, is wie er in de schaduw meeloopt zonder genoemd te worden. Een meisje uit Sunem dat een koning verwarmde en zweeg. Ze staat niet in het Hooglied. Maar ik hoor haar in elke zin die de Sulammitische uitspreekt.
