Te goed kennen
Over de zin “laat het dan zien”, het uur dat de familie niet heeft, en de moeder die aan een vreemde wordt gegeven
Hij is veertig, hij leidt een bedrijf met tweehonderd mensen, en hij rijdt op zondag naar zijn ouders. In de auto, zegt hij, voelt hij het al gebeuren. Ergens tussen de snelweg en de oprit wordt hij weer het derde kind. Aan tafel weet iedereen wie hij is. Zijn broer maakt de grap die hij al dertig jaar maakt. Zijn moeder vraagt of hij wel genoeg eet. En wat hij is geworden, blijft in de auto staan, op de oprit, met de motor uit.
Hij zegt: ze kennen me. Dat is het probleem. Ze kennen me zó goed dat er niets meer bij kan.
Johannes 7 begint met dat gezin.
Het Loofhuttenfeest was nabij. Zijn broers zeiden dan tot hem: vertrek van hier en ga naar Judea, opdat ook uw leerlingen de werken zien die u doet. Want niemand doet iets in het verborgene terwijl hij zelf bekend wil zijn. Als u deze dingen doet, toon uzelf aan de wereld.
En dan de zin die Johannes ertussen zet, kort, zonder verzachting: want ook zijn broers geloofden niet in hem.
Ik lees het advies van de broers nog eens, en het is goed advies. Het is het advies dat elke adviseur zou geven. Ga naar de hoofdstad. Ga op het moment dat iedereen er is, het feest, maximaal publiek. Laat je werk zien aan wie het moet zien. Wie bekend wil worden, blijft niet in Galilea rommelen. Het is een marketingplan. De broers spreken als mensen die weten hoe de wereld werkt, en ze hebben gelijk over hoe de wereld werkt.
En ze geloven niet in hem.
Die twee dingen horen bij elkaar, en dat heb ik lang niet gezien. Het advies is niet ondanks het ongeloof. Het is de vorm ervan. Als u deze dingen doet — er zit een als in, klein, in het Grieks ei, en in dat als zit de hele familie. Toon het dan maar. Laat het dan maar zien. Bewijs het, daar, aan de wereld, want hier aan tafel hebben wij het niet gezien. Wij kennen je.
Wie zijn deze broers? Marcus noemt ze bij naam: Jakobus, Joses, Judas en Simon, en zussen. Mensen die met hem zijn opgegroeid in een huis in Nazareth. Die hem hebben zien eten, slapen, werken in de werkplaats van hun vader. Bij Marcus staat de zin die Johannes hier uitvoert: een profeet is nergens ongeëerd behalve in zijn vaderstad, onder zijn verwanten en in zijn huis. En erger, ook bij Marcus: zijn familie ging erop uit om hem te grijpen, want ze zeiden: hij is buiten zinnen.
Dat is de familie. Niet vijandig. Bezorgd, praktisch, zeker van wat ze weten. En blind, precies op de plek waar ze het meest weten.
Johannes heeft het in de proloog al gezegd, en ik lees het nu pas als een zin over een gezin. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen namen hem niet aan. Ta idia, hoi idioi: het eigene, de eigenen. Wie zijn er eigener dan je broers? De droevigste zin van de proloog gaat over een familie in Nazareth.
Nu naar wat de broers precies zeggen, want de woorden zijn gekozen.
Toon uzelf aan de wereld.Maak jezelf zichtbaar. En: niemand doet iets in het verborgene, en kryptō, als hij in openheid wil zijn, en parrēsia. Dat woord, parrēsia, betekent vrijuit spreken, publiek zijn, niets achterhouden. De broers eisen parrēsia. En Jezus zal het woord zelf gebruiken, veel later, in het verhoor voor de hogepriester: ik heb in openheid tot de wereld gesproken. Dus hij is niet tegen openheid. Hij is tegen de openheid op hun moment.
Want dat is zijn antwoord: mijn tijd is nog niet gekomen; maar jullie tijd is altijd gereed.
Kairos. Het uur, het rijpe moment. Ik heb het niet, zegt hij, nu nog niet. En jullie hebben het altijd. Pantote. Weer dat woord van de menigte bij het brood: altijd. Voor de broers is elk moment hetzelfde moment. Ze kunnen op elke dag naar het feest, en het maakt niet uit welke, omdat er niets in hun leven is dat op een uur wacht. Wie geen roeping heeft, heeft ook geen tijdstip. Zijn tijd is altijd gereed omdat ze nergens voor is.
En daarna de zin die pijn doet als je hem serieus neemt: de wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze. De broers passen. Ze zijn wat de wereld verwacht, ze zeggen wat de wereld zegt, ze adviseren wat de wereld adviseert. Daarom kan de wereld ze niet haten. En daarom hebben ze geen uur.
Gaan jullie op naar het feest. Ik ga niet op naar dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld.
En dan gaat hij toch. Toen zijn broers opgegaan waren, ging ook hij op, niet openlijk, maar als in het verborgene. En kryptō. Precies wat de broers zeiden dat niemand doet die bekend wil worden.
Ik zie hier iets wat het familiegesprek van elke zondag verklaart. Hij discussieert niet met zijn broers. Hij legt niet uit waarom hun plan verkeerd is, hij verdedigt zich niet, hij vraagt niet of ze hem nu eens wíllen zien. Hij zegt: gaan jullie. En hij gaat zijn eigen weg, op zijn eigen uur, buiten hun zicht. Hij laat de familie de familie zijn en onttrekt zich aan de rol die ze hem geven, zonder de rol te bestrijden.
Dat is het moeilijkste wat er is voor de man in de auto op de oprit. Hij wil dat ze het zien. Hij wil één keer aan die tafel de man zijn die hij op maandag is. En Johannes laat zien dat dat verlangen zelf de val is: wie zich aan zijn familie wil bewijzen, doet precies wat de broers vroegen. Toon uzelf. Hij gaat naar het feest om gezien te worden, en dan is hij hun plan aan het uitvoeren.
Het feest waar het over gaat, is Loofhutten. Sukkot: het feest van de tenten, waarin Israël een week in hutten woont om de woestijn te herdenken, de jaren dat God in een tent onder hen woonde. En Johannes had in zijn eerste hoofdstuk gezegd: het Woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen. Dertig jaar in een tent in Nazareth, in een huis met broers die er dagelijks langsliepen. Het tentfeest gaat over wat de broers nooit hebben gezien: dat het al die tijd bij hen woonde.
Waarom kan een familie niet zien wat een vreemde wel ziet? Ik heb daar drie lagen voor, en ze zitten in elkaar.
De eerste is de plek. In een gezin heeft ieder een plaats, en de anderen kennen je als die plaats. De oudste, de derde, de stille, de lastige. Die plaats is vroeg vastgelegd, meestal voor je vijfde jaar, door mensen die keken naar een kind. En zij blijven naar dat kind kijken, omdat de plaats het enige is wat ze van je hebben. Wie meer wordt dan zijn plaats, wordt daarmee niet zichtbaar; hij wordt onzichtbaar, omdat de familie geen plek heeft voor wat er meer is. Wat niet in het systeem past, wordt niet gezien. Niet uit kwade wil. Uit orde.
De tweede laag is wat het de familie zou kosten. Als de derde zoon werkelijk is wat hij is geworden, dan verschuift alles. Dan is de oudste niet meer de oudste in de zin die telde. Dan is de moeder niet meer de moeder van een kind dat genoeg moet eten. Dan moet het hele gezin zichzelf opnieuw zien. Dat is te duur. Het is goedkoper om de grap van dertig jaar geleden nog eens te maken. Een familie die een lid niet ziet, beschermt daarmee niet het lid, ze beschermt zichzelf tegen een herschikking die niemand heeft gevraagd.
En de derde laag is de kennis van de afkomst. Op het feest, een paar verzen verderop, zeggen de mensen van Jeruzalem: wij weten waar deze vandaan is; maar wanneer de Christus komt, weet niemand waar hij vandaan is. Wij weten waar hij vandaan komt. Dat is de zin van de broers, uit de mond van de stad. Wie weet waar je vandaan komt, denkt te weten waar je heen kunt. De afkomst wordt de grens. Nazareth, de zoon van Jozef, de broer van Jakobus. En de tekst zegt, koel: wie de Christus is, dat weet niemand waar hij vandaan komt. Wat werkelijk nieuw is, heeft geen afkomst die het verklaart. De familie die de afkomst kent, kent daarmee precies het deel dat het niet verklaart.
En dan de plek waar Johannes deze familie laat eindigen, en ik heb er lang omheen gelezen.
Bij het kruis staan vrouwen: zijn moeder, de zus van zijn moeder, Maria van Klopas, Maria Magdalena. En de leerling die hij liefhad. Geen broers. En dan zegt Jezus tegen zijn moeder: vrouw, zie uw zoon, en tegen de leerling: zie uw moeder. En van dat uur af nam de leerling haar in zijn huis.
Hij geeft zijn moeder aan een vreemde. Niet aan Jakobus, niet aan Simon, niet aan de broers die er volgens elke wet en elke gewoonte recht op hadden en de plicht toe. Aan iemand die hem heeft gezien. De zorg voor de moeder gaat naar wie hem kende, niet naar wie hem te goed kende. Dat is de laatste zin over dit gezin, en hij is niet hard bedoeld, denk ik. Hij is precies. Familie is bij Johannes niet wie met je is opgegroeid. Het is wie bij het kruis staat.
Wat kun je hiermee.
Je kunt ophouden je aan je familie te bewijzen. Dat is het eerste en het is het zwaarste. Toon uzelf is hun zin, en zodra jij hem uitvoert, zit je in hun plan en aan hun tafel als het derde kind dat iets komt laten zien. Wie gezien wil worden door wie hem te goed kent, vraagt iets wat de orde van het gezin niet kan geven. Niet omdat ze niet van je houden. Omdat het hun herschikking zou kosten.
Je kunt hun advies horen voor wat het is: hoe de wereld werkt. Dat weten ze meestal beter dan jij. Ze weten alleen niet wat je uur is, omdat zij er geen hebben, en dat maakt hun raad goed voor de wereld en waardeloos voor wat je moet doen.
Je kunt je eigen uur nemen en in het verborgene gaan. Dat is geen lafheid. Het is en kryptō, de manier waarop iets rijpt dat nog niet rijp is. Laat ze naar het feest gaan. Ga zelf, later, langs een andere weg, en verwacht ze niet in de zaal.
En je kunt je moeder aan iemand anders geven. Niet letterlijk. Maar het is toegestaan om de mensen die je zien, de plek te geven die je familie op grond van bloed opeist. Wie bij het kruis staat, is familie. Wie je te goed kent om te kijken, blijft je broer, en hoeft niet meer te zijn dan dat.
Johannes vertelt niet hoe het afliep. Maar Paulus schrijft, twintig jaar later, in één bijzin, dat de Opgestane verscheen aan Jakobus. De broer die niet geloofde. En Jakobus werd de leider van de gemeente in Jeruzalem. Dus het kan, blijkbaar, dat een broer je ziet. Alleen niet aan tafel, en niet op het feest, en niet toen jij het wilde. Het kwam na de dood, en Johannes heeft er geen scène van gemaakt.
Centrale figuren in dit artikel:
de broers,
de man op de oprit,
de moeder bij het kruis,
Jakobus
Bijbelgedeelten:
Johannes 7:1-10 (toon uzelf aan de wereld; ook zijn broers geloofden niet; mijn tijd is nog niet gekomen, jullie tijd is altijd gereed; in het verborgene naar het feest);
Johannes 7:27 (wij weten waar deze vandaan is);
Johannes 1:11 (hij kwam tot het zijne);
Johannes 1:14 (het Woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen);
Johannes 18:20 (ik heb in openheid gesproken);
Johannes 19:25-27 (vrouw, zie uw zoon);
Markus 3:21 (zijn familie: hij is buiten zinnen);
Markus. 6:3-4 (een profeet in zijn eigen huis);
1 Korinthe 15:7 (hij verscheen aan Jakobus)

