Teken je gezin van herkomst
Ik wil je vragen om een tekening te maken van je gezin van herkomst. Dat is het gezin waarin je bent opgegroeid, of dat voor jou als je gezin voelde.
Teken de mensen zoals ze voor jou kloppen — er is geen goede of foute manier om dit te doen. Het gaat niet om hoe mooi of netjes je tekent, maar om wat jij laat zien.
Neem de tijd en gebruik het papier zoals jij wilt. Als je klaar bent, kun je jezelf een paar vragen stellen over je eigen tekening, zodat je beter kan begrijpen wat je hebt getekend.

1. Plaatsing & compositie (het totaalbeeld)
- Grootte van figuren
- Groot → ervaren als belangrijk, dominant, bedreigend of idealiserend
- Klein → minder ruimte innemen, zich onzichtbaar voelen, onzekerheid
- Afstand tussen gezinsleden
- Dicht bij elkaar → verbondenheid, afhankelijkheid
- Ver uit elkaar → emotionele afstand, conflict, autonomie
- Wie staat centraal?
- Centraal = psychologisch belangrijk
- Zichzelf aan de rand → zich buitengesloten voelen
- Wie tekent men eerst / laatst?
- Eerst = meest betekenisvol
- Laatst of vergeten = minder emotioneel beschikbaar of vermeden
2. Richting van kijken & lichaamshouding
- Naar elkaar toe kijken
- Contact, betrokkenheid
- Wegkijken
- Vermijding, conflict, emotionele afstand
- Naar de tekenaar kijken
- Behoefte aan aandacht, bevestiging
- Gedraaide lichamen
- Ambivalentie (bijv. hoofd weg, lichaam naar iemand toe)
3. Handen (heel belangrijk!)
- Geen handen
- Machteloosheid, passiviteit, contactproblemen
- Kleine handen
- Onzekerheid in handelen
- Grote handen
- Controle, agressie, kracht
- Gesloten vuisten
- Opgekropte boosheid, spanning
- Open handen
- Beschikbaarheid, contact, geven/ontvangen
- Handen achter de rug
- Geheimen, terugtrekking, schuldgevoel
- Handen die elkaar raken
- Verbondenheid, afhankelijkheid
4. Armen
- Lange armen
- Behoefte aan nabijheid of controle
- Korte armen
- Onvermogen om contact te maken
- Armen strak langs het lichaam
- Geremdheid, spanning
- Armen open
- Contactbereidheid, veiligheid
5. Voeten & benen
- Geen voeten
- Onzekerheid, gebrek aan gronding, instabiliteit
- Kleine voeten
- Zich niet stevig voelen
- Grote voeten
- Behoefte aan controle of zekerheid
- Voeten in verschillende richtingen
- Innerlijk conflict, ambivalentie
- Beweging (lopen, rennen)
- Vlucht, onrust, verandering
6. Gezicht & details
- Geen gezicht
- Vermijding van emotie, identiteit onveilig
- Geen ogen
- Niet willen zien / gezien worden
- Grote ogen
- Angst, alertheid
- Mond afwezig
- Moeite met spreken, gevoelens uiten
- Grote tanden
- Agressie, verdediging
- Neus benadrukt
- Agressie of nieuwsgierigheid (klassieke interpretatie)
7. Lijngebruik & druk
- Harde druk
- Spanning, agressie, controle
- Zachte, vage lijnen
- Onzekerheid, terugtrekking
- Veel gummen
- Twijfel, perfectionisme, angst om fouten te maken
- Chaotisch
- Emotionele onrust
8. Weglatingen & toevoegingen
- Gezinslid ontbreekt
- Conflict, rouw, ontkenning, emotionele afwezigheid
- Extra figuren (dieren, fantasie)
- Behoefte aan steun of veiligheid
- Objecten tussen mensen
- Emotionele barrières
9. Jijzelf in de tekening
- Groter/kleiner dan anderen
- Zelfbeeld t.o.v. gezin
- Tussen ouders in
- Loyaliteitsconflict
- Achter iemand
- Bescherming zoeken
- Afzijdig
- Autonomie of uitsluiting
10. Altijd combineren met vragen!
Essentieel in tekentherapie:
- “Wie is dit?”
- “Wat gebeurt hier?”
- “Wie voelt zich hoe?”
- “Waar zou jij het liefst staan?”
De betekenis die jij zelf geeft is altijd leidend.
Waarom zegt zo’n tekening vaak zoveel?
=> Tekenen is minder gecontroleerd dan praten
Als mensen praten, sturen ze hun verhaal:
– ze rationaliseren
– laten dingen weg
– zeggen wat “hoort”
Bij tekenen gebeurt iets anders:
– het lichaam doet mee (motoriek, spanning)
– keuzes worden impliciet gemaakt (grootte, afstand, richting)
– het gaat sneller dan bewust nadenken
Dat maakt tekeningen gevoelig voor onbewuste patronen.
=> Ruimtelijke keuzes = innerlijke organisatie
Mensen ordenen papier vaak zoals ze hun wereld ervaren:
– dichtbij = emotioneel nabij
– ver weg = afstand
– groot = belangrijk / bedreigend
– klein = minder ruimte innemen
Dit is geen magie, maar basale cognitieve en emotionele mapping.
We doen dit ook in taal: “ik sta ver van hem af”, “zij neemt veel ruimte in”.
=> Het lichaam verraadt spanning
Handen, voeten, druk, gummen:
– zijn lastig “strategisch” te manipuleren
– reageren sterk op spanning, angst of controle
Je ziet dat:
– handen verdwijnen bij machteloosheid
– voeten ontbreken bij instabiliteit
– harde druk bij opgekropte spanning
Niet omdat ze dat bedenken, maar omdat het lijf meetekent.
=> Het gaat om patronen, niet om losse kenmerken
Eén detail = toeval
Meerdere samenhangende kenmerken = betekenisvol
Bijvoorbeeld:
– kleine figuren
– veel afstand
– wegkijken
– geen handen
Los? Toeval.
Samen? → consistent thema van terugtrekking of onveiligheid.
De betekenis komt pas tot leven in het gesprek
De tekening zegt niets zonder de maker.
Het echte werk zit hier:
“Wie is dit?”
“Waarom staat die daar?”
“Hoe voelt deze persoon zich?”
Vaak hoor je dan:
– “Zo voelde het vroeger”
– “Ik wist niet waarom ik hem daar zette, maar het klopt”
Dán is het geen toeval meer, maar resonantie.
Het onbewuste wil zichtbaar worden.
Niet omdat het iets wil “bewijzen”, maar omdat wat geen woorden heeft, een vorm zoekt.
Door te tekenen zie je dat heel letterlijk:
– wat niet gezegd mag worden → wordt weggelaten
– wat te spannend is → komt klein of op afstand
– wat veel ruimte inneemt vanbinnen → neemt ruimte in op papier
Niet gepland. Niet bedacht. Maar onvermijdelijk.
Het onbewuste werkt niet in zinnen, maar in:
– beelden
– verhoudingen
– richting
– beweging
– lichaamssignalen
En tekenen is daar een perfecte doorgang voor: de controle van taal valt weg, de hand mag praten.
Daarom voelt het ook vaak zo raak voor mensen: “Ik wist niet dat ik dit voelde, maar nu ik het zie…”
Dat moment is goud. Niet omdat de tekening “de waarheid” toont, maar omdat ze toegang geeft.
De tekenopdracht
Projectieve tekenopdrachten bieden toegang tot impliciete belevingen en relationele representaties die niet altijd direct verbaal beschikbaar zijn. De waarde van deze methodiek ligt niet in het trekken van conclusies op basis van afzonderlijke kenmerken, maar in het zichtbaar maken van patronen die in dialoog met de tekenaar onderzocht kunnen worden. Daarbij is het van belang te erkennen dat niet alles wat zich in een tekening aandient, reeds geïntegreerd of hanteerbaar is voor de tekenaar.
Het onbewuste functioneert in deze context primair regulerend en beschermend: het laat slechts datgene zien wat op dat moment voldoende veilig is om te verschijnen. Afwezigheid, vereenvoudiging of idealisering in tekeningen dienen dan ook niet te worden opgevat als weerstand of ontkenning, maar als uitingen van zelfbescherming en draagkracht. Het voortijdig benoemen of duiden van latente betekenissen kan leiden tot overbelasting of gevoelens van intrusie, en ondermijnt daarmee het therapeutisch proces.
Zorgvuldig werken met tekeningen vraagt daarom om terughoudendheid in interpretatie (!), het expliciet volgen van de betekenisgeving door de tekenaar en het respecteren van tempo en timing. Zichtbaarheid is geen doel op zich. In die zin fungeert de tekening niet als verklaring, maar als uitnodiging tot verder onderzoek, waarbij het verdragen van niet-weten een essentieel onderdeel vormt van professioneel handelen.