Tijdelijke en Eeuwige in Hooglied
Waar komt het voor?
1) Vergankelijkheid van schoonheid en jeugd
Er zijn verwijzingen naar de vergankelijke natuur van het leven, bijvoorbeeld het voorbijgaan van seizoenen:
– “De winter is voorbij, de regen is voorbij, hij is weggegaan” (2:11-12) — dit duidt op de tijdelijke aard van omstandigheden.
– Ook de nadruk op bloemen die bloeien en verwelken (zoals lelies en rozen) symboliseert vergankelijkheid.x
2) Liefde sterker dan de dood
Tegelijkertijd klinkt het thema van een liefde die alle grenzen overstijgt: “Liefde is sterk als de dood, jaloers als het graf” (8:6).
Hier wordt de liefde gepresenteerd als krachtig en eeuwig, voorbij het tijdelijke.
3) Symboliek van het zegel (8:6-7)
Het zegel op het hart en de arm symboliseert een verbond dat niet verbroken kan worden, een blijvende, eeuwige verbinding.
Wat is de diepere betekenis?
| Aspect | Betekenis |
|---|---|
| Tijdelijkheid | Het aardse leven met zijn vergankelijkheid en veranderlijkheid |
| Eeuwigheid | De onvergankelijke, diepe liefde die blijft bestaan na tijd en dood |
| Spanningsveld | Het besef dat het tijdelijke de ruimte schept voor het verlangen naar het eeuwige |
| Mystieke liefde | Liefde als brug tussen het tijdelijke hier en het eeuwige daar |
| Troost en hoop | De zekerheid dat ware liefde nooit verloren gaat |
Hooglied nodigt uit om te leven met bewustzijn van de vergankelijkheid van het leven, maar ook met hoop en vertrouwen op een liefde die tijd en dood overstijgt. Het benadrukt de kracht van liefde als iets heiligs, blijvends en eeuwigs.
Tijdelijk en eeuwig
Ik heb gezocht naar het woord voor eeuwig in het Hooglied, en ik vind het niet. Geen le’olam, voor altijd. Geen netsach, bestendigheid. Geen belofte dat iets nooit voorbijgaat. In een boek over liefde, waar je verwacht dat geliefden elkaar eeuwigheid beloven, zegt niemand: altijd. Het sterkste wat er gezegd wordt, is een vergelijking met de dood. Zo sterk als de dood is de liefde. De dood, die het tijdelijkste is wat er bestaat, wordt de maat van wat blijft.
Wat het boek wel veel heeft, is ad she. Tot. Tot de dag gaat ademen. Tot de schaduwen vluchten. Tot zij het wil. Tot ik haar gebracht had in het huis van mijn moeder. Elke keer een grens in de tijd. Het boek meet in tijdelijkheden. Er is steeds een moment waarop iets ophoudt of begint.
Salomo, aan wie dit boek wordt toegeschreven, zou ook Prediker hebben geschreven. Daar staat een vers dat ik naast het Hooglied wil leggen. Alles heeft Hij mooi gemaakt op zijn tijd. Yafeh, mooi, het woord dat de geliefden in het Hooglied steeds tegen elkaar zeggen: mooi, op zijn tijd. De schoonheid is aan een tijd gebonden. En dan: gam et ha’olam natan belibam. Ook de eeuwigheid heeft Hij in hun hart gelegd.
Olam betekent eeuwigheid, en het betekent wereld. En het komt van een wortel die verbergen betekent: ne’elam, verborgen. Wat Hij in het hart heeft gelegd, is dus ook het verborgene. De rabbijnen lazen het vers zo: God heeft de eeuwigheid in het hart van de mens gelegd, maar verborgen, zodat de mens niet kan doorgronden wat God doet van begin tot eind. De eeuwigheid is er, in het hart, maar je kunt er niet bij.
Nu begrijp ik waarom het Hooglied het woord niet gebruikt. De eeuwigheid wordt er niet genoemd, omdat ze niet in de woorden zit. Ze zit in het hart, verborgen. Zet mij als een zegel op je hart. Ik slaap, maar mijn hart is wakker. Het hart is de plek waar het verborgen eeuwige ligt, en het boek komt daar steeds bij uit zonder het te benoemen. Wie de eeuwigheid uitspreekt, haalt haar uit het verborgene en maakt er een belofte van. En beloften zijn tijdelijk.
De rabbijnen hadden een regel voor het lezen van de Tora: er is geen eerder en later in de Tora. De volgorde van de verhalen is niet de volgorde van de gebeurtenissen. Voor het Hooglied geldt dat nog sterker. Het boek is geen verhaal dat begint en eindigt. De kus komt in het eerste vers. De kamers van de koning in het vierde. De bruiloft in het midden. De gesloten deur daarna. Het wegzenden aan het eind, en het wegzenden ook al in hoofdstuk 2. Probeer er een chronologie van te maken, en het lukt niet. Alles lijkt tegelijk te gebeuren.
Ik denk dat dit de manier is waarop het Hooglied over eeuwigheid spreekt. Het heft de volgorde op. Een liefde die in het eerste vers al binnen is en in het laatste nog weggestuurd wordt, bestaat niet in een lijn van begin naar eind. Ze bestaat in een heden waarin alles tegelijk waar is: het verlangen en de vervulling, de gesloten deur en de open tuin, het vinden en het zoeken. Wie verliefd is, kent dat: de tijd valt uit elkaar, het verleden en de toekomst worden één moment.
Daar zit ook de pijn van het tijdelijke. De gazelle rent weg. De bloesem valt. De winter was voorbij, maar hij komt terug. Het boek ontkent dat niet. Het zet elk moment van schoonheid in een tijd die voorbijgaat. Ve’ito, op zijn tijd.
Wat eeuwig is in dit boek, is dus niets wat je kunt vasthouden. Het is het verborgene in het hart, en een heden waarin de volgorde wegvalt. De liefde is zo sterk als de dood, zegt het boek. Niet sterker. Ze houdt vast wat ze gegrepen heeft, zoals de dood dat doet. Maar ze belooft niet dat het tijdelijke eeuwig wordt. Ze belooft alleen dat het tijdelijke gedragen wordt door iets wat in het hart verborgen ligt. Meer beloven wil het boek niet, en ik zou niet weten waarom ik het meer zou laten zeggen.
