Toon ons (Filippus)
Over de man die iedereen naar het zien bracht en zelf om een demonstratie vroeg, de zin “dan is het ons genoeg”, en drie jaar naast iemand zitten
Ze zegt het na zevenentwintig jaar huwelijk, in mijn kamer, met hem ernaast. Laat me dan één keer zien dat je van me houdt.
En hij kijkt haar aan alsof ze hem heeft geslagen. Hij is er elke dag geweest. Hij heeft het huis gebouwd, de kinderen gedragen als ze ziek waren, hij is nooit weggegaan, hij heeft geen dag overgeslagen. En zij vraagt om een bewijs. Alsof zevenentwintig jaar er niet is geweest. Alsof wat hij is, niet telt, omdat het niet getoond is.
Ik zit ertussen en ik weet dat ze allebei gelijk hebben, en dat het niet helpt. Zij heeft het nooit gezien. Hij heeft het nooit anders gedaan dan het te zijn.
Johannes 14:8 is precies dat gesprek.
Filippus zei tot hem: Heer, toon ons de Vader, en het is ons genoeg.
Toon. En: dan is het genoeg.
Het is de laatste avond. De voeten zijn gewassen, Judas is de nacht in, Petrus heeft gehoord dat hij zal verloochenen. Jezus spreekt over weggaan en over de plaats die hij bereidt, en Thomas heeft net gevraagd hoe ze de weg kunnen weten. Het antwoord was: ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door mij. Als jullie mij gekend hadden, zouden jullie ook mijn Vader kennen; en van nu aan kennen jullie hem en hebben jullie hem gezien.
Gezien. En Filippus hoort dat woord, en zegt: toon.
Ik wil eerst weten wie dit vraagt, want dat maakt de vraag zwaarder.
Filippus is de enige leerling die Jezus zelf vindt. De volgende dag wilde hij naar Galilea gaan, en hij vond Filippus en zei tot hem: volg mij. Geen bemiddeling, geen broer die hem brengt. Rechtstreeks. En het eerste wat Filippus doet, is Nathanaël halen en hem de zin geven die dit hele evangelie draagt: kom en zie. Filippus is de man van kom en zie. Hij is de eerste die het zegt.
Later, bij het brood, is hij degene die Jezus op de proef stelt: waar zullen we broden kopen, zodat dezen kunnen eten? En Filippus rekent: voor tweehonderd denariën brood is niet genoeg dat ieder een klein stukje krijgt. Een som. Tweehonderd, en het is niet genoeg. Hij heeft het woord al eens gebruikt, arkei, genoeg, en het was toen ook niet genoeg.
En bij de Grieken is hij de tussenpersoon. Zij komen bij hem, hij gaat naar Andreas, samen gaan ze naar Jezus. De Griekse naam, de tweetalige streek, de man die verbindt. Filippus brengt mensen naar het zien. Nathanaël, de Grieken. Hij is de doorgeefluik.
En na drie jaar, op de laatste avond, blijkt de doorgeefluik zelf niet te hebben gezien. Toon ons de Vader. De man die iedereen kom en zie zei, vraagt om een demonstratie.
Ik ken hem. Ik ben hem geweest, en ik zie hem elke week. De verbinder, de brenger, degene die anderen naar de plek brengt waar het gebeurt, en die daar zelf altijd naast staat. De coach die iedereen in de kring zet en er zelf nooit in gaat. De moeder die haar kinderen naar hun vader brengt en hem zelf nooit aankijkt. Wie zijn leven besteedt aan het brengen van anderen, kan op een avond ontdekken dat hij nooit is aangekomen. En dan vraagt hij: toon het mij dan. Alsof het nog niet getoond is.
Toon. Laat zien. Het is het werkwoord van de demonstratie: iets exposeren, aanwijzen, voorleggen zodat het bekeken kan worden. Filippus wil de Vader als tentoonstelling. Een aanblik die het zoeken beëindigt. En daarvoor is arkei het woord: dan is het genoeg. Dan hoef ik niet meer. Dan zijn we klaar.
Er is één ander die in de Bijbel precies dit heeft gevraagd, met precies dit werkwoord. Mozes, Exodus 33: toon mij uw heerlijkheid. In de Griekse Bijbel: deixon moi tēn seautou doxan. Hetzelfde woord. En Mozes kreeg de rotsspleet, de hand ervoor, de rug. Filippus vraagt wat Mozes vroeg, en hij vraagt het aan iemand die drie jaar naast hem heeft gelopen.
Het antwoord is geen weigering. Het is verdriet, en het is persoonlijk, en het is het enige moment in dit evangelie waarop Jezus een leerling zo bij zijn naam roept:
Zo lange tijd ben ik bij jullie, en je hebt mij niet gekend, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Hoe kun jij zeggen: toon ons de Vader?
Zo lange tijd. Chronos, de tijd die verstrijkt, de dagen achter elkaar, de drie jaar. Filippus heeft de chronos gehad. Elke dag. En hij vraagt om een kairos, een moment waarop het getoond wordt, alsof de drie jaar niet de tonende tijd waren maar de wachtkamer ervoor.
En dan: wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Twee keer de voltooide tijd. Het is al gebeurd. Het zien van de Vader is niet iets wat nog moet komen; het is wat er gebeurde elke keer dat Filippus naar hem keek en dacht dat hij naar een man keek. Er is niets achter het gezicht. Het gezicht is het.
Daar zit het verlangen van Filippus, en het is het verlangen van de vrouw na zevenentwintig jaar, en het is een verlangen dat ik goed ken: ik wil wat erachter zit. Niet dit gezicht, niet deze man aan tafel, niet deze zevenentwintig jaar. De bron. Het eigenlijke. De Vader achter de zoon, de liefde achter de daden, het wezen achter de verschijning.
En dat is de fout die Johannes van meet af aan heeft bestreden, met zijn vlees en zijn tent en zijn egeneto. Er is geen achter. Wat je zoekt achter het gezicht, heeft zich in het gezicht gegeven. Wie de Vader wil zien achter Jezus, kijkt langs Jezus heen naar iets wat er niet is, terwijl wat hij zoekt hem aankijkt.
Dat is precies wat een kind doet dat zijn vader vraagt om te laten zien dat hij van hem houdt. De vader heeft het niet anders gedaan dan door er te zijn, door het werk, door het opstaan, door de drie jaar. Het kind ziet een man en zoekt de liefde erachter. En de vader zegt: zo lange tijd ben ik bij je. Wie mij gezien heeft, heeft het gezien.
Dat is wat ik de vrouw in mijn kamer niet kan uitleggen, en wat ik haar ook niet mag uitleggen, want het zou haar in het ongelijk stellen en dat is ze niet. Ze heeft het niet gezien. Dat is waar. En het is waar omdat ze keek naar wat erachter zat.
Hier zit iets systemisch. In een familie is de bron nooit te zien achter de ouders. Zij is alleen te zien in hen. Wie zijn vader wil overslaan om bij het leven zelf uit te komen, bij God, bij de oorsprong, bij wat “eigenlijk” van hem houdt, snijdt precies de stroom door waarlangs het komt. Het leven komt door dit gezicht. Door deze onvolmaakte man die nooit iets heeft getoond en er elke dag was. Wie hem ziet, ziet de bron. Wie langs hem heen kijkt naar de bron, ziet niets, en vraagt na dertig jaar: toon het me dan.
En het tweede: wie brengt, moet zelf ook aankomen. Filippus was de verbinder en had daarmee een plek in het systeem die niet de zijne was. Wie steeds naast de kring staat om anderen erin te helpen, neemt de plek van de helper, en die plek is nooit de plek waar je ziet. Het gezicht is er alleen voor wie ervoor gaat zitten.
Jezus laat het niet bij verdriet. Hij geeft Filippus, in de verzen erna, de enige toegang die er is, en het is niet een aanblik: geloof mij dat ik in de Vader ben en de Vader in mij; en zo niet, geloof dan om de werken zelf. De werken. Wat er gedaan is, drie jaar lang. Als je het gezicht niet kunt zien, kijk dan naar wat de handen deden. Dat is het bewijs, en het is geen demonstratie; het is de chronos zelf, achteraf bekeken.
En daarna zegt hij iets wat Filippus’ arkei voorgoed onderuithaalt: wie in mij gelooft, de werken die ik doe zal hij ook doen, en grotere dan deze. Het is nooit genoeg. Er is geen aanblik waarna je klaar bent. Wie ziet, gaat doen, en wat hij doet wordt gezien, en zo verder. Filippus wilde een einde. Hij krijgt een begin.
Filippus spreekt daarna niet meer in dit evangelie. Zijn laatste woorden zijn toon ons de Vader. Of hij het die avond gezien heeft, in het gezicht dat hem bij zijn naam noemde, staat er niet. Er staat alleen dat hij het drie jaar niet had gezien en dat het er drie jaar was.
Wat kun je hiermee.
Je kunt ophouden te vragen om een bewijs van wat er al is. Laat het me dan zien is een zin die alles wat er is geweest tot wachtkamer maakt. Als je haar zegt tegen iemand die er dertig jaar was, hoor hem antwoorden: zo lange tijd. Niet als verwijt. Als vraag: waar keek je naar, al die tijd?
Je kunt kijken naar het gezicht dat je hebt in plaats van erachter. Achter je vader zit geen betere vader. Achter je man zit geen liefde die hij achterhoudt. Wat je zoekt, heeft zich in dit gezicht gegeven, en het is het enige gezicht waarin het te zien is. Dat is geen nederige gedachte; het is topografie.
Als je de brenger bent: ga zelf zitten. Wie iedereen naar de kring brengt, moet op een dag ophouden met brengen en voor het gezicht gaan zitten. Anders vraag je op de laatste avond om een demonstratie van wat je drie jaar hebt zien gebeuren.
Je kunt naar de werken kijken als het gezicht niet lukt. Wat heeft hij gedaan. Niet gezegd, gedaan. Zevenentwintig jaar aan werken. Dat is niet de tweede keus; het is de chronos waar de bron in zat.
En je kunt ophouden met genoeg. Er is geen aanblik waarna het klaar is. Wie dat wil, wil een einde aan het zien. Wat je krijgt als je ziet, is meer te doen.
Centrale figuren in dit artikel:
Filippus,
Mozes met dezelfde vraag,
de vrouw na zevenentwintig jaar en de man ernaast
Bijbelgedeelten:
Johannes 14:5-14 (Thomas: hoe kunnen wij de weg weten; ik ben de weg; jullie hebben hem gezien; toon ons de Vader en het is ons genoeg; zo lange tijd; wie mij gezien heeft; geloof om de werken; grotere werken);
Johannes 1:43-46 (hij vond Filippus; Filippus vindt Nathanaël: kom en zie);
Johannes 6:5-7 (waar kopen we brood; tweehonderd denariën is niet genoeg);
Johannes 12:21-22 (de Grieken komen bij Filippus);
Exodus 33:18 (toon mij uw heerlijkheid, deixon)

