Wat is – psalm 8
Wat is de mens, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet? of
Wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt, (zie ook Job 7:17; Psalm 144:3; Hebreeën 2:6) en het mensenkind, dat U naar hem omziet?
(In Nederlandse vertalingen is dit vers 5, omdat het opschrift als vers 1 meetelt. In Engelse bijbels staat het als 8:4.)
Wie ‘Wat is de mens’ wil verstaan, moet een vers eerder beginnen. Vers 4 zegt: als ik uw hemel zie, het werk van uw vingers. Er staat niet handen, er staat vingers. Elders in de psalmen schept God met zijn hand of zijn arm, met kracht. Hier is de hemel met maan en sterren vingerwerk, iets wat je doet met het fijnste deel van de hand, zonder je arm te heffen.
In Egypte zien de tovenaars van Farao een plaag die ze niet kunnen nadoen, en ze zeggen: dit is de vinger van God (Exodus 8:15). De vinger is waar zij hun grens tegenkomen. In de woestijn schrijft dezelfde vinger de stenen tafels (Exodus 31:18). De vinger maakt het allergrootste, het nachtelijk heelal, en het allerdichtstbijzijnde, letters in steen die een mens kan lezen. Tussen die twee staat de dichter met zijn hoofd in de nek.
Opvallend is wat hij níet ziet. Hij noemt de maan en de sterren, geen zon. Het is nacht. Bij dag maakt het licht de mens groot: hij werkt, bouwt, heerst, en de hemel is een plafond. ’s Nachts gaat het plafond open en wordt de afstand zichtbaar. Pas dan kan de vraag opkomen. Ze komt niet uit nadenken, ze komt uit kijken.
Toch slaat de vraag niet om in kleinheid. De dichter zegt niet ‘ik ben niets’. Hij vraagt waarom de vinger die dit maakte, zich naar hem toe buigt. Het gewicht van het vers ligt niet in de mens en niet in de hemel, maar in het gebaar ertussen: dat er iets gedacht wordt aan iemand die zelf alleen maar een vraag kan stellen.
Bij dat gebaar begint het graven.
Het eerste woord is mah: wat. Vers 2 opent met Hoe machtig is uw naam. Vers 10 sluit met dezelfde woorden, op één bijzin na: dat God zijn majesteit op de hemelen heeft gelegd, keert aan het eind niet terug. Tussen die twee uitroepen staat een derde mah, en die is een vraag: wat is de mens? Hetzelfde woord dient voor verwondering over God en voor verbijstering over de mens. De mens staat ingeklemd tussen twee keer de Naam, en hij krijgt hetzelfde woordje toegewezen.
Mah telt in de gematria 45 (mem 40, he 5). Adam telt ook 45 (alef 1, dalet 4, mem 40). De vraag ‘wat’ en de naam ‘mens’ hebben dezelfde getalswaarde. De mens ís de vraag. De Zohar onderscheidt aan het begin twee vraagwoorden. Mi, wie, hoort bij de bovenwereld, die niet te kennen is. Mah, wat, hoort bij de onderwereld, die je kunt zien, aanwijzen en bevragen. Wie mah zegt, staat al in de zichtbare wereld. En toch klinkt in deze psalm hetzelfde mah ook over Gods naam. Het zichtbare is de plek waar de Naam heerlijk wordt, op heel de aarde. Niet in de hemel.
De letters zelf: mem is water, de schoot, het ongevormde. He is adem, de letter die God aan Abram en Sarai toevoegde om hen vruchtbaar te maken. Mah is water waarover adem gaat. Dat is het tweede vers van Genesis: de geest boven de wateren. Daar zit de mens nog op de drempel van zijn ontstaan.
Bij Mozes komt het woord terug. Hij zegt van zichzelf en Aäron: en wat zijn wij? (Exodus 16:7). De Talmud (Chullin 89a) leest dat als een grotere nederigheid dan die van Abraham, die zich ‘stof en as’ noemde. Abraham is nog iets, Mozes is alleen nog een vraag. En juist hij ontvangt de Thora.
Dan enosh. De psalm had adam kunnen zeggen, of ish. Het wordt enosh, van de stam die ziek zijn, ongeneeslijk zijn betekent. Jeremia noemt het hart anush, ongeneeslijk (17:9). Enosh is de mens in zijn breekbaarheid, de sterveling. Enosh is ook de naam van de kleinzoon van Adam, en bij zijn geboorte staat er: toen begon men de naam van de HEER aan te roepen (Genesis 4:26). De rabbijnen lezen het werkwoord huchal dubbel: begonnen, maar ook ontheiligd. Met Enosh begint het aanroepen van God én het verwarren van God met andere dingen. In één woord zitten de broosheid, het gebed en de afgoderij samen.
In de tweede helft van het vers staat ben-adam, mensenkind, zoon van de aardling. Adam komt van adamah, aarde, en in adam klinkt dam, bloed. Met dezelfde medeklinkers schrijf je ook edom, rood. Wie de letters uit elkaar haalt, ziet de alef, de Ene, die het bloed bewoont. Het woordpaar wijst omhoog en omlaag tegelijk. Enosh is wat ziek wordt, adam is waar de Ene in het bloed woont.
Dan de twee werkwoorden, en hier wordt het dieper dan ik verwachtte.
Zakhar, gedenken. Hetzelfde drieletterwoord betekent ook mannelijk, zachar. Gedenken is in het Hebreeuws geen geheugenwerk. Wanneer God gedenkt, verandert er iets in de werkelijkheid. Hij gedenkt Noach, en het water zakt (Genesis 8:1). Hij gedenkt Rachel, en haar schoot gaat open (30:22). Hij gedenkt Hanna, en Samuël wordt geboren. Gedenken is bevruchten. Het is de mannelijke beweging die iets in de tijd naar binnen brengt. De vorm tizkerennu draagt bovendien een extra nun voor het achtervoegsel, een nadrukkelijke vorm: dat U hém gedenkt, uitgerekend hem.
Paqad. De Statenvertaling zegt ‘bezoeken’, de NBV ‘omzien naar’. Het werkwoord betekent ook tellen, monsteren, aanstellen, en ook straffen. Het passief nifqad betekent: ontbreken, gemist worden. Paqad is opmerken wat er ontbreekt. Het eerste grote paqad in de Thora is dit: ‘De HEER bezocht Sara’ (Genesis 21:1), en de onvruchtbare wordt moeder. Het tweede is het wachtwoord van de bevrijding. Jozef zegt stervend paqod yifqod, God zal u zeker bezoeken (50:24). Eeuwen later spreekt Mozes in Egypte precies die woorden, en zo herkennen de oudsten hem als degene die gezonden is (Exodus 3:16).
Gedenken en bezoeken staan dus steeds bij een gesloten schoot en bij slavernij. Het zijn de werkwoorden waarmee God de doodlopende plek in de mens binnenkomt. De vraag ‘wat is de mens dat U hem gedenkt’ stelt dan iets anders dan ik eerst dacht. De vraag is niet waarom God het kleine opmerkt. De vraag is waarom God juist het broze, het onvruchtbare en het gevangene binnengaat om daar te verwekken.
Daar slaat vers 3 al op terug: uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt U een sterkte gegrondvest. De kracht wordt gelegd in wat nog niet spreken kan. Enosh staat in die lijn.

Job heeft dit vers gelezen en het omgekeerd. Wat is de mens dat U hem zo groot maakt, dat U hem elke morgen bezoekt en elk ogenblik beproeft? (Job 7:17-18). Hetzelfde paqad, maar nu als een kwelling: laat me met rust, kijk een moment van me weg. Psalm 144:3 kiest weer andere woorden: wat is de mens dat U hem kent, en direct daarna: de mens is als een zucht. Het vers is dus in de Schrift zelf al een vraag geweest waarop drie mensen drie antwoorden gaven: verwondering, verzet en vergankelijkheid. Ze staan naast elkaar in de canon en geen ervan wordt weggestreept.
Wanneer en waarom de psalm ontstond
Het opschrift luidt voor de koorleider, op de gittit, een psalm van David. Over gittit is men het oneens. Het kan een instrument of melodie uit Gath zijn, de Filistijnse stad waar David lang verbleef. Het kan ook komen van gat, de wijnpers. Dan is het een lied voor de druivenoogst, voor Soekot. De midrasj leest het zo en ziet daarin het oordeel over de volken. Allebei kan, en het laat zich niet beslissen.
Even een uitstapje naar de midrasj:
Het woord gittit komt van gat, de wijnpers. In de Schrift is de wijnpers bijna nooit alleen een oogstbeeld. Waar druiven worden getreden, wordt geoordeeld. Joël roept: sla de sikkel erin, treed, want de pers is vol (4:13). Klaagliederen zegt dat God de maagd Juda heeft getreden als in een pers (1:15). Het scherpst staat het in Jesaja 63. Iemand komt van Edom, uit Bosra, met rood geverfde kleren. Gevraagd waarom zijn kleding rood is, antwoordt hij: de pers heb ik alleen getreden.
Rasji brengt bij het opschrift van Psalm 8 eerst de eenvoudige betekenis: een instrument uit Gath. Daarna geeft hij de midrasj: dit gaat over Edom, dat in de toekomst getreden zal worden als in een pers, en hij citeert dat vers uit Jesaja. De rabbijnen konden die sprong maken omdat de psalm zelf vijanden noemt. Vers 3 eindigt met om de vijand en de wreker het zwijgen op te leggen. Het opschrift en dat vers worden samen gelezen: het lied van de pers is een lied over het einde van de onderdrukker.
Waarom Edom? In het rabbijnse denken staat Edom voor Rome, de macht die de tempel verwoestte en Israël verstrooide. Wie onder die macht leefde en deze psalm zong, legde in het opschrift de hoop dat de wereldmacht niet het laatste woord heeft.
Daaronder ligt nog iets, en dat raakt aan wat ik eerder opgroef. Edom is rood. Het deelt de letters met adam en met dam, bloed. Druivensap heet in de Thora: het bloed van de druiven (Genesis 49:11, Deuteronomium 32:14). In één opschrift komen zo de pers, het rode, het bloed en Edom samen. Even later vraagt de psalm wat adam is. De mens en zijn tegenpool zijn in het Hebreeuws op papier hetzelfde woord: dezelfde alef, dezelfde dalet, dezelfde mem. Alleen de klinkers beslissen. Dezelfde letters kunnen de mens worden die God gedenkt, of de macht die vertrapt wordt. De pers scheidt die twee niet van buitenaf. Hij perst uit hetzelfde rode materiaal óf wijn óf alleen nog afval.
Er is ook een tijdslaag. De wijnpers hoort bij het najaar, bij Soekot (het Loofhuttenfeest). Op dat feest werden in de tempel zeventig stieren geofferd, in rabbijnse lezing voor de zeventig volken (Soekka 55b). Zacharia 14 ziet de volken op Soekot naar Jeruzalem optrekken. Het oordeel over de volken en het verlangen naar hun terugkeer liggen in dezelfde week van het jaar. Of de midrasj bij gittit alleen het eerste bedoelde, of het tweede meedroeg, laat de tekst open.
Weer terug naar de psalm:
De traditie schrijft de psalm toe aan David, en het is een nachtpsalm: maan en sterren, geen zon. Het ligt voor de hand dat iemand hier onder de nachthemel staat, en het oude beeld van de herder in het veld past daarbij. Veel exegeten dateren de tekst later. Ze wijzen op de nauwe verwantschap met Genesis 1: heerschappij over vee, vogels en vissen, de mens net onder elohim. Die verwantschap zou wijzen op de tijd van of na de ballingschap, toen Israël zonder koning en zonder tempel opnieuw moest vragen wat een mens nog is. Zeker weten we het niet. Opvallend is wel dat het koninklijke vocabulaire (kroon, heerlijkheid, heerschappij) hier niet over een koning gaat, maar over ben-adam, ieder mensenkind. Als de psalm uit de ballingschap komt, is dat een democratisering van het koningschap op het moment dat de koning verdwenen was. Als hij van David is, dan legt een koning zijn eigen kroon op het hoofd van de sterveling.
Waar de Joden dit vers citeren
De sterkste plekken staan in de Talmud, en in beide is het vers een uitspraak van engelen. In Sanhedrin 38b, en ook in Bereshiet Rabba, raadpleegt God de dienende engelen voordat Hij de mens schept. Ze antwoorden: wat moet U met een mens? De eerste groepen die dat zeggen, worden verteerd. De mens wordt geschapen ondanks het vers.
In Sjabbat 88b–89a stijgt Mozes op om de Thora te ontvangen, en weer zeggen de engelen: wat doet een uit een vrouw geborene tussen ons? Wat is de mens dat U hem gedenkt? Ze citeren de psalm verder: U die uw majesteit op de hemelen hebt gelegd, de Thora hoort hier. God laat Mozes zelf antwoorden. Mozes vraagt: zijn jullie naar Egypte afgedaald? Hebben jullie ouders die je moet eren? Hebben jullie een kwade neiging? Jullie hebben niets aan deze geboden. De Thora gaat naar beneden, precies vanwege wat enosh is. Rasji leest het vers in zijn psalmcommentaar in die lijn.
In de liturgie staat het vers niet als vaste tekst in het dagelijkse gebed, maar het woordpaar zakhar en paqad draagt een groot deel van de feestdagen. Het komt daar uit Psalm 106:4: gedenk mij, bezoek mij. Rosj Hasjana (het Joodse nieuwjaarsfeest) heet Yom Hazikaron, de dag van gedenken (God overziet op deze dag de hele schepping en de daden van alle mensen), en de Talmud (Rosj Hasjana 11a) zegt dat Sara, Rachel en Hanna op Rosj Hasjana werden ‘bezocht’. Psalm 8 en het Nieuwjaarsgebed zijn niet aan elkaar ontleend, maar ze bidden met dezelfde twee werkwoorden. Op nieuwe maan en feestdagen bidt men: dat ons gedenken bezocht en herdacht wordt, en: gedenk ons, bezoek ons.
Wat open blijft: de engelen in de Talmud hebben gelijk. De mens is te broos, te ziek, te veel enosh voor de Thora en voor de kroon. Hun bezwaar wordt nergens weerlegd. God slaat het argument niet neer, Hij laat Mozes alleen zien dat het bezwaar precies de reden is. Het vers blijft dus een vraag, ook nadat het beantwoord lijkt. Mah en adam tellen allebei 45, en dat getal wordt niet opgelost.
Berijming Psalm 8: 4
Mijn God, wat is de mens dan op deez’ aarde!
De broze mens, hoe klimt hij tot die waarde,
Dat Gij aan hem in zoveel gunst gedenkt;
En ’s mensen zoon Uw teêrste liefde schenkt!

