Wat men verstond onder waarheid
De vraag lag er al. Voordat Pilatus haar stelde, voordat Johannes ook maar één woord had geschreven, lag de vraag er — in Athene, in Rome, in Jeruzalem, in de woestijn bij de Dode Zee. Wat is waarheid? Niet als schoolvraag. Als de vraag van een mens die in een wereld leeft waar de keizer god is, de tempel geld kost, de wet in duizend regels is uitgesplitst en iedere stroming beweert de enige te zijn die het ziet.
Wie in de eerste eeuw in Jeruzalem leefde, werd van vier kanten toegesproken door mensen die de waarheid hadden.
Rome had haar in de vorm van het recht en het zwaard. De priesters hadden haar in de vorm van de tempel. De Farizeeën hadden haar in de vorm van de uitgelegde wet. De mannen in de woestijn hadden haar in de vorm van de reine gemeenschap. En al die waarheden sloten elkaar uit.
De vraag die dat opriep, was niet filosofisch. Ze was existentieel.
Wat houdt stand als iedereen gelijk heeft?
Niet: welke bewering klopt. Maar: is er iets wat blijft staan als alle beweringen tegen elkaar in worden gezet? Is er een grond onder de gronden? Iets wat niet van mij is en niet van de keizer en niet van de priester — en waar ik toch op kan staan?
Om te horen wat Johannes met zijn woord doet, moet je eerst horen wat zijn lezers hoorden. En zij hoorden twee talen tegelijk.
Het Griekse woord: wat uit de verborgenheid komt
Alētheia.
Het woord is samengesteld. Het begint met een a-, het ontkennende voorvoegsel dat wij kennen uit atheïst, apathisch, anoniem — zonder. En dan lēthē: verborgenheid, vergetelheid, het onopgemerkte. Het werkwoord lanthanō betekent verborgen blijven, ontsnappen aan de aandacht, onopgemerkt voorbijgaan. Alētheia is dus, letter voor letter, het niet-verborgene. Wat niet ontsnapt aan de aandacht. Wat uit de schuilplaats is gekomen en in het licht staat.
Dat is een andere bouw dan ons woord waarheid. Waarheid is bij ons een eigenschap van een zin: een zin is waar als hij klopt. Alētheia is een toestand van de dingen zelf: iets is alēthes als het zich niet verbergt.
Bij Homerus is dat nog precies te horen. Wanneer Odysseus aan een bode vraagt hem alētheia te vertellen, vraagt hij niet om een kloppende bewering — hij vraagt om het hele verhaal, zonder dat er iets wordt achtergehouden. Alētheia is bij Homerus wat de spreker niet verzwijgt. Het tegendeel is niet de onwaarheid, maar het verzwijgen, het achterhouden, de halve mededeling die de rest in het donker laat.
En lēthē had een gezicht. De Lethe was de rivier van de onderwereld. Wie dood was, dronk ervan en vergat alles wat hij had geleefd. In de laatste bladzijden van Plato’s Staat — de mythe van Er — drinken de zielen van de Lethe voordat ze opnieuw geboren worden, en wie te gulzig drinkt, vergeet alles. Wie met mate drinkt, houdt iets over. Vergeten is in het Grieks geen ongeluk. Het is de toestand van de dood die in het leven doorloopt.
Daarom is alētheia bij Plato niet alleen onverborgenheid maar ook on-vergetelheid. Kennen is herinneren, anamnēsis — het terughalen van wat de ziel al wist voordat ze van de rivier dronk. Waarheid vinden is niet iets nieuws leren. Het is het gordijn wegtrekken voor wat er altijd al was.
Nog vóór Plato had Parmenides het beeld gegeven dat de hele Griekse filosofie zou dragen. In zijn leerdicht wordt een jonge man door een godin ontvangen, en zij zegt hem dat er twee wegen zijn: de weg van alētheia, van wat werkelijk is, en de weg van doxa, van wat mensen ervoor aanzien. Waarheid en schijn zijn twee wegen — niet twee beweringen. Wie Johannes leest, hoort dat terug in de zin waar de weg en de waarheid in één adem worden genoemd.
Pas bij Aristoteles wordt alētheia wat wij eronder verstaan. In de Metafysica geeft hij de definitie die tweeduizend jaar zou blijven staan: waar spreken is zeggen van wat is, dat het is, en van wat niet is, dat het niet is. Waarheid als overeenstemming tussen de zin en de zaak. Daar begint de waarheid van de rechtbank en van de wetenschap. Het is een goede definitie. Maar er is iets in verdwenen — de beweging van het tevoorschijn komen, het gordijn, de rivier.
Een filoloog zal er terecht bij zeggen dat een Griek uit de eerste eeuw bij alētheia niet elke keer aan de Lethe dacht, zomin als wij bij waarheid aan de etymologie denken. In het gewone spraakgebruik betekende alētheia gewoon: de waarheid, tegenover pseudos, de leugen. Maar het woord droeg zijn bouw mee, en juist dat gebruikt Johannes. Bij hem heeft alētheia twee tegenover-woorden. Het ene is pseudos: de duivel is pseustēs, leugenaar, en in hem is geen waarheid. Het andere is de verborgenheid zelf: wie het kwade doet, komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet zichtbaar worden. Johannes gebruikt het woord in allebei de betekenissen tegelijk, en dat kan alleen omdat ze in het Grieks één woord zijn.
Er is nog één plaats waar de Grieken alētheia niet bespraken maar opvoerden. Het theater.
In de Poëtica beschrijft Aristoteles wat een tragedie tot tragedie maakt, en hij noemt als kern de anagnōrisis — de herkenning. Het moment waarop een personage overgaat van niet-weten naar weten, waarop zichtbaar wordt wat de hele tijd al waar was. Oedipus die ontdekt wie hij is. Het beste stuk, zegt Aristoteles, is het stuk waarin de herkenning en de omslag van het lot samenvallen: het moment dat je ziet, is het moment dat alles kantelt.
Wie Johannes met dit woord in de hand leest, ziet hoe zijn scènes zijn gebouwd. Nicodemus die niet tot herkenning komt. De blindgeborene die het wél doet. Maria bij het graf die één woord hoort — haar naam — en omslaat. Thomas. Het vierde evangelie is een aaneenschakeling van herkenningsscènes, en de vraag in elke scène is dezelfde als in het Griekse theater: komt de mens die kijkt, tot anagnōrisis? Ziet hij wat er al die tijd voor hem stond?
Dat is wat de Griekse lezer meebracht. Waarheid als wat uit de verborgenheid komt. Als wat niet vergeten is. Als de weg tegenover de schijn. En als het moment in het theater waarop iemand eindelijk ziet.
Het Hebreeuwse woord: wat draagt
Emet.
Drie letters: alef, mem, tav. En die drie letters zijn niet willekeurig. Alef is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tav is de laatste. Mem is de middelste. Het woord voor waarheid bestaat uit het begin, het midden en het einde van de hele taal.
De rabbijnen hebben dat opgemerkt en er iets uit gelezen wat verder gaat dan een aardigheid. In de Talmoed — traktaat Sjabbat, waar de vorm van de letters wordt uitgelegd — staat de vergelijking met het woord voor leugen. Sjeker: sjin, kof, resj. Drie letters die vlak bij elkaar staan, achterin het alfabet, naast elkaar. Waarom, vraagt de Talmoed, staan de letters van de leugen zo dicht opeen en die van de waarheid zo ver uit elkaar? Omdat de leugen overal voorhanden is en de waarheid zeldzaam. Je hoeft voor een leugen niet ver te reiken. Voor de waarheid moet je het hele alfabet door.
En dan de tweede waarneming, over de vorm van de letters zelf. De letters van emet staan alle drie op een brede basis: de alef op twee poten, de mem op een vlakke voet, de tav op twee benen. De letters van sjeker balanceren: de sjin op een punt, de resj op één been, de kof met een poot die onder de regel hangt. Waarheid staat, zegt de Talmoed. Leugen wankelt. In het spreekwoord is het korter geworden: sjeker ein lo raglajim — een leugen heeft geen benen.
Dat is geen moraal. Het is een waarneming over hoe iets is gebouwd. Wat waar is, heeft breedte, van begin tot einde, en staat daardoor. Wat gelogen is, heeft geen grondvlak — niet omdat het slecht is, maar omdat het alleen het stukje beslaat dat het nodig heeft.
Nog eens de Talmoed, in hetzelfde traktaat: het zegel van de Heilige, gezegend zij Hij, is emet. Het zegel — wat een koning onder een brief drukt om te zeggen: dit is van mij, dit staat. De waarheid is niet wat God zegt. Het is waarmee Hij bekrachtigt wat Hij zegt.
Maar de diepste laag zit in de wortel. Emet komt van aman. En aman betekent: vast zijn, dragen, houden. Het is het woord voor de voedster die een kind op de arm draagt — Mozes klaagt bij God dat hij het volk moet dragen als een omen, een voedster, een zuigeling aan de borst. Het is het woord voor Mordechai die Esther grootbrengt: hij was haar omen, haar drager. Het is het woord voor de deurposten die het huis dragen. En het is het woord amen: zo staat het, daar kun je op bouwen.
Uit dezelfde wortel komt emoena, het woord dat wij met geloof vertalen. Maar emoena is geen mening over iets. Het is vertrouwen: het gewicht van je leven ergens op leggen. Jesaja maakt er een woordspeling van die in vertaling verloren gaat: im lo ta’aminoe, ki lo te’amenoe — als jullie niet vertrouwen, zullen jullie niet standhouden. Geloven en standhouden zijn hetzelfde woord in twee vormen. Wie niet leunt, staat niet.
Hier zit het verschil met het Griekse woord, en het is een verschil dat Johannes nodig heeft. In het Grieks is waarheid wat je ziet als het gordijn weg is. In het Hebreeuws is waarheid wat je draagt als je erop gaat staan. De Griek wil zien. De Jood wil weten of het houdt.
En dan is er een woordpaar dat elke Jood uit zijn hoofd kende, omdat het thuishoort in het hart van de Thora. Als Mozes op de Sinaï vraagt of hij God mag zien, gaat God aan hem voorbij en roept zijn eigen naam uit: barmhartig en genadig, lankmoedig, rav chesed ve-emet — groot van goedheid en waarheid. Chesed ve-emet. Goedheid en trouw. Het paar komt tientallen keren terug in de psalmen. In psalm 85 ontmoeten ze elkaar: chesed ve-emet nifgasjoe — goedheid en waarheid hebben elkaar ontmoet, gerechtigheid en vrede hebben elkaar gekust.
Johannes schrijft in zijn proloog dat het vleesgeworden Woord vol van genade en waarheid is — plērēs charitos kai alētheias. Dat is geen Griekse formule. Dat is chesed ve-emet, in het Grieks. Wie Hebreeuws dacht, hoorde in de veertiende regel van dit evangelie de Sinaï, de rug van God die voorbijgaat, de naam die wordt uitgeroepen. Johannes zegt niet: dit Woord is waar. Hij zegt: in dit Woord gaat voorbij wat op de Sinaï aan Mozes voorbijging.
En psalm 85 gaat nog verder, en de midrasj heeft daar een verhaal bij gemaakt dat je niet meer kwijtraakt als je het eenmaal kent. Emet me-erets titsmach — waarheid ontspruit uit de aarde. De rabbijnen vroegen zich af hoe waarheid in de aarde kwam, en vertelden dit: toen God de mens wilde scheppen, verdeelden de engelen zich in kampen. Goedheid zei: schep hem, want hij zal goedheid doen. Waarheid zei: schep hem niet, want hij zal vol leugen zijn. Gerechtigheid zei: schep hem. Vrede zei: schep hem niet, want hij zal vol twist zijn. Wat deed God? Hij nam de Waarheid en wierp haar naar de aarde. En de engelen zeiden: Heer van de wereld, waarom vernedert u het zegel van uw eigen troon? En God zei: laat de waarheid uit de aarde opspringen.
De waarheid moest naar beneden, naar de aarde, opdat de mens geschapen kon worden. Zolang zij boven bleef, in de raad van de engelen, was de mens onmogelijk. Wie met dit verhaal in het hoofd de proloog van Johannes leest — het Woord is vlees geworden — hoort iets wat de midrasj al eeuwen eerder had gezegd. De waarheid die niet naar beneden komt, maakt het leven onmogelijk. De waarheid die neerdaalt, springt op uit de aarde.

De alef
Er is nog een laag, en die wordt in de joodse mystiek bewaard.
Haal de eerste letter van emet weg. Er blijft mem, tav over: met — dood. Waarheid zonder haar begin is een lijk. Alles wat overblijft klopt nog — de middelste letter, de laatste letter, het midden en het einde staan er nog — en het leeft niet.
De alef is in de mystiek geen gewone letter. Ze heeft geen klank. Ze is de adem voor het spreken, de opening van de mond voordat er geluid komt. Ze is het Ene dat nog geen twee is geworden. De Thora begint niet met een alef maar met een bet — Bereshit, in den beginne — en de rabbijnen hebben zich afgevraagd waarom. De bet is gesloten aan drie kanten en open naar voren: je mag niet vragen wat erboven, eronder of erachter is. De alef staat vóór de bet. Vóór de schepping. Zij is het begin waar Genesis niet over spreekt.
En hier doet Johannes iets wat geen andere evangelist doet. Hij begint niet bij de bet. In den beginne was het Woord — hij reikt achter het eerste woord van de Thora terug naar wat er was voordat er iets was. Hij begint bij de alef. En hij zegt dat die alef in de klei is gegaan.
De legende van de golem vertelt hetzelfde als verhaal. Op het voorhoofd van de mens van klei staat emet geschreven, en daardoor beweegt hij. Wis de alef uit, en er staat met — hij valt terug in de aarde waar hij van gemaakt is. Wat de klei tot leven brengt, is niet de klei en niet het woord. Het is de eerste letter: het begin dat het woord in zich draagt.
De getallen zeggen het nog eens, op hun eigen manier. Alef is 1, mem is 40, tav is 400. Emet is 441. En 441 is 21 maal 21. Eenentwintig is de getalswaarde van Ehjeh — Ik zal zijn, de naam die God bij het brandende braambos aan Mozes geeft, Ehjeh asjer Ehjeh. Waarheid is de naam Ik ben in het kwadraat. Wie Johannes leest, hoort die naam zeven keer terugkomen: egō eimi, ik ben — het brood, het licht, de deur, de herder, de opstanding, de weg, de wijnstok.

En één keer, in de nacht voor zijn dood, tegen Thomas: Ik ben de waarheid.
Ik kan niet bewijzen dat Johannes dit alles heeft geweten. Ik kan wel zien dat zijn tekst er op elke plek mee klopt — en dat is bij een schrijver uit Jeruzalem, opgegroeid met de letters, geen klein ding.

De stromingen en hun waarheid
Elke stroming in het Israël van de eerste eeuw had haar eigen antwoord op de vraag wat standhoudt.
De Farizeeën hadden de wet. Maleachi noemt haar Torat emet — de Thora van de waarheid — en voor de Farizeeën was dat letterlijk: waarheid is wat geschreven staat, uitgelegd, toegepast, doorgegeven van leraar op leerling. Een waarheid die je kunt leren en die je kunt houden. Betrouwbaar, controleerbaar, overdraagbaar. En met de prijs van elke geleerde waarheid: dat ze niet meer kan zien wat niet in de leer staat. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet vanwaar hij is.
De priesters hadden de tempel. Waarheid als wat in het heiligdom gebeurt, op het altaar, volgens de orde. Op het borstschild van de hogepriester lagen de Oerim en Toemmim — de lichten en de volkomenheden — waarmee God werd geraadpleegd; en de Toemmim delen hun wortel met tam, gaaf, volkomen. Waarheid was hier wat volledig is en zonder gebrek. Kajafas is hogepriester als hij de waarheid berekent: het is beter dat één mens sterft. De berekening klopt. Ze is alleen niet waar.
De mannen van Qumran hadden de reine gemeenschap, en zij hadden een taal die verbluffend dicht bij die van Johannes ligt. In hun Gemeenschapsregel staat dat God twee geesten in de mens heeft gelegd: de geest van de waarheid en de geest van het bedrog, roeach ha-emet en roeach ha-avel. De mensen van het licht wandelen in de geest van de waarheid; de mensen van de duisternis in de geest van het bedrog. Zonen van de waarheid noemden zij zichzelf. Wie Johannes hoort spreken over de Geest der waarheid die de wereld niet kan ontvangen, hoort de woestijn meeklinken. Maar er is één verschil, en het is het hele verschil. In Qumran was de waarheid voor wie binnen de muren stond. Bij Johannes wordt zij vlees en gaat zij naar buiten — naar een Samaritaanse vrouw, naar een blindgeborene, naar Grieken op het feest.
De Zeloten hadden de daad. Waarheid als wat je met je leven bezegelt. En ook dat woord — bezegelen, getuigen, martyria — komt bij Johannes terug, maar omgekeerd. De Zeloot getuigt met het zwaard. De getuige bij Johannes getuigt met wat hij heeft gezien, en zet daar zijn leven op in zonder er een leven voor te nemen.
En Rome had het recht. Veritas was in de eerste plaats een woord van de rechtbank: wat in het proces is vastgesteld. Het Latijnse verus is verwant aan ons woord waar, en beide gaan terug op een oude wortel die betrouwbaar betekent, iets waar je van op aan kunt. Pilatus vraagt wat is waarheid als rechter, in een proces, aan een beklaagde, en hij vraagt het in de vorm die het recht kent: welk feit is vastgesteld. Het is de vraag van Aristoteles’ definitie. En Johannes laat hem wegwandelen voordat het antwoord komt — omdat het antwoord niet in die vorm bestaat. De waarheid stond voor hem. Hij vroeg naar een feit.
Vier waarheden, en Rome erbij, en ze sluiten elkaar uit. Wie in Jeruzalem leefde, moest kiezen aan welke hij zich vasthield. En dan schrijft een Judeeër een boek waarin de waarheid geen leer is en geen tempel en geen gemeenschap en geen daad en geen vonnis — maar een mens die je kunt aankijken.

Maar waarom?
Maar waarom doet het er toe?
Niet als vraag naar een juiste definitie. Als de vraag die een mens stelt die merkt dat hij leeft in een verhaal dat niet klopt — over zijn huwelijk, over zijn vader, over wie hij zelf is — en die niet weet hoe hij eruit moet komen, omdat het verhaal het enige is wat hij heeft.
De Griekse bouw van het woord geeft het eerste antwoord. Wat niet waar is, is niet in de eerste plaats gelogen. Het is lēthē: vergeten, verborgen, uit het zicht gehouden. De dieptepsychologie heeft daar een eeuw geleden een naam voor gevonden — het verdrongene, de schaduw — maar de Grieken hadden het beeld al: een rivier waar je van drinkt en waarna je niet meer weet wie je was. De mens die in een onwaar verhaal leeft, liegt meestal niet. Hij heeft gedronken. Hij is vergeten wat hij wist voordat het verhaal begon. En de weg terug is geen argument. Het is anamnēsis — herinnering. Het gordijn dat wegvalt voor wat er altijd al was.
Het lichaam drinkt niet mee. Dat is wat elke therapeut weet en wat de Grieken in hun woord hadden zitten: wat de geest vergeet, houdt het lichaam vast. De schouders die niet zakken. De adem die niet doorloopt. Het lichaam is alēthes — het verbergt niet, het kan niet verbergen. Wie wil weten wat waar is, kan bij het lichaam beginnen; daar is de Lethe nooit doorgedrongen.
De Hebreeuwse bouw geeft het tweede antwoord. Waarheid is wat draagt. En dat is precies wat een mens in een onwaar verhaal mist: grond. Hij kan alles verklaren en niets houdt hem. Zijn verhaal is sjeker — het heeft geen benen, het balanceert op de punt die het nodig heeft, en hij is de hele dag bezig het overeind te houden. Wie eenmaal weet hoe een leugen is gebouwd — smal, opeengepakt, zonder voet — herkent haar aan de vermoeidheid. Waarheid kost geen kracht om overeind te houden. Ze staat.
En dan de systemische laag, die de twee vorige veronderstelt. In elk systeem — een familie, een huwelijk, een bedrijf — is er iets wat niet gezegd mag worden. Een kind dat niet genoemd wordt. Een schuld die niet erkend wordt. Een vader die er niet was. Dat is de lēthē van het systeem: niet de leugen, maar het verzwegene. En de wet die daar geldt, is dezelfde als die van de Talmoed over de letters: wat is uitgesloten uit het verhaal, heeft geen voet en zoekt er een — bij een kleinkind, in een ziekte, in een herhaling die niemand begrijpt. Erkennen wat er is, is de tweede systemische wet, en het is het Hebreeuwse woord voor waarheid in een andere taal. Niet: het juiste zeggen. Maar: het laten staan wat er is, van begin tot einde, zodat het niet hoeft te wankelen.
Wie uit de waarheid is, hoort mijn stem, zegt de beklaagde tegen de rechter. Hij zegt niet: wie de waarheid kent. Hij zegt: wie eruit voortkomt. Waarheid is bij Johannes een afkomst, een grond waaruit je bent, geen bezit. Wie erbij hoort, herkent de stem. Wie er niet bij hoort, hoort een feit en loopt weg.
Christelijke mystici over de waarheid
De mystici hebben eeuwenlang niet gevraagd wat waarheid is. Ze hebben gevraagd waar ze woont.
Augustinus gaf het antwoord dat de hele westerse mystiek zou dragen: ga niet naar buiten, keer in jezelf; in de innerlijke mens woont de waarheid. Niet als gedachte. Als bewoner. En hij ging verder: God is niet de bezitter van de waarheid, God is de waarheid, en wie de waarheid ziet, ziet God. Voor Augustinus was dat geen beeldspraak. Het was de reden dat het ongelukkige zoeken van zijn eerste dertig jaar geen kwestie van foute meningen was geweest, maar van de verkeerde plek: hij had buiten gezocht wat binnen woonde.
Teresa van Ávila trekt de lijn de andere kant op, naar beneden, naar de grond. In het zesde verblijf van de Innerlijke Burcht schrijft ze dat zij lang niet begreep waarom nederigheid zo hoog werd aangeslagen — totdat ze zag dat nederigheid wandelen in de waarheid is. Andar en verdad. Niet klein van jezelf denken; dat is ook een verhaal. Maar zien wat er is, zonder toevoeging en zonder aftrek. De grootste nederigheid is voor Teresa de meest precieze waarneming. Wie de waarheid over zichzelf verdraagt, hoeft niets meer overeind te houden.
Meester Eckhart graaft het diepst, en hij graaft precies op de plek van de alef. In de ziel, zegt hij, is een vonk, een grond, iets wat hij het liefst niet benoemt omdat elke naam er al te veel aan toevoegt. Daar spreekt God zijn Woord — niet in het verleden, niet ooit, maar nu, in een eeuwig heden. Eckhart zegt dat de geboorte van het Woord in de ziel de enige waarheid is die telt, en dat alles wat de mens over God weet, daarvoor moet wijken. Ik bid God dat hij mij van God bevrijdt. Het is de alef voor de bet: het begin dat vóór alle spreken ligt en dat elke gesproken waarheid tot met maakt zodra zij zich voor het begin zelf houdt.
En dan Johannes van het Kruis, die de weg naar die grond beschrijft als een nacht. Niet als straf. Als de enige manier waarop het verhaal kan ophouden: door het licht weg te nemen waarin het verhaal zichzelf kon lezen. In de donkere nacht verliest de ziel eerst haar troost en dan haar begrip, en wat overblijft als beide weg zijn, noemt hij de waarheid — niet omdat zij nu bewezen is, maar omdat zij het enige is wat er nog staat.
Vier mystici. Vier richtingen: naar binnen, naar beneden, naar het begin, door de nacht. En onder alle vier hetzelfde wat de Grieken en de Joden al in hun woorden hadden zitten. Waarheid is wat overblijft als het verhaal is weggevallen. Wat niet meer verborgen is, omdat er niets meer is om het achter te verbergen. Wat draagt, omdat het het enige is wat nog staat.
Alētheia. Emet.
Twee woorden. Twee talen. Het ene zegt: wat uit de schuilplaats komt. Het andere zegt: wat houdt als je erop leunt. Johannes heeft ze in één zin gezet — genade en waarheid — en daarmee gezegd dat het niet twee dingen zijn. Wat tevoorschijn komt, draagt. Wat draagt, hoeft zich niet te verbergen.
En dan blijft de vraag die de midrasj openliet. Waarom moest de waarheid naar beneden, naar de aarde, voordat de mens kon bestaan? Waarom kon zij boven, in de raad van de engelen, niet blijven waar zij was?
Misschien omdat een waarheid die niet neerdaalt, alleen kan oordelen. En een waarheid die in de klei is gegaan, kan worden aangekeken.
Bijbelgedeelten:
Exodus 34:6 (chesed ve-emet);
Psalm 85:11-12 (waarheid ontspruit uit de aarde);
Jesaja 7:9 (geloven en standhouden);
Maleachi 2:6 (Torat emet);
Johannes 1:14 (vol van genade en waarheid);
Johannes 3:19-21 (het licht en de verborgen werken);
Johannes 8:44-46 (de leugenaar);
Johannes 18:37-38 (wat is waarheid)
Bronnen buiten de Bijbel:
Homerus, Odyssee;
Parmenides, fragment 1-2; Plato, Staat X (mythe van Er);
Aristoteles, Metafysica IV en Poëtica 11;
Talmoed, Sjabbat 55a en 104a;
Bereshit Rabba 8:5;
Gemeenschapsregel van Qumran (1QS) III-IV;
Augustinus, De vera religione 39;
Teresa van Ávila, Innerlijke Burcht VI,10;
Eckhart, preken over de geboorte van het Woord;
Johannes van het Kruis, Donkere nacht

