Wie zich bindt, wordt verlaten
Verlatingsangst en bindingsangst bij de alleengeboren tweeling.
In de meeste levens zijn binding en verlating twee verschillende ervaringen, en liggen er jaren tussen. Een kind hecht zich eerst, maandenlang, aan een moeder die er is. Pas veel later, en in kleine porties, leert het dat mensen ook weg kunnen gaan. De volgorde doet ertoe: tegen de tijd dat het verlies komt, is er al een bodem.
Bij de alleengeboren tweeling vallen die twee samen in één gebeurtenis, en ze vallen samen vóórdat er een bodem is. De nauwste binding die een mens kan kennen, zonder huid ertussen, zonder afstand, zonder één moment van onderbreking, eindigde in de meest volledige verlating die bestaat. Het lichaam heeft daar geen twee dingen van onthouden. Het heeft één ding onthouden: zo loopt binding af.
Wat later verlatingsangst en bindingsangst heet, zijn twee antwoorden op die ene les. Het eerste antwoord: houd vast, want anders gebeurt het weer. Het tweede: begin er niet aan, want dan gebeurt het weer.
Een angst die een herinnering is
Gewone verlatingsangst kijkt vooruit. Iemand is bang dat de ander ooit zal gaan, en die angst laat zich voeden of sussen door wat de ander doet. De verlatingsangst van de alleengeboren tweeling kijkt achterom. Het lichaam vreest iets wat al gebeurd is en wacht op de herhaling.
Dat verklaart waarom geruststelling zo weinig uithaalt. “Ik ga niet bij je weg” is een belofte over een voornemen, en de eerste ander had ook geen voornemen om te gaan. Het verklaart ook de heftigheid bij kleine aanleidingen. Een partner die een avond stil is, een bericht dat uren onbeantwoord blijft, een vriendin die afzegt: het zenuwstelsel reageert erop als op een sterven, omdat de enige verlating die het van binnenuit kent er een was. Deze mensen weten heel goed dat hun reactie buiten proportie is, en ze schamen zich ervoor. De proportie klopt wel, alleen hoort ze bij een andere gebeurtenis.
Drie redenen om weg te blijven
De gangbare uitleg van bindingsangst is de angst om opgeslokt te worden, ontstaan bij een ouder die te dichtbij kwam. Bij de alleengeboren tweeling liggen er drie lagen onder, en de gangbare is de bovenste.
De eerste: in nabijheid raak ik mezelf kwijt. Een lichaam dat geen grens heeft leren trekken tussen wat van mij is en wat van jou, loopt vol zodra er iemand dichtbij komt. Afstand is dan de enige manier om iemand te blijven.
De tweede ligt dieper: hoe sterker de band, hoe groter het verlies dat eraan komt. Wie zich niet hecht, kan niet nog eens achterblijven. Bindingsangst is hier verlatingsangst die één zet vooruit heeft gedacht.
De derde hoor ik zelden benoemd. Wie meedraagt dat zijn bestaan de ander iets heeft gekost, houdt afstand om de ander te beschermen. Dichtbij mij is geen veilige plek voor jou. Van buiten ziet het eruit als onverschilligheid of onvermogen. Van binnen is het een vorm van zorg, en vaak de enige waarin deze mens zich werkelijk gul voelt: ik gun je iemand die beter voor je is dan ik.
Versmelten en ontwijken doen hetzelfde werk
Het ligt voor de hand de twee typen over de twee angsten te verdelen: wie nooit alleen kan zijn heeft verlatingsangst, wie graag alleen is heeft bindingsangst. Aan de oppervlakte klopt dat. Eronder dragen ze allebei beide.
Wie niet alleen kan zijn, versmelt. Hij neemt tempo, stemming en wensen van de ander over tot er van twee mensen één veld over is. Dat voelt als de diepste binding die er bestaat, en toch ontbreekt er iets wezenlijks aan. Binden veronderstelt een ander: iemand die los van mij staat, die iets anders wil, die weg zou kunnen gaan en blijft. Wie versmelt, heft juist die ander op. Hij is gehecht aan wat de ander voor hem doet, aan het ritme dat hij levert, en ontloopt zo de ontmoeting met iemand die werkelijk een ander is. Zijn bindingsangst zit verstopt in zijn vasthouden. Ze is ook terug te zien in op wie hij valt: opvallend vaak iemand die niet helemaal beschikbaar is, zodat de binding waar hij zo naar verlangt nooit echt begint.
Wie graag alleen is, lijkt ongebonden. Zijn verlatingsangst zit in de voorzorg: hij vertrekt telkens net voordat het ertoe gaat doen. En ongebonden is hij allerminst.
De plaats is bezet
Beide typen zijn namelijk al gebonden. De eerste band is nooit beëindigd. Er was geen afscheid, geen lichaam, geen naam, niemand die wist dat er iets te betreuren viel. Een band die niet is afgesloten, blijft van kracht, en de plaats naast deze mens blijft bezet door iemand die er niet meer is.
Daarmee wordt elke nieuwe liefde een van twee dingen. Voor wie niet alleen kan zijn, is de partner een vervanger. Hij moet zijn wat de tweeling was: altijd aanwezig, woordeloos afgestemd, zonder eigen richting. Geen mens kan dat, en de teleurstelling die volgt, bevestigt de oude les. Voor wie graag alleen is, is de partner een indringer. Wie te dichtbij komt, gaat op een plaats zitten die van een ander is, en iets in hem blijft die ander trouw. Wat bindingsangst heet, is dan trouw aan een dode. Hij kan zich aan niemand geven omdat hij al vergeven is.
Dit maakt ook begrijpelijk waarom deze twee elkaar zo vaak vinden. De een jaagt, de ander wijkt, en hoe harder de een jaagt, hoe verder de ander wijkt. Elk draagt voor het paar de helft die de ander bij zichzelf niet kan verdragen: de een al het verlangen, de ander alle voorzorg. Samen spelen ze de oorspronkelijke scène na, eindeloos, zonder dat ze ooit afloopt.
Weggaan en terugkomen
Een gewoon kind leert in duizend kleine herhalingen dat weggaan en ophouden te bestaan twee verschillende dingen zijn. Moeder loopt de kamer uit en komt terug. Het gezicht verdwijnt achter de handen en is er weer. Op die herhaling rust later het vermogen om iemand te laten gaan zonder hem kwijt te zijn.
De eerste verlating van de alleengeboren tweeling kende geen terugkomst. Wat het lichaam over weggaan weet, is dat het voorgoed is. Wat daaraan iets toevoegt, zijn inzichten noch beloften, wel ervaringen in dezelfde taal: iemand die gaat en terugkomt, en weer, en weer, tot het lichaam er voorzichtig rekening mee gaat houden. En voor wie wegblijft: zelf weggaan en merken dat de ander er bij terugkeer nog is, onbeschadigd.
Daaronder ligt het afscheid dat nooit heeft plaatsgevonden. Zolang de eerste band niet is beëindigd, blijft elke volgende een vervanging of een verraad.
En dan blijft er iets staan wat zich niet laat oplossen. De les die dit lichaam zo vroeg heeft geleerd, is waar. Elke binding eindigt in een verlating: een van de twee gaat eerst. Andere mensen weten dat met hun hoofd en leven eromheen. De alleengeboren tweeling weet het met zijn lichaam, vanaf het begin, en kan er niet omheen. Zijn angst berust op een waarheid die te vroeg kwam. Of iemand zich kan binden met die kennis in zijn lijf, zonder haar eerst te moeten vergeten, weet ik niet.

