Willen zien (de Grieken)
Over een beleefd verzoek dat via twee tussenpersonen loopt, een antwoord dat aan niemand gericht is, en een graankorrel
Ze mailt of ze een keer mag komen kijken. Niet zelf meedoen, dat nog niet. Ze heeft erover gelezen, ze is er nieuwsgierig naar, ze zou graag een opstelling willen zien om te weten of het iets voor haar is. Ze schrijft het vriendelijk, met u. Ze noemt iemand die mij kent en die haar heeft doorverwezen.
Ik heb die mail vaak gekregen, en ik heb lang gedacht dat het onaardig was om nee te zeggen. Tot ik begreep dat het niet om ja of nee gaat. Wie wil komen kijken, vraagt iets wat niet bestaat. Er valt niets te zien voor wie niet in de kring gaat staan. Wat er gebeurt, gebeurt met wie erin staat, en wie ernaar kijkt, ziet stoelen en mensen die staan.
Johannes 12 heeft een groep die precies dit vraagt, en ze krijgen geen antwoord. Dat is de scène.
Er waren enige Grieken onder hen die opgingen om op het feest te aanbidden. Zij kwamen dan tot Filippus, die van Bethsaïda in Galilea was, en vroegen hem: heer, wij willen Jezus zien.
Heer, wij wensen Jezus te zien.
Ik heb lang gedacht dat dit de mooiste zin van het hoofdstuk was. Grieken, buitenstaanders, godvrezenden die naar Jeruzalem zijn gekomen voor het Pascha, en die de leerling opzoeken met de Griekse naam, Filippus, uit de tweetalige streek, en beleefd vragen of ze hem mogen zien. De wereld die aanklopt. Wat wil je nog meer.
En dan lees ik wat er gebeurt. Filippus komt en zegt het tegen Andreas; Andreas en Filippus komen en zeggen het tegen Jezus. Twee tussenpersonen. Het verzoek wordt doorgegeven, van de een naar de ander naar de derde. Het is een audiëntie-aanvraag. Het loopt via het netwerk.
En het antwoord: Jezus antwoordde hun en zei: het uur is gekomen dat de Zoon des mensen verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.
Hun. Andreas en Filippus. Niet de Grieken. De Grieken worden niet meer genoemd. Ze verschijnen in vers 20, ze vragen in vers 21, en ze zijn weg. Er staat niet dat ze werden binnengelaten, niet dat ze werden geweigerd. Er staat een toespraak over een graankorrel, gericht aan wie het verzoek kwam brengen, en de vragers staan ergens buiten beeld en horen, misschien, een stem.
Ik heb dat lang als een gat in het verhaal gelezen. Het is geen gat. Het is het antwoord.
Want kijk wat er precies gebeurt op het moment dat de Grieken willen zien.
Het hele evangelie door heeft Jezus gezegd dat zijn uur nog niet gekomen was. Tegen zijn moeder in Kana: mijn uur is nog niet gekomen. Tegen zijn broers: mijn tijd is nog niet. Twee keer wilde men hem grijpen en het lukte niet, want zijn uur was nog niet gekomen. Vijf keer, nog niet. En nu, op het moment dat de Grieken vragen hem te zien, valt de zin: het uur is gekomen.
Het uur komt als de wereld wil kijken. Dat is de eerste laag, en zij is scherp. Het moment waarop het schouwspel eindelijk publiek wordt, waarop de buitenstaanders aankloppen en het theater vol dreigt te lopen, is het moment waarop de hoofdpersoon aankondigt dat hij van het toneel gaat. Verheerlijkt worden, doxasthēnai, en de Grieken hoorden doxa en dachten aan glans; maar bij Johannes is verheerlijking het kruis. Het uur om gezien te worden is het uur om te sterven.
En de tweede laag zit in de graankorrel. Als zij niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen. Monos. Alleen. Een korrel die boven de grond blijft liggen, blijft heel, en blijft één, en brengt niets voort. Wat de Grieken vragen is: laat ons kijken naar de korrel. En het antwoord is: er valt niets te zien aan een korrel. Ze moet de grond in. Wat je wilt zien, bestaat pas als het ophoudt zichtbaar te zijn.
Dat geldt voor de korrel, en het geldt, en dat is de laag die niemand wil, ook voor wie kijkt. Wie zijn leven liefheeft, verliest het. De toeschouwer die zijn positie liefheeft, de beleefde afstand, het kijken via twee tussenpersonen, blijft alleen. Hij ziet een man, als hij geluk heeft, en gaat naar huis met een herinnering. Wie in de aarde valt, ziet niets meer, en draagt vrucht.
Waarom willen de Grieken zien?
Omdat zien de Griekse manier is. Dat is geen karikatuur; Paulus schrijft het letterlijk: Joden vragen tekenen en Grieken zoeken wijsheid. De Grieken hadden het woord theōria uitgevonden, de reis naar het festival om te aanschouwen, en de filosofie was voor hen het hoogste zien, het zien met de geest, de beschouwing van wat is. Wij willen zien is de meest Griekse zin die er bestaat. Zij vragen om wat hun cultuur het hoogste acht: de aanblik, de thea, het schouwspel dat je verheft.
En Johannes, die zijn hele boek om het zien heeft gebouwd, die zijn zaal beschreef in de eerste zin, laat de Grieken op de drempel staan. Niet omdat zien fout is. Omdat dit zien, het willen zien, het verzoek om een aanblik, de positie is waarin je alleen blijft. De Griek wil een voorstelling. Wat er te krijgen is, is een graankorrel die de grond in gaat.
Ik zie het in de mensen die willen komen kijken. Niet in de nieuwsgierigheid, die is goed. In het verzoek. Wij willen zien betekent: wij willen op afstand blijven en toch iets meenemen. Wij willen ervaren zonder erin te vallen. En dat is de vraag die geen antwoord krijgt, omdat het antwoord alleen bestaat voor wie de vraag opgeeft.
Dan komt er een stem uit de hemel. Ik heb verheerlijkt en ik zal opnieuw verheerlijken. En de menigte die erbij staat zegt: het was een donderslag. Anderen: een engel heeft met hem gesproken. En Jezus zegt: deze stem is niet om mij gekomen, maar om jullie.
Voor de zaal. En de zaal hoort donder. Dat is wat een antwoord doet dat aan niemand gericht is: iedereen hoort het, en de meesten horen weer. De Grieken, als ze er nog stonden, hoorden een geluid.
En dan de zin die het antwoord op hun verzoek blijkt te zijn, alleen niet nu en niet zoals ze het bedoelden:
En ik, als ik van de aarde verhoogd ben, zal allen tot mij trekken.
Allen. Pantas. Ook Grieken. Zij zullen hem zien. Maar niet als toeschouwers van een man op een feest. Als mensen die getrokken worden naar een man die is opgeheven. En het werkwoord voor trekken is helkyō, en Johannes gebruikt het nog twee keer: niemand kan tot mij komen tenzij de Vader hem trekt, en aan het einde, bij het meer: ze trokken het net, vol vissen, honderddrieënvijftig, en het net scheurde niet. Getrokken worden is het tegendeel van willen zien. Wie ziet, blijft staan waar hij staat en neemt iets in zich op. Wie getrokken wordt, komt in beweging naar iets wat hem trekt, en hij heeft de positie niet meer.
En meteen daarna, vers 36: dit sprak Jezus, en hij ging heen en verborg zich voor hen. Ekrybē. De Grieken wilden zien. Hij verbergt zich. Dat is de laatste zin van zijn publieke optreden in dit evangelie. Daarna is er alleen nog de bovenkamer, de leerlingen, de nacht, het verhoor, het kruis. Het theater sluit op het moment dat de wereld een kaartje wil.
En dan, en dit is wat ik het langst heb gemist, krijgen de Grieken toch hun antwoord. Zeven hoofdstukken later.
Pilatus schreef een opschrift en zette het op het kruis. En er was geschreven: Jezus de Nazoreeër, de koning der Joden. Dit opschrift lazen vele Joden, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks.
In het Grieks. Op het kruis, verhoogd van de aarde, op de plek waar allen worden getrokken, staat hij aangewezen in de taal van de mensen die wilden zien. Zij lazen het. Ze kregen hun aanblik, precies in hun eigen letters, en het was niet de aanblik waar ze voor gekomen waren. Geen leraar op een feest. Een man aan een paal, met een bordje. Dat is wat er te zien is als de korrel de grond in is gegaan. En het is het enige moment in het evangelie waarop Johannes Grieks laat schrijven.
Wat kun je hiermee.
Je kunt merken wanneer je wilt zien. Het is een goede wens en zij is de positie van wie buiten blijft. Wie eerst wil kijken of het wat is, of het werkt, of het iets voor hem is, vraagt om wat er niet is: een korrel die zichtbaar vrucht draagt terwijl ze boven de grond ligt. Er is niets te zien voor wie niet valt.
Je kunt letten op de tussenpersonen. Wie een verzoek via via laat lopen, wie zich laat doorverwijzen om een audiëntie te krijgen, houdt afstand terwijl hij toenadering zoekt. Kom en zie was direct, van mond tot mond. Wij willen zien gaat via Filippus en Andreas. Als je merkt dat je iets belangrijks via de omweg regelt, vraag je af wat je met de omweg beschermt.
Je kunt het uitblijven van een antwoord leren lezen. De Grieken kregen geen nee. Ze kregen niets, en daarna een toespraak over sterven, aan anderen gericht. Als jouw verzoek om te mogen kijken onbeantwoord blijft, is dat meestal geen afwijzing. Het is de mededeling dat je vraag niet de vorm heeft waarin een antwoord mogelijk is.
En je kunt weten dat je getrokken zult worden. Dat is de belofte die aan de Grieken werd gedaan zonder dat ze het hoorden. Niet: jullie zullen zien. Maar: jullie zullen getrokken worden, allen, naar iets wat is opgeheven. Dat gebeurt niet op een feest en niet via een netwerk. Het gebeurt in de aarde. En wat je dan te zien krijgt, is in je eigen taal geschreven, en het is niet wat je kwam bekijken.
Centrale figuren in dit artikel:
de Grieken,
Filippus en Andreas als tussenpersonen,
de vrouw die wil komen kijken
Bijbelgedeelten:
Johannes 12:20-26 (wij willen Jezus zien; via Filippus en Andreas; het uur is gekomen; de graankorrel; wie zijn leven liefheeft);
Johannes 12:27-33 (de stem uit de hemel; het was donder; als ik verhoogd ben, zal ik allen trekken);
Johannes 12:36 (hij verborg zich voor hen);
Johannes 2:4, 7:6, 7:30, 8:20 (zijn uur was nog niet gekomen);
Johannes 6:44 (tenzij de Vader hem trekt);
Johannes 21:6, 11 (ze trokken het net);
Johannes 19:19-20 (het opschrift, in het Hebreeuws, Latijn en Grieks);
1 Korinthe 1:22 (Grieken zoeken wijsheid)

