Zien als voorwaarde (Thomas)
Over een man die niet om de verrezene vraagt maar om de wond, een voorwaarde die woordelijk wordt teruggegeven, en een vinger die nooit wordt uitgestoken
Hij zegt het aan het begin van elk gesprek, voordat er iets anders gezegd kan worden. Eerst wil ik van haar horen dat zij het ook gedaan heeft. Dan pas. Wat er met haar gebeurd is, weet hij. Hij was er niet bij, hij heeft het als verhaal gekregen, en het verhaal is hem te groot. Dus stelt hij een voorwaarde. Zolang die niet is vervuld, beweegt er niets, en de voorwaarde wordt elke week iets scherper, omdat ze elke week niet wordt vervuld.
Ik heb die zin lang gehoord als koppigheid. Ik hoor er nu iets anders in, en dat komt door Thomas.
Thomas is de laatste van de toeschouwers, en hij is de enige die ik nooit heb kunnen veroordelen. De reeks begon met Nathanaël, die al wist voordat hij keek. Nicodemus kwam in de nacht. De Farizeeën zeiden vier keer wij weten. Filippus zei toon ons. Allemaal zetten ze iets tussen zichzelf en wat er voor hen stond: een oordeel, een tijdstip, een kennis, een verzoek. Thomas zet er ook iets tussen. Maar wat hij ertussen zet, is de eerlijkste versie van al die dingen bij elkaar.
Als ik niet in zijn handen het merkteken van de spijkers zie, en mijn vinger in het merkteken van de spijkers leg, en mijn hand in zijn zijde leg, zal ik niet geloven.
Lees wat hij vraagt. De anderen hebben hem gezegd: wij hebben de Heer gezien. Thomas zegt niet: dan wil ik hem ook zien. Hij vraagt om de typos, de indruk, de plek waar het ijzer in het vlees is gegaan. Hij vraagt om de zijde die is opengestoken. Hij vraagt niet om de heerlijkheid waar de rest van dit evangelie mee begon, het etheasametha tēn doxan autou van vers 14. Hij vraagt om het tegendeel daarvan: om het lichaam op de plek waar het is aangedaan.
Dat is het eerste wat ik jaren heb overgeslagen. Thomas’ voorwaarde is niet gericht op het wonder. Ze is gericht op de wond.
Waarom?
De tekst geeft één gegeven, en ze geeft er geen reden bij. Thomas, een van de twaalf, die Tweeling genoemd wordt, was niet bij hen toen Jezus kwam.
Hij was er niet. De anderen dragen een ervaring die hij niet deelt en die hij dus alleen als verhaal kan krijgen, en een verhaal is precies wat de andere toeschouwers ook hadden. Nathanaël had een verhaal van Filippus. De menigte had een verhaal over brood. Thomas heeft het verhaal van tien mannen die zeggen dat ze hem hebben gezien, en hij zegt: dat is mij niet genoeg. Het dubbele ou mē, de sterkste ontkenning die het Grieks heeft, is de stem van wie buiten stond toen het gebeurde en nu wil worden toegelaten tot de plek waar het zich afspeelde.
Zijn voorwaarde is dus geen ongeloof. Ze is de eis van de afwezige om alsnog binnen te mogen in het lichaam waar het gebeurd is. En dat is waarom ik hem niet kan veroordelen: van alle toeschouwers is hij de enige die niet om een bewijs vraagt dat hem gelijk geeft, maar om toegang tot wat hem is ontgaan.
Tweeling. Johannes vertaalt de naam voor zijn Griekse lezers, en het Aramese te’oma, het Hebreeuwse te’om, staat erachter: twee die uit één schoot komen en toch twee zijn. Van wie is Thomas de tweeling? Het evangelie zegt het niet, en ik denk dat die stilte het antwoord is. Hij is de tweeling van wie er wél bij was. De aanwezige en de afwezige, twee helften van één ervaring, in één lichaam van leerlingen.
Twijfel is in het Latijn dubitare, van duo. In het Duits Zweifel, van zwei. Wie twijfelt, is in tweeën. Thomas is niet de zwakke leerling; hij is de gespleten helft die de andere helft nodig heeft om heel te worden, en die weigert net te doen alsof hij al heel is.
De andere toeschouwers deden dat wel. Zij zeiden wij weten en waren daarmee klaar. Thomas zegt: ik weet het niet, en ik zal het niet weten tot ik erbij ben geweest. Het is dezelfde zin als die van de blindgeborene, één ding weet ik, maar dan van de andere kant: één ding weet ik niet, en dat ene ding is het enige dat telt.
Acht dagen later. De achtste dag is in de traditie de dag voorbij de zeven, de dag van de besnijdenis, de dag buiten de voltooide schepping. En de deuren zijn gesloten; Johannes schrijft het twee keer, in vers 19 en in vers 26, en de tweede keer staat Thomas erbinnen. De ruimte waarin hij zijn voorwaarde stelde, is een gesloten ruimte, en hij stelde haar tegen mensen die hem niet konden geven wat hij vroeg.
Dan staat Jezus er. Niet door de deur te forceren, niet door de voorwaarde te betwisten, niet met een argument. Het eerste woord is eirēnē, vrede, sjaloom, vóór alles.
En dan doet hij wat ik lang als toegeeflijkheid heb gelezen. Breng je vinger hier en zie mijn handen, en breng je hand en leg die in mijn zijde. Het zijn Thomas’ eigen woorden. Niet ongeveer, maar letterlijk: de vinger, de handen, de hand, de zijde, in dezelfde volgorde, teruggegeven.
Dat is geen inwilliging. Het is iets anders, en ik heb er lang naar moeten kijken om te zien wat. Thomas sprak zijn voorwaarde uit toen Jezus er niet was. Nu blijkt dat de enige die de voorwaarde kon vervullen, erbij was toen hij haar stelde. De afwezige ontdekt dat hij nooit de afwezige was. Zijn eis, uitgesproken in een gesloten kamer tegen de verkeerde mensen, is gehoord door degene aan wie ze gericht was.
Maria, een hoofdstuk eerder in dezelfde tuin, herkende hem niet aan zijn gezicht maar aan haar eigen naam, teruggegeven. Thomas herkent hem aan zijn eigen woorden, teruggegeven. Bij beiden is het niet het zien dat het doet. Het is het aangesproken worden in wat je zelf hebt uitgesproken.
En dan het detail dat het verhaal kantelt en dat in bijna elke schildering verkeerd staat.
Thomas raakt niet aan.
Er staat nergens dat hij zijn vinger uitsteekt. Er staat nergens dat zijn hand de zijde vindt. Hij krijgt het aanbod, precies zoals hij het had geëist, en hij antwoordt: ho kyrios mou kai ho theos mou. Mijn Heer en mijn God. De sterkste belijdenis van het hele evangelie, en ze komt uit de mond van de man met de voorwaarde, op het moment dat de voorwaarde vervuld mag worden en hij haar laat vallen.
Wat hij nodig had, was blijkbaar niet het bewijs. Het was er zijn. Het was dat de wond er was, aanraakbaar, open, en dat hij niet meer buiten stond. Het Hebreeuwse geloven, aman, heeft dezelfde wortel als de omen, de voedster die een kind draagt. Geloven is gedragen worden. Thomas wordt gedragen op het moment dat zijn eigen woorden naar hem terugkomen, en de vinger blijft waar hij is.
Wat is dan de wond, in het licht van deze reeks?
Het verrezen lichaam is niet gaaf. Dat is de zin waar ik pas laat bij ben uitgekomen en die de hele reeks anders maakt. Alles wat de toeschouwers niet konden zien, was de waarheid als het onverborgene, alētheia, dat wat niet meer toegedekt is. En het minst toegedekte aan de verrezene zijn zijn wonden. Wat er gebeurd is, wordt door de opstanding niet uitgewist. Het wordt erin opgenomen, zichtbaar gemaakt, ter beschikking gesteld aan wie het wil aanraken. Hij wordt herkend áán de wond, niet ondanks de wond.
Wie een verrezene wil zonder littekens, wil iets wat in dit evangelie niet bestaat. En wie de wond wil herschrijven tot iets anders dan een wond, tot een keuze, een fout, een daad, sluit zich af van de enige plek waar het herkennen kan beginnen.
Wat kun je hiermee.
Je kunt je eigen voorwaarde ernstig nemen, en dan kijken waar ze op gericht is. Thomas’ voorwaarde wees naar de wond van de ander: laat mij erbij, laat mij zien wat je is aangedaan. De man in mijn kamer heeft ook een voorwaarde, en die wijst de andere kant op: zeg mij dat het geen wond was. Twee mannen die er niet bij waren, twee eisen, en het verschil zit niet in de hardheid maar in de richting. De ene zoekt de deur naar het lichaam. De andere zet het lichaam buiten de deur.
Je kunt ophouden je voorwaarde uit te spreken tegen mensen die haar niet kunnen vervullen. Thomas riep het tegen tien leerlingen. Ze konden niets voor hem doen, en de tekst laat hem acht dagen in die kamer zitten. Wat hem bereikte, kwam niet van hen.
Je kunt letten op het moment waarop je eigen woorden naar je terugkomen. Dat is in dit evangelie het teken dat iemand erbij was toen je dacht dat je alleen sprak. Het voelt zelden als een bewijs. Het voelt als gezien zijn.
En je kunt de vinger laten waar hij is. Wie krijgt wat hij eiste, ontdekt vaak dat hij het niet meer nodig heeft, omdat de eis nooit om het bewijs ging. Ze ging om erbij horen. De voorwaarde was de vorm waarin de afwezige om een plek vroeg.
Er is nog één zin over in dit verhaal, en hij is niet aan Thomas gericht. Hij is aan ons gericht, de afwezigen van alle latere tijden. Die zin komt in het sluitstuk.
Het is de laatste keer dat iemand in dit evangelie zegt wat hij eerst wil zien.
Centrale figuren in dit artikel:
Thomas de Tweeling,
de tien die er wel bij waren,
Maria in de tuin een hoofdstuk eerder,
de man met de voorwaarde
Bijbelgedeelten:
Johannes 20:24-25 (niet bij hen; de voorwaarde);
Johannes 20:26-27 (acht dagen; gesloten deuren; vrede; de voorwaarde teruggegeven);
Johannes 20:28 (mijn Heer en mijn God);
Johannes 20:19 (de eerste gesloten deur);
Johannes 20:16 (Maria herkend aan haar naam);
Johannes 20:8 (de andere leerling zag en geloofde, bij het lege graf);
Johannes 1:14 (wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd);
Johannes 9:25 (één ding weet ik);
Johannes 11:16 (Thomas: laten wij ook gaan om met hem te sterven);
Johannes 14:5 (Thomas: wij weten niet waar u heengaat)

