God als excuus
De Grenzen van Geloof en Eigen Verantwoordelijkheid”
In de kern is geloof bedoeld als een bron van moed, liefde, vertrouwen en vrijheid. “Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid,” schrijft Paulus in 2 Korintiërs 3:17. Maar in het dagelijks leven zien we ook dat geloof soms een andere functie krijgt. Niet als kracht om te groeien, maar als bescherming tegen het onbekende. Niet als uitnodiging tot overgave, maar als schuilplaats voor wat we spannend of pijnlijk vinden.
Zeker in momenten van onzekerheid of innerlijke strijd kan het dan gebeuren dat iemand zegt:
“God wil niet dat ik dit doe.”
Of: “Ik geloof niet dat dit van God is.”
En misschien klopt dat. Maar misschien is het ook iets anders:
– Een gevoel van ongemak.
– Een angst om te falen.
– Een innerlijke strijd waar woorden nog ontbreken.
In zulke situaties is het begrijpelijk dat iemand zich beroept op ‘Gods wil’. Het geeft richting, houvast, gezag. Maar het gevaar is dat we dan – zonder het te merken – ons eigen gevoel of onze eigen beperking verwarren met Gods stem.
Niet verkeerd bedoeld, maar toch beperkend
Dit is geen kwestie van opzettelijke misleiding. Integendeel: veel christenen doen dit vanuit een diep verlangen om trouw te zijn. Maar juist omdat dat verlangen oprecht is, verdient het zorgvuldige reflectie.
Want er is een verschil tussen gehoorzaamheid en vermijding. Tussen overgave en uitstel. En tussen “God wil dit niet van mij” en “ik durf dit (nog) niet aan.”
Die nuance is belangrijk. Niet om mensen te bekritiseren, maar om ruimte te maken voor eerlijkheid. Want als we alles wat moeilijk is automatisch toeschrijven aan ‘Gods wil’, raken we vervreemd van wat er werkelijk in ons leeft – en misschien ook van wat God daar juist in wil aanraken.
Bijbelse voorbeelden van mensen in strijd
De Bijbel staat vol met mensen die in verwarring, aarzeling of angst hun roeping ontvingen. Denk aan Mozes, die zei: “Ik kan niet spreken, stuur iemand anders” (Exodus 4:10). Of aan Jona, die letterlijk vluchtte. Of Petrus, die in eerste instantie geen contact wilde met heidenen (Handelingen 10), totdat God zijn perspectief bijstelde. Zelfs Jezus bad: “Laat deze beker aan Mij voorbijgaan” (Lukas 22:42) – een gebed vol spanning tussen menselijke angst en goddelijke overgave.
Wat al deze verhalen gemeen hebben, is niet dat ze zonder twijfel waren – maar dat ze hun twijfel niet verstopten. Ze durfden de worsteling aan te gaan. En daarin werden ze gevormd.
Een uitnodiging tot onderscheidingsvermogen
De vraag is dus niet: mag ik dit voelen?
Maar eerder: wat speelt hier op meerdere lagen?
– Is dit Gods stem, of mijn verlangen naar veiligheid?
– Is dit echt leiding, of misschien vermijding?
– Ben ik geroepen tot wachten – of durf ik nog niet te gaan?
Wanneer we leren die vragen met liefde en moed onder ogen te zien, ontstaat er ruimte. Ruimte voor echte geestelijke groei. Voor vrijheid, in plaats van controle. Voor vertrouwen, in plaats van afscherming.
Geen oordeel – wel uitnodiging
Dit artikel is geen aanklacht, maar een uitnodiging. Niet om minder te geloven, maar om dieper te luisteren. Om eerlijker te worden over wat in ons leeft, en moediger in onze openheid voor God.
Want als God liefde, waarheid en vrijheid is – dan wil Hij ons niet gevangen houden in systemen van vroomheid of zelfbescherming. Hij nodigt ons uit in het licht te stappen. Zelfs – of juist – als dat spannend is.
Wat mensen bedoelen met “God wil dat niet”
In gesprekken binnen christelijke gemeenschappen hoor je regelmatig uitspraken als:
– “Dat mag niet van God.”
– “God zou dat niet goedkeuren.”
– “Dat voelt niet als Gods weg voor mij.”
Vaak worden deze woorden uitgesproken met overtuiging en integriteit. Mensen willen trouw zijn aan hun geloof, en nemen Gods wil serieus. Ze zoeken naar wat goed, zuiver en gehoorzaam is – en doen hun best om keuzes te maken die bij hun geloof passen.
Maar precies dáárom is het zo belangrijk om stil te staan bij wat we eigenlijk bedoelen als we zeggen: “God wil dat niet.”
Geloof als poging om goed te leven
Voor veel mensen is zo’n uitspraak een vorm van voorzichtigheid:
– “Ik weet niet zeker of dit goed is.”
– “Ik wil niet tegen God ingaan.”
– “Ik voel me hier niet vrij in, dus laat ik het liever.”
En dat is begrijpelijk. Het leven van geloof is niet zwart-wit. Je wilt het goede doen, je zoekt leiding, en als je iets niet goed kunt plaatsen, trek je je liever terug. Niet uit onwil, maar uit eerbied.
Toch kan het gebeuren dat we in die voorzichtigheid bepaalde innerlijke processen overslaan. We leggen dan een gevoel, een opvoeding, een overtuiging of een ongemak neer als ‘de wil van God’ – zonder dat we hebben onderzocht waar dat gevoel vandaan komt, of wat God daar zelf werkelijk over zegt.
God, of mijn eigen grens?
Dat maakt dit onderwerp niet zwart-wit, maar juist des te waardevoller om te onderzoeken. Want:
– Wat als ik “God wil dat niet” zeg, terwijl ik eigenlijk bedoel: ik durf het niet?
– Of: ik heb dit nooit geleerd, dus ik vertrouw het niet?
– Of: ik voel me hier schuldig over, ook al weet ik niet waarom?
Het geloof vraagt juist op zulke momenten om onderscheidingsvermogen. Niet om alles te wantrouwen, maar om eerlijk te zijn. Niet om onze gevoelens weg te duwen, maar om ze in het licht te brengen. Want God is niet bang voor onze twijfel, ons ongemak of onze groei.
Bijbels gesproken: de ruimte om te zoeken
In de Bijbel zien we mensen die worstelen met Gods wil. Mozes zegt: “Stuur iemand anders.” Gideon vraagt om tekenen. Petrus denkt in eerste instantie dat het verboden is om heidenen te ontmoeten. Jona wil niet naar Ninevé. Deze mensen zijn niet ongehoorzaam uit rebellie, maar uit menselijke aarzeling – en God werkt juist daar doorheen.
Hun verhaal laat zien: de wil van God is niet altijd meteen duidelijk. Soms voelen we weerstand, niet omdat iets fout is, maar omdat het ons uitdaagt tot groei, loslaten of durven. En dat proces is heilig – mits we eerlijk blijven over wat er in ons leeft.
Samengevat: Veel mensen gebruiken de woorden “God wil dat niet” vanuit een verlangen om goed te doen. En dat verlangen verdient respect. Maar juist daarom is het waardevol om te leren onderscheiden: is dit Gods stem, of mijn eigen stem in een heilige vorm gegoten? Dat vraagt tijd, moed en eerlijkheid – niet om méér te twijfelen, maar om dieper geworteld te raken in vertrouwen.
Psychologische mechanismen achter religieus excuseren
Mensen willen het goede doen. Zeker gelovigen die serieus omgaan met hun overtuigingen. Maar het leven is complex, en de weg van geloof is zelden zonder innerlijke spanning. Op die kruispunten – waar verlangen, angst, twijfel en verantwoordelijkheid samenkomen – ontstaan vaak psychologische mechanismen die ons helpen omgaan met die spanning.
Soms zijn die mechanismen helpend. Maar soms zorgen ze ervoor dat we wegblijven van wat we eigenlijk wél zouden mogen of moeten aangaan.
Angst voor verandering of falen is uitbesteed aan God
Verandering vraagt moed. Het confronteert ons met het onbekende, en vaak ook met onszelf. De gedachte “Wat als ik het mis heb?” is bij gelovigen extra beladen: je wilt niet alleen jezelf teleurstellen, maar vooral God niet afwijzen.
In die spanning ligt een valkuil: we schuiven beslissingen of verlangens van ons af, door te zeggen dat “God dit (nog) niet wil”. Daarmee vermijden we de last van verantwoordelijkheid, terwijl we die verantwoordelijkheid heilig verpakt laten klinken.
Maar God vraagt geen perfecte zekerheid. Vaak juist het tegenovergestelde: “Leef in vertrouwen, niet in angst.”
Cognitieve dissonantie en religieuze rationalisatie
Wanneer ons innerlijke verlangen of geweten in botsing komt met wat we denken dat God wil, ontstaat er innerlijke spanning – cognitieve dissonantie. Om die spanning te verminderen, zoeken we verklaringen die het gevoel geven dat alles ‘klopt’.
Bijvoorbeeld:
– “Dit verlangen komt waarschijnlijk uit mijn vlees.”
– “Als ik echt geestelijk was, zou ik dit niet willen.”
– “God wil dat ik me hier verzet tegen mijn gevoel.”
Dit is geen bewuste manipulatie, maar een vorm van zelfbescherming. We willen trouw blijven aan ons geloof, maar verliezen onderweg soms het zicht op het feit dat ook onze diepste verlangens – wanneer ze geworteld zijn in liefde, waarheid en vrijheid – juist sporen met Gods bedoelingen.
Zelfbescherming via heilige taal
Religieuze taal biedt een krachtig beschermmiddel. Als iets “niet Gods wil” is, hoef je er geen gesprek meer over te voeren. Het klinkt als eindpunt, terwijl het in werkelijkheid vaak het begin zou moeten zijn van een proces van biddend onderzoek en innerlijk werk.
Heilige taal biedt autoriteit, maar als ze wordt gebruikt om persoonlijke onzekerheid, pijn of angst te maskeren, verwordt die taal tot een muur. Dan wordt “Gods wil” niet iets wat bevrijdt, maar iets wat verbergt.
Weinig ‘ik-bewustzijn’ en zelfvertrouwen
Ten diepste ligt onder veel religieus excuseren een beperkt zelfbesef:
– “Ik weet niet of ik mezelf kan vertrouwen.”
– “Wat ik voel of verlang zal wel niet goed zijn.”
– “Wie ben ik om te weten wat God wil?”
Maar dat is niet het beeld dat de Bijbel schetst van een mens naar Gods hart. In Jeremia 31:33 zegt God: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven.” En Paulus schrijft in Romeinen 12 dat we ons denken moeten vernieuwen om te onderscheiden wat Gods wil is – iets dat dus ín ons groeit.
Wanneer we groeien in zelfbewustzijn en zelfvertrouwen, ontdekken we dat ons hart (wanneer het gevormd wordt door liefde, waarheid en gemeenschap met God) vaak al in lijn is met wat God verlangt voor zijn schepping. Dan is geloven geen voortdurend wantrouwen tegenover jezelf, maar een samenwerking tussen Gods Geest en je eigen ziel.
Conclusie van deze sectie:
Veel religieus excuseren is geen rebellie of opzettelijke vermijding. Het is een uiting van angst, voorzichtigheid, loyaliteit of onzekerheid – menselijke reacties op een goddelijke roeping die vaak groter is dan we aankunnen. Maar precies dáár nodigt God ons uit tot groei. Niet door onszelf te wantrouwen, maar door samen met Hem onze innerlijke lagen te leren onderscheiden – en te vertrouwen dat zijn stem óók in ons spreekt.
Het verschil tussen geweten en aangeleerde schaamte
Wie leeft vanuit geloof, wil graag zuiver handelen. Niet tegen Gods wil ingaan, niet ‘zondigen’. Maar veel mensen ervaren innerlijke weerstand zonder goed te kunnen benoemen waarom. Ze zeggen dan: “Dit voelt niet goed”, of “Ik heb hier geen vrede over” – en leggen het stil.
Soms is dat terecht. Ons geweten spreekt. Maar soms is het níet het geweten dat spreekt, maar schaamte. Schaamte die we hebben aangeleerd vanuit onze omgeving, cultuur, kerk of opvoeding. En dat verschil – tussen een zuiver innerlijk weten en een aangeleerd gevoel van schuld – is cruciaal.
Niet durven vs. niet mogen
Er is een wereld van verschil tussen:
– “Ik voel dat dit niet klopt.” (geweten)
– “Ik heb geleerd dat dit niet mag.” (schaamte)
En tussen:
– “Ik durf dit niet, maar ik voel wel dat het goed is.”
– “Ik mag dit niet voelen of willen, want dat is zondig.”
Als we nooit hebben geleerd dat gevoelens onderzocht mogen worden – dat verlangen niet per definitie verdacht is – dan raken we vervreemd van ons eigen hart. En dan wordt het moeilijk om Gods stem van binnenuit te herkennen, omdat we die automatisch verwarren met angst of zelfverwerping.
Religie als sociaal controlemechanisme
In veel geloofsgemeenschappen is religie, vaak onbedoeld, ook een sociaal systeem van controle geworden. Niet om kwaad te doen, maar om stabiliteit en voorspelbaarheid te waarborgen. Wat als “heilig” wordt beschouwd, is soms vooral: wat we altijd zo gedaan hebben.
Voorbeeld:
– Een vrouw die leiding geeft.
– Iemand die buiten de gebaande paden denkt.
– Een gelovige die anders leeft dan de meerderheid.
Niet zelden wordt dan – onder het mom van gehoorzaamheid of nederigheid – juist het geweten onderdrukt, en de schaamte geactiveerd. De groep voelt: “Dit hoort niet,” ook als God misschien juist wél aan het werk is in die persoon.
De rol van opvoeding en kerkelijke context
Onze eerste religieuze vorming – in het gezin, in de kerk, op school – bepaalt vaak hoe we later Gods stem verstaan.
– Wie opgevoed is met veel regels, ervaart vrijheid vaak als verdacht.
– Wie leerde dat bepaalde gevoelens zondig zijn, leert zichzelf wantrouwen.
– Wie geloof alleen als gehoorzaamheid kent, voelt zich schuldig bij verlangen of initiatief.
Maar God spreekt niet alleen door regels. Hij spreekt ook door verlangen, door liefde, door waarheid die in ons hart leeft. “Ik zal mijn wet in hun hart schrijven” (Jeremia 31:33) is geen belofte van controle, maar van vertrouwen: dat God ín ons spreekt, niet alleen ván buitenaf.
Geestelijke volwassenheid: leren onderscheiden
Het proces van geestelijke groei betekent: leren onderscheiden wat werkelijk van God komt, en wat aangeleerd is als vroomheid maar geworteld is in angst of conformisme.
Dat is geen gemakkelijk proces. Het vraagt moed om innerlijk terug te keren en te zeggen:
– “Is dit Gods stem – of die van mijn oude opvoeding?”
– “Komt dit uit liefde – of uit angst voor afwijzing?”
– “Durf ik mijn geweten serieus te nemen, ook als het mij leidt tegen de stroom in?”
Kortom: Aangeleerde schaamte klinkt vaak als een vrome stem. Maar ze maakt kleiner, angstiger en passiever. Het echte geweten maakt eerlijk, wakker en vrij. Niet grenzeloos, maar wáár. Wie leert luisteren naar het onderscheid tussen die twee, leert ook steeds beter Gods stem herkennen – in zichzelf, en in de ander.
Subtiele zelfcensuur: wanneer het geloof iets afdekt in plaats van opent
Wat dit allemaal zo lastig maakt, is dat het vaak niet groots of zichtbaar gebeurt. Het speelt zich af in het klein, in de diepten van het innerlijk. Je neemt een gedachte waar, een verlangen, een prikkel tot beweging – en ergens voel je: hier zit iets echts in. Maar nog voordat het zich kan ontvouwen, drukt iets anders het alweer weg.
Het gebeurt vaak razendsnel, bijna automatisch:
– Je denkt iets, maar corrigeert jezelf onmiddellijk.
– Je voelt iets, maar onderdrukt het uit reflex.
– Je hebt een idee, maar concludeert: dat zal wel niet van God zijn.
En het voelt oprecht. Zelfs vroom. Je zegt tegen jezelf: “Ik wil gewoon zuiver blijven.” Of: “Ik wil God niet voor de voeten lopen.” Of: “Ik moet niet eigenwijs zijn.” En toch… blijft er iets knagen. Want diep vanbinnen wéét je: dit was niet rebellie, dit was een glimp van iets waar waarheid of leven in zat. Iets kwetsbaars misschien, maar echt.
Innerlijke subtiliteit: tussen geestelijk onderscheid en zelfonderdrukking
De vraag is dan niet meer: Is dit goed of fout?
Maar eerder: Waar komt deze innerlijke reflex vandaan?
Soms komt die uit wijsheid: het is goed om niet alles direct te volgen. Maar soms komt het uit een patroon van zelfonderdrukking dat zich vermomt als geestelijkheid:
– Een kinderlijke angst om ‘buiten de lijnen te kleuren’.
– Een ingesleten gewoonte om jezelf wantrouwend te bekijken.
– Een verwarring tussen bescheidenheid en zelfverloochening.
En dan is het niet meer God die je tegenhoudt, maar je eigen beeld van wat een goed mens zou moeten zijn.
God spreekt vaak subtieler dan onze correctiestem
Als we naar de Bijbel kijken, zien we dat Gods stem zelden opdringerig is. Ze komt als een fluistering (1 Koningen 19), als een droom, een innerlijk inzicht, een vraag die blijft hangen. Ze vraagt ruimte, tijd, eerlijkheid. Niet onmiddellijke controle of onderdrukking.
Maar als we gewend zijn geraakt aan innerlijke censuur – vaak met religieuze taal – dan geven we die subtiele stem geen kans. Dan leeft God voor ons vooral in het “Nee”, in het “Pas op”, in het “Doe maar niet”. Terwijl de stem van de Geest vaak juist uitnodigt met “Kom maar”, “Wees niet bang”, “Sta op”.
Samengevat: De grootste belemmering is zelden de buitenwereld. Het is de subtiele stem in onszelf die zegt:
“Doe maar niet, dit hoort niet, dit mag niet.”
Maar misschien is juist dat de plek waar God wíl spreken. Niet om ons over grenzen te duwen, maar om ons terug te brengen naar het innerlijk vertrouwen dat we met Hem samen mogen leven – ook in wat kwetsbaar, spannend of ongewoon voelt.
Echte gehoorzaamheid begint niet bij onderdrukking van het innerlijk, maar bij eerlijk luisteren. Daar ontstaat ruimte om niet automatisch te zeggen: “God wil dit niet”, maar om te vragen:
=> “Wat leeft hier in mij – en wat zou God daarin willen zeggen?”
God en projectie: wie spreekt er eigenlijk in mij?
Veel mensen verlangen ernaar om Gods stem te verstaan. Ze willen leven in gehoorzaamheid, trouw zijn, het juiste doen. Maar wat we vaak niet doorhebben, is dat ons beeld van God diep gevormd wordt door eerdere ervaringen: door opvoeding, kerkelijke context, cultuur — én onze innerlijke psychologische structuur.
Zonder dat we het doorhebben, projecteren we onze innerlijke ‘kritische ouder’ op God. In de taal van de transactionele analyse (TA): die interne stem die ooit zei “Dat mag je niet,” “Doe normaal,” “Wees niet lastig,” leeft voort in ons als een soort morele bewaker. En als we die stem niet leren herkennen, verwarren we haar met Gods stem.
Dan klinkt het alsof God streng is, afwijzend, begrenzend — terwijl het eigenlijk ons eigen innerlijke verbodensysteem is dat aan het woord is. We zeggen dan “God wil dit niet,” terwijl het in feite is: “Ik heb geleerd dat dit niet mag.”
Zolang die projectie onbewust blijft, blijft het geloof vermengd met angst. Het blokkeert beweging, verlangen, groei. Maar op het moment dat we dit gaan zien, ontstaat er ruimte. Ruimte om te vragen:
= Wie spreekt hier eigenlijk in mij?
= Is dit Gods stem – of mijn innerlijke correctiestem?
De bevrijding ligt niet in het weggooien van grenzen, maar in het terugnemen van verantwoordelijkheid. God is geen verlengstuk van je innerlijke criticus. Hij is de Levende, de Bron van liefde, waarheid en vrijheid. Zijn stem is misschien confronterend – maar nooit veroordelend. Uitnodigend – maar nooit manipulatief. En altijd gericht op herstel.
Geestelijke volwassenheid groeit wanneer we durven onderscheiden:
Niet alles wat heilig klinkt, komt van God.
Niet alles wat van binnen spreekt, is wijs.
Maar wie leert luisteren met liefde én bewustzijn,
gaat steeds helderder herkennen wat God werkelijk zegt.
Geestelijke volwassenheid: leven in waarheid, vrijheid en verantwoordelijkheid
Geloof begint vaak met zekerheid zoeken: weten wat mag, wat hoort, wat waar is. Maar het blijft daar niet. Naarmate we groeien, verandert het geloof van een systeem dat ons beschermt, in een relatie die ons uitnodigt. God wordt dan niet langer alleen een gezag buiten ons, maar een levende aanwezigheid in ons.
Paulus schrijft: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind (…), maar nu ik een man geworden ben, heb ik het kinderlijke afgelegd.” (1 Korintiërs 13:11) Geestelijke volwassenheid begint waar we leren onderscheiden:
– niet alleen wat goed is,
– maar ook waarom het goed is.
– Niet alleen wat mag,
– maar ook wat leven geeft.
Het is de weg van de liefde, niet van angst. De weg van vertrouwen, niet van vermijding. De weg van eerlijkheid, ook als dat ongemakkelijk is.
Gods Geest werkt mét jou, niet buiten jou om
Te vaak hebben we geleerd dat ons eigen hart onbetrouwbaar is. Dat je jezelf niet kunt vertrouwen. Dat gevoel, verlangen of intuïtie automatisch verdacht zijn. Maar wat als God – zoals Jeremia zegt – zijn wet in ons hart schrijft? Wat als Hij je niet vraagt om jezelf uit te schakelen, maar om met Hem samen te leren luisteren?
Dan wordt geestelijke volwassenheid niet een steeds striktere gehoorzaamheid, maar een steeds dieper vertrouwen. Dan leer je:
– Gods stem herkennen te midden van je gedachten,
– jouw verlangens wegen in het licht van Zijn liefde,
– en verantwoordelijkheid nemen voor wat jij voelt, weet, en gelooft – zonder die automatisch te bedekken met ‘heilige taal’.
Dat is geen loslaten van geloof, maar verdieping ervan. Je bent niet minder gelovig als je onderzoekt of iets echt van God komt. Je bent juist serieuzer bezig met de Geest als je durft te onderscheiden wat in jou leeft – en dat niet meteen als ‘fout’ bestempelt.
Van excuus naar ontmoeting
Wanneer we stoppen met God gebruiken als excuus voor onze angsten, onzekerheden of aangeleerde schaamte, ontstaat er ruimte voor echte ontmoeting. Met jezelf, met de ander – en met God. Niet in de vorm van een systeem dat alles moet controleren, maar in de vorm van een open, eerlijke weg die soms zoekend is, maar echt.
Dat is geestelijke volwassenheid:
– Niet alles zeker weten,
– maar wel waarachtig zijn.
– Niet jezelf verloochenen,
– maar jezelf kennen – in Gods licht
Dit artikel wil dus geen oordeel uitspreken over hoe mensen geloven. Het wil een spiegel zijn. Een zachte, maar eerlijke uitnodiging tot verdieping. Want wie zijn geloof alleen gebruikt om te vermijden, loopt het risico dat het stilvalt.
Maar wie durft te onderzoeken wat in hem of haar leeft, en dát in het licht van God brengt – die ontdekt dat geloof niet de plek is waar je jezelf moet onderdrukken, maar waar je werkelijk mens mag worden.
Vrij, geliefd, verantwoordelijk – en verbonden.
Hoe onderscheid je jouw stem van Gods wil?
Wie serieus gelooft, komt vroeg of laat bij deze vraag: Hoe weet ik of iets van God komt, of van mijzelf? Het is een eerlijke vraag – en geen eenvoudige.
Soms klinkt Gods stem als een fluistering die precies past bij wat je al voelde. Soms klinkt ze als een schok die alles doorkruist wat je dacht te weten. En soms is het verschil helemaal niet zo duidelijk.
Het gevaar is dat we te snel zeggen: “Dit is van God”, of juist: “Dit is vast mijn eigen wens, dus niet van God.” Maar geestelijke volwassenheid groeit juist in het spanningsveld tussen die twee.
Er zijn geen vaste regels, maar wél tekenen van wat leven geeft:
– Gods stem brengt meestal geen verlamming, maar ruimte.
– Geen kramp, maar rust.
– Geen egovergroting, maar waarheid en liefde.
– Geen angst voor oordeel, maar uitnodiging tot vertrouwen.
En ook:
– Gods stem dwingt zelden, maar nodigt uit.
– Ze maakt niet kleiner, maar dieper mens.
– Ze bevraagt niet alleen je gedrag, maar ook je hart.
Wie leert leven in deze openheid, ontdekt steeds meer dat Gods stem en jouw stem niet per se tegenover elkaar staan. Want als je gevormd wordt in liefde en waarheid, dan komt wat in jou leeft steeds vaker in lijn met wat God verlangt.
Zoals Augustinus zei: “Heb lief, en doe wat je wilt.”
Niet omdat alles dan zomaar mag,
maar omdat liefde het scherpste onderscheidingsvermogen is dat er bestaat.
Slot: God ter verantwoording roepen – of jezelf?
Geloof is nooit bedoeld als beperking, maar als uitnodiging tot groei, om ten volle te worden wie je bedoeld bent te zijn. Niet om het leven te verkleinen, maar om het te verdiepen. Niet om onszelf te verstoppen, maar om onszelf eerlijk onder ogen te komen – in het licht van liefde en waarheid.
Toch gebruiken we het geloof soms als omweg. We zeggen “God wil dit niet”, terwijl we eigenlijk bedoelen: “Ik durf dit niet. Ik voel me hier onveilig. Ik ben bang om fout te zitten.” Dat is menselijk – en niet verkeerd. Maar het vraagt eerlijkheid. Want zolang we onszelf verschuilen achter religieuze taal, blijven we in de schaduw staan. Dan geven we God de verantwoordelijkheid voor keuzes die eigenlijk van onszelf vragen om onderzocht, gevoeld en gedragen te worden.
Echte overgave vraagt geen religieuze zelfcensuur, maar innerlijke helderheid. Het betekent dat we mogen zeggen:
* “Ik weet het nog niet.”
* “Ik ben hier nog niet klaar voor.”
* “Ik voel spanning, maar ik wil leren onderscheiden.”
Dat is geen zwakte, maar volwassen geloof. Geloof dat niet leeft van regels en reflexen, maar van waarheid en vertrouwen. Van luisteren, onderscheiden, en opnieuw kiezen.
Dus misschien is de vraag niet: “Wat wil God van mij?”
Maar eerder: “Wat wil ik nog niet onder ogen zien – en mag daar ook licht op vallen?”
Want dáár, op die plek, begint geestelijke vrijheid. Niet door jezelf te veroordelen, en ook niet door God iets toe te schrijven wat je zelf niet durft te dragen – maar door te durven zeggen: “Hier ben ik, met alles wat ik nog niet weet. Spreek maar.”