Hoogbegaafd – in evenwicht
Hoogbegaafdheid wordt in het maatschappelijk discours nog vaak gereduceerd tot een hoge IQ-score van boven de 130. Deze eenzijdige benadering doet echter geen recht aan de complexiteit van het fenomeen. Ik probeer hier uit te leggen waarom hoogbegaafdheid een multidimensioneel samenspel van cognitieve, emotionele, lichamelijke en existentiële kenmerken, met grote implicaties voor ontwikkeling, welzijn en (mis)diagnostiek is.
Het theoretisch kader is gebaseerd op:
1) Het meervoudige hoogbegaafdheidsmodel van Renzulli (1978) en het meerfactorenmodel van Mönks (1984)
2) De overexcitabilities (hyperprikkelbaarheden) van Dąbrowski, verder uitgewerkt door Piechowski
3) Mijn integratief model waarin hoogbegaafdheid wordt gedefinieerd als: Hoogbegaafdheid = Hoge intelligentie + Hoogsensitiviteit + Hoogseksualiteit + Hoogreligiositeit
Tot slot wordt uiteengezet hoe gebrek aan erkenning door gezin, school en peers en waardoor het leidt tot verhoogd risico op misdiagnoses.
Hoogbegaafdheid volgens Renzulli en Mönks: meer dan IQ
Renzulli’s drie-ringenmodel (1978)
Joseph Renzulli definieert hoogbegaafd gedrag als het samenvallen van drie componenten:
1) Bovengemiddelde intelligentie
2) Hoge creativiteit
3) Grote motivatie, doorzettingsvermogen om to achter de horizon te gaan.
Hoogbegaafdheid is volgens Renzulli geen statisch kenmerk, maar contextafhankelijk gedrag dat tot uiting komt wanneer deze drie factoren elkaar versterken.
Mönks’ meerfactorenmodel (1984)
Franz Mönks breidde dit model uit door expliciet de sociale context te integreren. Hij voegde drie omgevingsfactoren toe:
– Gezin
– School
– Peers (leeftijdsgenoten)
Hiermee wordt hoogbegaafdheid een interactioneel ontwikkelingsproces: zelfs bij hoge cognitieve vermogens kan hoogbegaafdheid zich onvoldoende ontwikkelen of zelfs pathologisch uiten wanneer de omgeving onvoldoende afgestemd is.

Overexcitabilities: de innerlijke intensiteit van hoogbegaafdheid
Kazimierz Dąbrowski beschreef hoogbegaafde en hoogontwikkelde mensen als individuen met een verhoogde innerlijke prikkelbaarheid, die hij overexcitabilities noemde. Piechowski koppelde deze expliciet aan hoogbegaafdheid.
De vijf klassieke overexcitabilities zijn:
* Psychomotorisch – innerlijke onrust, hoge energie, snel denken, bewegend lichaam (friemelen, trampoline springen, rennen)
* Zintuiglijk – verhoogde gevoeligheid voor geluid, licht, tast, smaak, reuk
* Intellectueel – hoog verlangen om te begrijpen, analyseren, existentieel denken
* Verbeeldend – rijke fantasie, symbolisch denken
* Emotioneel – diepe empathie, intense gevoelens, morele betrokkenheid
Deze intensiteiten worden vaak verward met stoornissen (ADHD, ASS, angststoornissen, stemmingsstoornissen), terwijl ze in wezen ontwikkelingskenmerken zijn.

Een integratief model: hoogbegaafdheid als existentiële intensiteit
Op basis van bovenstaande modellen kan hoogbegaafdheid worden begrepen als een samensmelting van vier domeinen:
1) Hoge intelligentie: Niet alleen analytisch, maar ook abstract, systemisch en existentieel denken.
2) Hoogsensitiviteit: Een neurologisch verhoogde prikkelverwerking, zichtbaar in emotionele, zintuiglijke en morele intensiteit.
3) Hoogseksualiteit: niet alleen te begrijpen als seksueel gedrag, maar als:
– verhoogde levensenergie (libido)
– intens lichaamsbewustzijn
– diepe verbinding tussen lichamelijkheid, emotie en identiteit
Bij kinderen en adolescenten wordt dit vaak onterecht geïnterpreteerd als grensoverschrijdend of problematisch, terwijl het gaat om versnelde en intens beleefde ontwikkeling.
4) Hoogreligiositeit / zingeving: Dit verwijst niet bij voorbaat naar institutionele religie, maar naar:
– vroege existentiële vragen
– moreel absolutisme
– behoefte aan betekenis, waarheid en rechtvaardigheid
Veel hoogbegaafden worstelen al op jonge leeftijd met vragen over leven, dood, lijden en verantwoordelijkheid.

Wanneer erkenning ontbreekt: de weg naar misdiagnoses
Volgens Mönks is hoogbegaafdheid afhankelijk van erkenning en resonantie in drie sociale systemen:
1) Gezin
Bij gebrek aan begrip kan het kind worden gezien als: “te gevoelig”, “lastig”, “dramatisch”
2) School
Hier ontstaat vaak: onderpresteren, verveling en oppositioneel gedrag
3) Peers
Hoogbegaafden ervaren regelmatig:
– sociale isolatie
– aanpassing door masking
– internalisering van ‘anders-zijn’
Gevolg: misdiagnoses
Wanneer intelligentie + intensiteit + existentiële diepgang niet worden herkend als één samenhangend profiel, ontstaan foutieve labels zoals:
– AD(H)D
– ASS
– Angststoornissen
– Depressie
– Persoonlijkheidsproblematiek
In werkelijkheid gaat het vaak om een niet-gezien hoogbegaafd ontwikkelingsprofiel.
Hoogbegaafdheid is geen losstaand cognitief kenmerk, maar een existentiële ontwikkelingsconditie die zich uit in denken, voelen, beleven en betekenisgeving. Modellen zoals die van Renzulli, Mönks en Dąbrowski vormen samen een stevig fundament, maar vragen om verdere integratie met lichamelijke en zingevingsdimensies.
Wanneer deze complexiteit niet wordt erkend door gezin, school en peers, wordt hoogbegaafdheid geen krachtbron, maar een risicofactor voor psychologisch lijden en misdiagnose. Lees meer over de misdiagnoses en hoogbegaafdheid

Lees verder:
* hoogbegaafd-hoogintelligent
* hoogbegaafd-hoogsensitief
* hoogbegaafd-hoogseksueel
* hoogbegaafd-hoogreligieus
MEER weten over hoogbegaafdheid in het algemeen? Doe de online cursus: Hoogbegaafdheid: meer dan intelligent!

Of doe de online cursus die gaat over de Intensiteit van hoogbegaafden:
