Eerst was er samen
Je zou denken dat het begint in de couveuse. Daar zie je het tenslotte gebeuren — het kleine kind alleen achter glas. Maar daar begint het niet. Het begon eerder. In een tijd die niemand zich kan herinneren, want we waren er te klein voor. We hebben geen taal, geen beelden, alleen ervaring. Het lichaam weet het nog. Het heeft het al die jaren onthouden in al zijn cellen, op die plek waar geen woorden zijn.

In de baarmoeder is een tweeling nooit alleen geweest. Dat klinkt logisch, maar dat is het niet. Want voor een kind dat in zijn eentje groeit, is de eerste ander de moeder — een hartslag, een stem, een ritme dat van buiten komt. Een omhulsel waarin het ligt.
Voor een tweeling is de eerste ander geen omhulsel, maar een tegenover. Iemand van hetzelfde formaat. Hetzelfde moment. Even oud, even ver. Ze spelen samen. Ze dansen samen. Ze zoeken elkaar, vinden elkaar, stemmen op elkaar af — twee die samen invallen en samen optrekken. Niet versmolten. Afgestemd. Geen omhulsel waarin het kind zich bevindt, maar iemand die er ook is binnen dat geheel.
Er gebeuren daar twee dingen tegelijk. Het eerste is er gewoon, zonder dat het kind er iets voor hoeft te doen: de ander is er. Dag en nacht. Aan één stuk door. Het tweede doet het kind zelf. Het reikt naar de ander — en de ander reikt terug. De bewegingen worden geïnitieerd en worden beantwoord.
In 2010 filmde een Italiaans onderzoeksteam vijf ongeboren tweelingen, met een echo die beweging in beeld brengt. Wat ze zagen, was geen toeval. Geen twee lijfjes die elkaar per ongeluk raken in een krappe ruimte. De bewegingen waren gericht. Bedoeld. Naar de ander toe. En naarmate de weken vorderden, draaide er iets om: het kind bewoog steeds minder naar zichzelf, en steeds meer naar zijn tweeling. Tegen de achttiende week ging bijna een derde van alles wat het deed naar de ander.
En er was nog iets, en dat is het mooiste. Van alle bewegingen die deze kinderen maakten, was die naar de ander de voorzichtigste. De traagste. De hand die het langzaamst afremde, vlak voor de aanraking. Voorzichtiger nog dan wanneer het kind zijn eigen oog aanraakte — en je eigen oog is het tederste wat je aanraakt. De allereerste behoedzame beweging die dit lichaam ooit maakte, was het reiken naar de ander.
Tweelingen zijn niet versmolten — twee tweelingen zijn niet één lichaam. Maar wel op elkaar afgestemd. Ze vallen samen in slaap. Ze worden samen wakker. Twee ritmes die elkaar telkens vinden. Een voortdurend afgestemd-zijn op iemand die er is.
Er was dus iets wat het kind zélf deed: reiken naar de ander. En er was iets wat het kind niet hoefde te doen, wat er gewoon was: de ander, die er steeds was. Het ene is een beweging. Het andere is een uitnodiging. Allebei krijgen ze een plek, een imprint, en vormen ze een blauwdruk.
Dus nog voordat er een “ik” is dat van zichzelf weet, zijn er al twee dingen waar dit lichaam op rust. Een ander die er is — onafgebroken, zonder dat het kind ernaar hoeft te reiken. En een hand die reikt, en antwoord krijgt. Het ik van een tweeling reikt vanaf de eerste beweging, en is vanaf het eerste begin niet alleen. Dit is de allereerste ervaring. De bodem waar alles wat volgt op rust.
Dan de geboorte. En een van de twee moet de couveuse in.
De bekende verhalen gaan over de moeder. Negen maanden zat het kind in de buik. Eigenlijk had het er nog negen maanden tegenaan gemoeten — óp de buik, gedragen, vastgehouden. Want een mens wordt te vroeg geboren. Het brein is nog niet klaar voor de wereld. Dat geldt voor elke baby. De couveuse maakt het scherper. Daar mist het kind de moeder gegarandeerd. Haar huid, haar warmte, het licht dat ineens te fel is. Dat is al traumatisch genoeg voor een baby’tje.
Maar bij een tweeling valt er meer weg. Er waren twee dingen waar het kind op rustte: de ander die er steeds was, en de hand die naar hem reikte. In de couveuse vallen ze allebei weg.
Het eerste valt weg zonder dat het kind iets doet. De ander die er altijd was, is er niet meer. De afstemming is weg. Dit overkomt het kind. Het hoeft niet te bewegen, niet te reiken — het ligt er, en wat negen maanden lang de grond onder zijn bestaan was – de ander – wordt weggehaald. Het wordt alleen gelaten. Niet “er gebeurt iets met mij”, want er is nog geen mij. Maar dieper dan dat: wat er was, is weg. Het wordt alleen gelaten. Verlaten, in de oudste betekenis van het woord.
Het tweede gebeurt op het moment dat het kind wél beweegt. De hand reikt — en vindt niets. Negen maanden lang werd die hand beantwoord. Waar hij naartoe ging, daar was iemand. Nu reikt hij, en er is niets. Plexiglas. Felle lampen. Handen die verzorgen, maar niet de handen van de ander die er altijd was. De allereerste keer dat een hand reikt en leeg terugkomt.
Twee afdrukken, op dezelfde plek, in dezelfde minuten, en toch niet hetzelfde.
De ene zegt: laat niemand te dichtbij komen, want wie dichtbij komt, wordt weggehaald.
De andere zegt: reik niet, want je hand komt leeg terug.
En ze worden later op verschillende momenten herhaald.
De eerste wordt wakker als iemand dichtbij komt en blíjft — dan spant het lichaam zich, want dichtbij betekent: dit kan me weggaan.
De tweede wordt wakker op het moment dat het kind zelf beweegt. Zelf de hand uitsteekt.
Niemand onthoudt dit. Niet als herinnering. Het deel van het brein dat van wat er gebeurt een verhaal maakt — iets wat je later kunt navertellen — werkt nog niet. Dat komt pas rond het tweede jaar. Maar het lichaam onthoudt op een andere manier. Niet in verhalen. Wel in ervaringen. In een weten zonder woorden, dat er al is voordat er woorden zijn.
Het is geen herinnering die je ophaalt. Het is iets wat je lichaam doet, vanzelf, zonder dat je het vraagt. En er zijn er twee. Twee afdrukken, gemaakt voordat er iemand is om ze te zien, bewaart in de cellen van het lichaam.
Er gaan jaren voorbij. En dan, rond het negende jaar, gebeurt er iets wat nieuw lijkt, maar de vorm heeft van iets heel ouds. Het kind wordt voor de tweede keer geboren. Niet lichamelijk. Maar er komt iets ter wereld: wie het is. Het kind ontwikkelt zijn identiteit.
Voor het eerst krijgt het kind een Zelf dat het kan zien. Het is niet langer alleen maar zichzelf — het kan naar zichzelf kijken, zich vergelijken, zich spiegelen aan een ander. Susan Harter heeft beschreven hoe het zelfbeeld in die jaren omslaat. Eerst is het een handvol losse eigenschappen. Dan wordt het een geheel, een samenhangend Ik. En dat geheel ontstaat niet in het kind alleen. Het ontstaat in de spiegel van de ander. Spiegelbeelden, zou je kunnen zeggen. Er komt een Zelf ter wereld. Een tweede geboorte.
En een tweede geboorte maakt de eerste weer wakker. Zo werkt dat ervaringsgeheugen onder de taal. Niet de gebeurtenis opent de oude afdruk — die ligt te diep, daar komen geen woorden. Wat de afdruk opent, is de vórm. Een ervaring die genoeg lijkt op de allereerste, draait de oude sleutel om. En wat lijkt er meer op een geboorte dan een tweede geboorte? Opnieuw komt een Zelf ter wereld. Opnieuw reikt het naar een ander om zich te zien. Opnieuw hangt alles af van die ene vraag: beantwoordt de ander (nu de leeftijdsgenootjes) de hand? De tweede geboorte is de sleutel die op het eerste slot past. En dat slot kan opengaan om te helen. Of om zich te herhalen.
Ditzelfde baby’tje, een meisje, heeft op haar negende een lieve vriendin. Maar de vriendin verhuist. En ze gaan ook nog met ruzie uit elkaar. Van buiten lijkt het klein — kinderen verliezen vriendinnen, daar word je groot van. Maar er gebeuren twee dingen tegelijk. Precies de twee die in de couveuse hun afdruk achterlieten.
Het eerste: de vriendin, een spiegelbeeld, die er was, valt weg. Een nabijheid die bestond, verdwijnt. Het kind kan er niets aan doen — het overkomt haar, net als toen. De spiegel breekt op het moment dat het beeld erin net begon te staan. Dat is wat een ander je aandoet.
Het tweede maakt het kind zelf — of beter: maakt het juist niet meer. Ze had naar deze vriendin gereikt, met haar pas geboren Zelf, om gezien te worden. En haar hand kwam leeg terug. Dat heeft een gevolg. De volgende keer dat er een nieuwe vriendin in zicht komt, trekt de hand zich terug nog voor hij uitgaat. Dat is niet de verlating. Dat is de onbeantwoorde hand. Het ene gaat over wat een ander jou aandoet. Het andere over wat je jezelf niet meer durft toe te staan.
En de negende is niet de enige keer. Want in de puberteit komt er weer een herkansing, rond het dertiende jaar.
Wat er rond dertien gebeurt, heeft een naam, en die naam doet het werk. Peter Blos noemde de puberteit het tweede losmaken — de tweede keer in een mensenleven dat een kind zich losmaakt. Hij zag de puberteit als een opnieuw onderhandelen over de afstand tot de ouders. Een tweede keer weggaan bij degenen aan wie je vastzat. En kijk wat dat betekent voor dit ene kind. De tweede geboorte op negen was de geboorte van een Zelf dat gezien wil worden. Het tweede losmaken op dertien is iets anders. Het is een herhaling van precies de beweging die in de couveuse misging: loslaten van degene aan wie je gehecht bent, en reiken naar een nieuwe ander.
In de couveuse was die beweging een ramp. De puberteit maakt er een opdracht van. Wat het kind toen overkwam, wordt nu van haar geëist.
Er verschuift iets wat dertien gevaarlijker maakt dan negen. De hechting zelf verhuist. Tot dan toe droegen de ouders het gewicht. Nu schuift dat gewicht naar de leeftijdgenoot. Naar de beste vriend. Naar de eerste die geen ouder is en toch alles draagt. Dus de hand die op dertien reikt, reikt niet meer alleen om gezien te worden, zoals op negen. Ze reikt met de hechting zelf. Komt die hand leeg terug, dan is het niet “ik word niet gezien”. Het is: ik heb de veilige ander losgelaten om naar jou te reiken, en jij bent er niet. Dat is de couveuse, exact. Alleen heeft het kind dit keer zelf de oude hand losgelaten om de nieuwe te grijpen. Dubbel onbeschermd. Of – dat kan ook – het kind durft de ouderhand niet los te laten, na de ervaring van de couveuse én de ervaring van de gebroken spiegel.
Er gebeurt nog iets, in het puberbrein zelf. In die jaren wordt het opnieuw verbouwd. Juist het deel dat met anderen omgaat, wordt overgevoelig — voor erbij horen, en voor buitengesloten worden. Voor het eerst is het kind zo gebouwd dat afwijzing voelt alsof haar bestaan ervan afhangt. En precies op dat lichaam slaat de oude afdruk nu neer: reiken loopt uit op leegte, nabijheid wordt weggehaald. De wond en het orgaan dat haar voelt, vinden elkaar op dertien voor het eerst helemaal.
Een gezonde puberteit vraagt dat je reikt naar leeftijdgenoten. Dat je de afwijzing juist riskeert. Zo maak je je los, zo word je iemand. Maar dat reiken is precies het ene gebaar dat dit lichaam heeft onthouden als levensgevaarlijk. De opdracht eist de beweging die het kind niet kan maken. En dan kan het twee kanten op, en allebei kosten ze. Het reikt — en de wond gaat weer open. Of het reikt niet — en dan stokt het losmaken zelf. Dat laatste zag Blos scherp. Waar het losmaken niet lukt, lukt het opgroeien niet, en dat zie je terug: vastlopen, doelloosheid, je terugtrekken. Wat wij bij een dertienjarige “een fase” noemen — het zich opsluiten, het wegtrekken uit de groep — is voor dit kind geen rebellie en geen fase. Het is de couveusehouding, op dertienjarige leeftijd. De hand niet uitsteken. Niemand binnenlaten. Dicht. De enige veilige uitkomst van een opdracht die het onveilige eist.
En zo gaat het door. Elke keer dat het oude wordt wakker gemaakt doordat iets nieuws erop lijkt, is er weer een drempel die twee kanten op kan: opnieuw de wond, of voor het eerst de heling. De eerste verliefdheid. Het eerste kind. De eerste baan. Telkens dezelfde beweging: een mens die zich uitstrekt naar een ander, en afhankelijk is van het antwoord. En dus telkens allebei de gevaren tegelijk — de nabijheid die kan worden weggehaald, en de hand die leeg kan terugkomen. Stuk voor stuk herhalingen. En stuk voor stuk ook herkansingen. Kansen om het deze keer anders te laten aflopen.
Negen, dertien, de eerste liefde, het eerste kind, de eerste baan — het is geen rijtje leeftijden waarop hetzelfde nog eens gebeurt. Dertien is het punt waarop de herkansing van aard verandert. Tot negen ging het om gezien worden. Vanaf dertien gaat het om de hechting zelf — om loslaten en opnieuw vastpakken. En daarmee neemt de herkansing op dertien voor het eerst exact de vorm aan van de oorspronkelijke wond. Niet langer een echo ervan, maar de wond zelf, opnieuw. De eerste liefde die daarna komt is dan geen nieuwe drempel. Het is de volgende trede van diezelfde trap. Reiken met nóg meer van jezelf — dit keer ook met je lichaam, met verlangen. De meest blootgestelde hand tot dan toe.
Zolang je niet weet wat er bij je geboorte is gebeurd, wordt elke herkansing een nieuwe verwonding. Zonder dat iemand het doorheeft. Want een echte herkansing zou vragen dat je wéét wat je overdoet. Dat je de eerste keer ernaast kunt leggen en kunt denken: dit heb ik overleefd, dus nu ook. Maar de eerste keer heeft geen beeld om naast te leggen. Ze heeft geen taal. Alleen een ervaring. Dus de nieuwe drempel voelt niet als “weer”. Hij voelt als “voor het eerst” — vers, totaal, niet te overleven.
Kazimierz Dąbrowski noemde zo’n uiteenvallen een desintegratie. En hij hield vol dat het pas groei wordt als het zich daarna op een hoger niveau weer kan samenvoegen. Maar samenvoegen kan alleen wat je kunt bereiken met je bewustzijn. Wat onder de taal ligt, kun je niet afmaken. Dus het valt uiteen en blijft uiteen. Niet als groei. Maar als een breuk die telkens weer opengaat en zich nooit sluit — omdat hij nooit verbonden raakt met de plek waar hij begon. Daarom helpt werken aan het verhaal van de vriendin maar tot op zekere hoogte. Het alarm is nooit door dat verhaal aangezet, maar dus veel eerder
Dan is er het antwoord van het kind. Het kind dat samen in de buik groeide, en alleen kwam te liggen achter glas.
Eenzaamheid is de enige plek waar het al eens is geweest en levend is teruggekomen. Het lichaam weet dat. Hier ben ik geweest, en ik heb het overleefd. Alles wat daarbuiten ligt, is onbekend. En onbekend betekent: misschien overleef ik het niet.
Maar “gekozen” is het verkeerde woord. “Besluit” ook. Er is geen moment waarop het kind iets afweegt en kiest. De eenzaamheid is gewoon wat overblijft, als alle andere deuren als gevaarlijk zijn gemarkeerd.
Het zijn er twee die dichtgaan, niet één. Wie alleen blijft, houdt twee dingen buiten tegelijk. Hij laat niemand zo dichtbij komen dat het iets kost als die weer weggaat. Dat is het eerste. En hij steekt zijn hand niet uit, want een hand die niet reikt, kan niet leeg terugkomen. Dat is het tweede. Eenzaamheid is dus geen lege toestand. Het is een houding. Niemand binnenlaten, en de hand ingetrokken houden. Twee gevaren, in één beweging dichtgemetseld.
Daar zit ook waarom die eenzaamheid zo moeilijk te doorbreken is. Een muur die maar één ding tegenhoudt, kun je nog omzeilen. Maar deze houdt allebei tegen: wat een ander jou kan aandoen, én wat je jezelf niet meer durft toe te staan. Het is niet de eenzaamheid die het kind wíl. Het is de eenzaamheid die overblijft als reiken én binnenlaten allebei gevaarlijk zijn geworden.
En daarom is alleen blijven minder erg dan de twee andere dingen. Minder erg dan je hand uitsteken en niemand vinden. Minder erg dan iemand dichtbij laten komen die weer weggaat. Niet omdat het zo voelt. Maar letterlijk: het is de enige plek waar geen van beide wonden opnieuw kan opengaan.
Er is nog één reden waarom deze wond zo hardnekkig is, en die heeft niets met het brein te maken. Hij wordt bijna nooit benoemd. Hij staat niet in het familieverhaal. Het familieverhaal zegt: het waren twee gezonde baby’s, ze hebben even in de couveuse gelegen, het is goed gekomen. En wat niet gezegd wordt, daar kan niet om gerouwd worden. Wat niet gerouwd kan worden, verdwijnt niet. Het zakt naar onderen en ordent vandaaruit een heel leven — een eenzaamheid die niemand, ook zijzelf niet, kan terugbrengen naar waar ze begon.
Waar de heling dan ligt? Ik vermoed: niet waar je haar zoekt.
Niet in het vullen van de eenzaamheid — dat is juist de beweging die het lichaam als gevaar kent.
Niet in het afleren van het terugtrekken, alsof het een gewoonte is die eruit moet — want dat terugtrekken is geen gebrek, het is een afsluiting met een reden.
En ook niet in het verwerken van de vriendin die verhuisde — want daar is het alarm nooit aangezet.
De weg loopt langs erkennen. En erkennen begint vaak juist met inzicht — met taal geven aan wat al die jaren werd gevoeld maar nooit een naam had. Niet een verklaring die in je hoofd blijft hangen. Maar het woord dat eindelijk op de ervaring valt, en haar daarmee echt maakt. Dát is het: dat iemand benoemt wat er was, en dat het lichaam het herkent.
De eerste ander een plek geven. Niet de moeder, maar degene die er was en wegviel. En dan niet als een verklaring van een afstand, maar als iets wat binnenkomt waar de wond zit. Onder de taal, en toch met taal bereikt. Want dat is wat erkenning doet: ze legt het woord op het ervaring, en op dat moment raken de twee elkaar — wat je weet en wat je voelt, het verhaal en het lichaam.
De verbinding die er nooit kwam, alsnog gelegd. En naar twee kanten tegelijk: naar wat werd weggehaald, en naar de hand die leeg terugkwam.
En dan is de vraag niet óf het terugkomt. Het komt terug. Telkens. Want elke drempel die nog wacht — een liefde, een kind, een nieuw begin — is opnieuw een mens die zich uitstrekt naar een ander. En dus opnieuw allebei de gevaren. De vraag is of er deze keer, vóór de hand uitgaat en vóór de ander te dichtbij komt, iemand is die benoemt wat daar al die jaren heeft gewacht. In tweevoud. Dat er ooit iemand was. Dat die werd weggehaald. En dat de hand sindsdien niet meer durft.
En dan is die nieuwe ervaring een herkansing, een mogelijkheid om die blauwdruk van toen te herschrijven!
We hebben het in dit verhaal nog niet gehad over hoe de relatie tussen de tweeling is als ze dit allebei hebben meegemaakt: scheiding na de geboorte voor kortere of langere tijd. Lees verder: Een onderbroken samen

