De hand die streelt
Er is een oefening die ik stellen soms geef en die er onschuldig uitziet. Ga naast elkaar zitten. Eén van jullie legt een hand op de rug van de ander, of op een arm, of in de nek. Verder niets. Tien minuten.
Bijna altijd gebeurt hetzelfde. Degene die ontvangt houdt het ongeveer anderhalve minuut vol. Dan begint hij te praten. Of hij verschuift. Of — en dit is het vaakst — hij legt zijn eigen hand op de hand van de ander en begint terug te strelen.
Niemand merkt dat op. Het gaat vanzelf, het ziet er lief uit, en het is het einde van de oefening. Want vanaf dat moment wordt er weer gegeven, en het geven was nooit het probleem.
Een station dat wordt overgeslagen
Wibe Veenbaas en Piet Weisfelt hebben in de contactcirkel de opbouw van contact beschreven, en ik gebruik die cirkel al jaren. Je maakt contact, je hecht je, je wordt intiem, en pas daarna komt de seksualiteit. Intimiteit is de handen plat op elkaar, huid op huid, zonder maskers op de grens.
Wat ik in mijn praktijk zie, is dat stellen die vastlopen bijna altijd praten over de laatste stap, terwijl er iets is misgegaan bij de stap ervóór. Ze proberen op te lossen in bed wat een station eerder is blijven liggen, en dat werkt niet. Vrijen heeft een vorm: een begin, een verloop, een einde, iets om te doen. Precies daardoor is het uitvoerbaar terwijl je je verbergt. Ik ken mensen die met iedereen naar bed kunnen en met niemand kunnen stilzitten.
Voor intimiteit bestaat die uitweg niet. Er is geen script, geen einde waarop je kunt aansturen, en er valt niets te presteren. Hardop zeggen wat je werkelijk denkt, of tien minuten tegen iemand aan liggen zonder dat het ergens toe leidt — daar is niets te dóén. Er wordt alleen iets van je ontvangen gevraagd.
En daar zit het hele probleem. Dit stuk gaat over die stap

Ontvangen is zwaarder dan geven
Bert Hellinger heeft daar iets over gezien wat in de gewone psychologie meestal wordt overgeslagen. Wie geeft, staat in de hogere positie. Hij heeft iets over, hij is degene bij wie het vandaan komt, hij hoeft niets terug. Wie neemt, komt in het krijt te staan en aanvaardt daarmee de lagere plaats. Nemen kost meer dan geven, altijd.
De eerste keer dat een mens dat moet leren is bij zijn moeder. Ontvangen wat er komt, in de vorm waarin het komt, zonder er iets voor te hoeven doen. Dat lukt niet elk kind. Sommigen kregen te weinig en hebben geleerd hun behoefte weg te leggen voordat die zichtbaar werd. Anderen kregen te veel, of iets anders dan waar ze om vroegen, en hebben geleerd dat wat er binnenkomt niet klopt met wat ze nodig hadden. In beide gevallen is de beweging naar de gever toe niet voltooid, en de kindertijd geeft geen tweede kans.
Zo iemand wordt vaak een uitstekende partner. Attent, betrokken, iemand die aanvoelt wat de ander nodig heeft voordat die het zelf weet. En diezelfde persoon kan geen half uur gestreeld worden. Niet omdat het onaangenaam is — het is vaak juist heerlijk — maar omdat het hem weghaalt uit de positie waarin hij zijn bestaansrecht heeft ondergebracht. Zolang hij geeft, hoort hij erbij. Als hij alleen maar ontvangt, is er niets meer dat hem verantwoordt.
Daarom is ‘ik hoef niks’ een van de meest misleidende zinnen die er in relaties gezegd worden. Hij klinkt als bescheidenheid. Hij is een positiekeuze, en hij is oud.
Waarom stilliggen onder een hand onverdraaglijk kan zijn
Er is nog een reden, en die zit in het lichaam zelf.
In de behaarde huid — niet in de handpalmen — ligt een apart type zenuwvezel dat uitsluitend reageert op langzame, zachte streling. Ongeveer drie centimeter per seconde, bij lichaamstemperatuur. Sneller werkt niet, harder werkt niet. Die vezels gaan niet naar het hersengebied waar je registreert wát je voelt, maar naar de insula, waar je registreert wat het betékent. Er bestaat dus een aparte bedrading in ons lijf met maar één functie: het signaal dat je bij iemand hoort.
Dat systeem heeft alleen een vertaler nodig. De insula is namelijk ook de plaats waar je je eigen binnenkant waarneemt — je hartslag, je adem, je spanning, het onderscheid tussen verdriet en vermoeidheid. Die kaart wordt niet aangeboren geleverd. Peter Fonagy heeft laten zien hoe hij ontstaat: een kind leert zijn eigen toestanden kennen doordat een volwassene ze teruggeeft in een vorm die herkenbaar is maar duidelijk niet die van de volwassene zelf. Een moeder die het verdriet van haar kind op haar gezicht laat zien, net anders genoeg zodat het kind begrijpt dat dit over hém gaat. Zo krijgt een gevoel een naam en een plaats.
Gebeurt dat niet, dan blijft de toestand ongevormd. En dan komt de aanraking wel binnen, maar zonder betekenis: er ontstaat activatie, iets dat omhoogkomt, en er is geen woord voor. Een lichaam dat opwinding aantreft die het niet kan duiden, taxeert die als gevaar. Dat is geen redenering, het gaat sneller dan denken.
Dus als iemand zegt dat hij onrustig wordt als hij te lang wordt vastgehouden, is dat letterlijk waar. En als hij zegt dat hij niet weet wat hij voelt, is dat meestal een accurate mededeling en geen ontwijking.
Zeggen wat je denkt, wat je voelt, wat je wilt
We noemen die drie in één adem, alsof het varianten zijn van hetzelfde. Ze verschillen sterk in gevaar, en het is de moeite waard om te weten waar je zelf stopt.
Zeggen wat je denkt legt een oordeel bloot. Je riskeert onenigheid. Veel stellen komen tot hier en niet verder, en bij hen geldt dat als openheid: wij zeggen alles tegen elkaar. Ze zeggen inderdaad alles wat ze vínden.
Zeggen wat je voelt legt een toestand bloot die je niet kunt verdedigen. Er valt niets aan te bewijzen en niets aan te ontkrachten. Wie zegt dat hij zich eenzaam voelt naast iemand, kan door de ander niet weerlegd worden en ook niet gerustgesteld met feiten. Dat is ongemakkelijk voor allebei, en daarom gaat het gesprek meestal snel terug naar het niveau van de meningen.
Zeggen wat je wilt is het zwaarste, en het is het enige dat werkelijk iets in beweging brengt. Een verlangen uitspreken maakt je afhankelijk van het antwoord van de ander. En dat antwoord kan nee zijn.
Bovendien heeft verlangen een geschiedenis. Het is de handeling die in de kindertijd ergens mee beantwoord is: met irritatie, met spot, met overdaad, met een blik die zei dat je te veel was, of met niets. Wat daar gebeurde is opgeslagen als lichamelijk weten, zonder verhaal eromheen, en het gaat af bij elke nieuwe poging. Vandaar dat mensen die uitstekend over hun jeugd kunnen vertellen, alsnog vastlopen op de zin: ik zou willen dat je me even vasthoudt.
Er is een veilige variant, en die zie ik dagelijks. Je maakt van je verlangen een opdracht. ‘Je zou ook weleens wat vaker kunnen —’ Een opdracht kan geweigerd worden zonder dat jíj bent afgewezen. Er is niets van jou zichtbaar geworden. Dat is de reden dat vrouwen aanwijzingen geven waar ze een wens bedoelen, en het is meteen ook de reden dat mannen die aanwijzing horen als kritiek in plaats van als uitnodiging. Er wordt over iets anders gesproken dan wat er aan de hand is.
Waarom intimiteit het eerste is dat wegvalt
Boodschappen doen kan terwijl je op je hoede bent. Een vakantie plannen, ruziemaken, elkaar troosten, zelfs een goed gesprek voeren — het kan allemaal met het alarm aan. Openen kan dat niet.
Stephen Porges heeft het begrip neuroceptie ingevoerd voor de onafgebroken veiligheidstaxatie die ons zenuwstelsel maakt, buiten ons bewustzijn om. Het lichaam beslist vóór jij het weet of de situatie veilig is, op grond van signalen die niemand actief waarneemt: de spanning rond de ogen van de ander, de klank onder een zin, een ademhaling die stokt. Pas als die taxatie ‘veilig’ luidt, komt het systeem online dat toenadering, oogcontact en een zachte stem mogelijk maakt.
En dan het deel dat veel verklaart. Nabijheid vraagt onbeweeglijkheid. Je moet stil kunnen liggen in iemands armen, en dat is voor een zoogdier geen neutrale toestand. Onbeweeglijkheid is van huis uit een doodsreactie — het ineenzakken, het gevoelloos worden, de bevriezing die een prooidier redt door het te laten opgeven voordat het pijn doet. Porges laat zien dat oxytocine dat circuit tijdelijk kan ontwapenen. Precies daardoor is het mogelijk om stil en overgegeven bij iemand te liggen zonder in doodsangst te schieten. Het is dezelfde bedrading, met een andere betekenis.
Probeer maar eens je stil door het water te laten dragen. Je ligt op je rug met je armen gespreid en je benen uit elkaar, roerloos, gedragen door de golven.
Overgave leent dus het circuit van de bevriezing. En zodra de veiligheid ook maar een beetje zakt, valt dat circuit terug op zijn oorspronkelijke functie: verdoving, afwezigheid, een lichaam dat wel meedoet en er niet is.
Dat is wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze niets voelden. Er is geen gebrek aan liefde. Er is een systeem dat is teruggekeerd naar zijn standaardbetekenis.
Hieruit volgt waarom nabijheid als eerste verdwijnt als het moeilijk wordt — in een gezin, op het werk, in een lichaam. Niet omdat het het minst belangrijk is. Omdat het het meest voorwaardelijk is: het is het enige onderdeel van een relatie dat zich niet laat uitvoeren met het alarm aan.
Gezien worden is gevaarlijk
Er zit nog iets onder, en dat gaat niet over het lichaam maar over wat er met je gebeurt zodra iemand echt naar je kijkt.
Jean-Paul Sartre heeft dat scherper beschreven dan wie ook. Op het moment dat een ander mij aankijkt, word ik iets in zijn wereld. Ik ben niet langer alleen degene die kijkt, ik ben ook wat er gezien wordt: mijn houding, mijn gezicht, de manier waarop ik daar zit. Ik heb er geen zeggenschap meer over. En tegelijk verlang ik er hevig naar, want zonder die blik ben ik nergens werkelijk aanwezig. Sartre houdt die twee bij elkaar zonder ze op te lossen.
Zo werkt het ook thuis. Je wilt gezien worden, en gezien worden betekent dat de ander iets van je vaststelt waar jij niet bij kunt. Daarom is de meest gebruikelijke manier om intimiteit te vermijden niet weglopen maar sturen: je laat een versie van jezelf zien die je zelf hebt samengesteld. Openheid over je verleden, over je fouten, zelfs over je pijn, kan uitstekend dienstdoen als regie. Wat een ander over je te weten komt zonder dat jij het hebt aangereikt, is van een andere orde. De manier waarop je aan tafel zit als je moe bent. Wat er in je gezicht gebeurt als de telefoon gaat. Dat is niet te doseren.
Daar tegenover staat een tweede beweging die precies zo lastig is: de ander werkelijk kennen. Emmanuel Levinas heeft zijn leven besteed aan het punt dat een ander mens nooit tot iets kenbaars te herleiden valt. Er blijft altijd iets dat zich onttrekt, en dat is geen tekort in mijn informatie maar de aard van de zaak. Wie zijn partner na twintig jaar kent, weet vooral wat die partner in bekende omstandigheden doet. Het gevoel dat er niets meer te ontdekken valt, is een denkfout, en het is de denkfout waaraan lange relaties bezwijken.
En dan het derde, dat de meeste rust geeft. Martin Buber schreef dat elk werkelijk Ik-Jij terugvalt in Ik-Het. Altijd. Je kunt in de ander niet permanent een ‘jij’ blijven zien; op enig moment wordt hij weer degene die de vaatwasser niet heeft uitgeruimd. Buber vond dat geen falen maar het ritme van menselijke betrekkingen. Er zijn dus geen stellen die de hele dag intiem zijn. Er zijn stellen die de terugkeer kennen, en stellen die er niet meer in geloven.
Waarom er niet over gesproken wordt
Het zwijgen wordt meestal uitgelegd als schroom, of als gebrek aan moed. Dat is de bovenkant. Er liggen drie mechanismen onder, en twee ervan hebben met durf niets te maken.
Het eerste is dat er nooit taal is geweest. Wat er tussen twee lichamen gebeurt wordt verwerkt in de rechterhelft van de hersenen: impliciet, zonder verhaalstructuur, in dezelfde vorm waarin een baby leert hoe het is om bij iemand te zijn — via gezicht, stem en aanraking, in een periode waarin het geheugen nog geen zinnen kan maken. Nabijheid is een van de weinige volwassen situaties die precies die toestand herstelt. Erover praten is een opdracht aan de linkerhelft. Je vraagt het talige deel van een mens om iets weer te geven waar het nooit bij aanwezig is geweest.
Daarmee verandert de aard van het zwijgen. Er is geen weigering om te spreken; er is geen representatie om uit te spreken. En dat heeft een praktisch gevolg dat tegen alle intuïtie ingaat: de weg naar het gesprek loopt niet via het gesprek. Hij loopt via ervaring die eerst gemaakt moet worden en pas daarna benoembaar wordt. Naast elkaar gaan zitten om te kunnen praten, in plaats van praten om te mogen naderen.
Het tweede is schaamte, en die werkt anders dan mensen denken. Silvan Tomkins beschreef schaamte niet als een oordeel over jezelf, maar als een affect dat ingrijpt op het moment dat belangstelling of vreugde wordt onderbroken terwijl het object aanwezig blijft. Dat is een exacte beschrijving van wat er gebeurt als toenadering niet beantwoord wordt: de belangstelling staat aan, de ander is er, en de verbinding komt niet tot stand. Het geldt voor de hand die wordt weggelegd. Voor het verhaal dat halverwege wordt afgekapt. Voor de vraag hoe je dag was die met ‘goed’ wordt beantwoord terwijl je allebei weet dat dat niet zo is.
Het beslissende is dat schaamte een vaste lichamelijke uitkomst heeft. Het hoofd zakt, de blik wijkt af, de nek verslapt, de spraak stopt. Het zwijgen is de motorische uitvoer van dat affect. Niemand besluit het, elke keer opnieuw, jarenlang. Het gaat af.
Het derde is het gesprek dat wél gevoerd wordt en niets verplaatst. Stellen zeggen tegen mij dat ze er al zo vaak over gepraat hebben, en ze liegen niet. Fonagy noemt de toestand waarin dat gebeurt de alsof-modus: er worden woorden gebruikt die van binnen nergens aan vastzitten. Beiden zeggen de juiste dingen, het verloopt keurig, en er beweegt niets. De variant ernaast is even herkenbaar: wat ik voel geldt als wat waar is, en dan betekent ‘ik voel me alleen’ hetzelfde als ‘jij laat mij alleen’ en valt er niets meer te onderzoeken. Dat zijn geen gesprekken die stuklopen op slechte communicatie. Het zijn gesprekken waarin de binnenwereld van de ander even niet meer bestaat.
De man en het onbegrensde
Er is een verschil tussen mannen en vrouwen dat op dit terrein voortdurend voor misverstand zorgt, en het gaat niet over behoefte aan nabijheid. Het gaat over de vorm ervan.
Bijna alles waar een man zich toe verhoudt heeft een criterium. Er is een moment waarop iets af is, goed genoeg, gelukt. David Deida beschrijft die gerichtheid op afronding en richting als de kern van de mannelijke beweging. Nabijheid heeft dat criterium niet. Er is geen punt waarop je klaar bent met tegen iemand aan zitten, en geen manier om te weten of het is gelukt. Voor veel mannen voelt dat als een opdracht zonder maat — en een opdracht waarin je niet kunt slagen, ga je vermijden.
Wat een vrouw ervaart als terugtrekking, is dan het ontbreken van een antwoord op de vraag wanneer dit klaar is. Terwijl juist de onbegrensdheid voor haar het wezen ervan uitmaakt: dat het niet ergens toe leidt, is precies wat het tot nabijheid maakt.
Het is geen klein verschil, en het is niet met goede wil te overbruggen. Het helpt wel enorm om het te weten, want dan wordt zijn ‘hoe lang nog?’ hoorbaar als een vraag in plaats van als een afwijzing.
Wat hen daar houdt
En dan is er de vraag waarom het zo blijft. Waarom twee mensen die allebei meer willen, jaren naast elkaar leven zonder dat een van beiden iets zegt.
Het antwoord is meestal ouder dan hun relatie.
Nabijheid is het terrein waar loyaliteit aan het gezin van herkomst het minst zichtbaar en het meest werkzaam is. Een vrouw wier moeder haar hele leven alles alleen heeft gedragen, die nooit heeft kunnen leunen en er trots op was dat ze niemand nodig had, gaat verder dan haar moeder op het moment dat ze zich laat vasthouden. Ze neemt iets aan wat haar moeder nooit heeft gekregen. Dat voelt niet als vooruitgang maar als verraad, en het lichaam weet dat eerder dan het hoofd. Zolang niemand het uitspreekt, hoeft die loyaliteit ook niet opgezegd te worden. Het zwijgen dient dus iets: het beschermt haar plaats in het systeem waar ze vandaan komt. Dat is de reden dat één zin over dit onderwerp zoveel zwaarder weegt dan het onderwerp rechtvaardigt. Er hangt lidmaatschap aan.
Het tweede is concreet en komt vaker voor dan wat ook. Waar een van beiden de ouderpositie inneemt ten opzichte van de ander — corrigeert, vooruitdenkt, herinnert, verzorgt, in de gaten houdt — is ontvangen niet meer mogelijk. Een ouder neemt namelijk niet van een kind. Een ouder geeft. Een vrouw die haar man is gaan bemoederen, kan door hem niet meer vastgehouden worden; ze kan hooguit door hem geleund worden, en dat is iets anders. Hetzelfde geldt voor de man die van zijn vrouw een dochter maakt.
Bemoederen is dus niet alleen irritant. Het maakt de ene helft van de relatie structureel ongeschikt om iets aan te nemen, en daarmee is de nabijheid weg, ongeacht hoeveel er nog wordt gegeven.
De liefde is niet weg, het kanaal is smal
John Welwood heeft het onderscheid gemaakt dat verklaart waarom twee mensen die van elkaar houden elkaar niet kunnen bereiken. De liefde zelf — die onvoorwaardelijke openheid die iedereen in enkele momenten van zijn leven kent — stroomt overvloedig. Ze moet alleen door een kanaal dat gevormd is door alles wat er niet kwam en wat er te vroeg kwam.
Wie dat door elkaar haalt, concludeert dat de liefde weg is. Dat is de conclusie waarop de meeste relaties eindigen, en meestal is het de verkeerde. Het kanaal is smal. Een nieuw kanaal zoeken werkt een tijd, tot dezelfde vernauwing zich opnieuw aandient, met een andere naam ernaast.
Waarom intimiteit geen besluit is, en toch een besluit vraagt
Ik heb geschreven dat werkelijke intimiteit een besluit is, elke keer opnieuw. Dat klopt op één niveau, en op het niveau eronder klopt het niet. Het verschil is belangrijk genoeg om hier recht te zetten.
Je kunt niet besluiten je te openen. Neuroceptie gaat aan je bewustzijn vooraf; een lichaam laat zich niet overreden, ook niet door een goede reden. Wie besluit dat hij zich zal ontspannen en het niet voelt gebeuren, houdt daar geen inzicht aan over maar een bewijs dat er iets mis is met hem. Verlangen laat zich niet oproepen. Vertrouwen laat zich niet afdwingen. Wie dat wel belooft, doet meer kwaad dan een gesloten deur.
Wat wel besloten kan worden is dit. De waarheid zeggen over hoe lang het al zo is. Blijven zitten als de ander begint terug te strelen, en zeggen: ik wil het nu even ontvangen. Een verlangen uitspreken in de vorm van een verlangen, niet in de vorm van een opdracht. Vragen naar iets waarvan je het antwoord niet kent. Tijd vrijmaken op een manier die iets kost. En stil blijven zitten als er niets gebeurt, in plaats van het gesprek te redden met een grap.
Het besluit gaat dus niet over intimiteit. Het gaat over eerlijkheid en over de omstandigheden waaronder een lichaam durft. Wat daarna gebeurt, is niet aan de wil van wie dan ook. Dat is ook precies wat het zo kwetsbaar maakt, en waarom er zoveel op het spel staat als je er iets over zegt.
Wat open blijft
Ik ga dit niet dichtmaken, want het is niet dicht.
Gekend worden en jezelf blijven verdragen elkaar maar tot op zekere hoogte. Hoe meer iemand van je weet, hoe minder ruimte er is voor wie je nog zou kunnen worden; en hoe meer je die ruimte bewaakt, hoe minder er van je te kennen valt. Dat is geen fout in de liefde maar de vorm ervan, en je beweegt er levenslang tussen. Elke tekst die belooft dat je die twee volledig kunt samenbrengen, verkoopt je iets.
Het herstel is bovendien niet symmetrisch. Als één van tweeën zijn hart gesloten houdt, kan de ander dat niet compenseren, en ik zou oneerlijk zijn als ik dat wegliet. Er zijn stellen bij wie dit gesprek het einde inleidt in plaats van de hereniging.
En dan de vraag waar het bij mij mee begon, in andere vorm. Wanneer zijn jullie opgehouden elkaar te naderen?
Bij vrijwel niemand is daar een datum voor. Er is geen avond geweest waarop iemand ophield. Er is een reeks avonden geweest waarop het niet gebeurde, en op geen van die avonden is er iets besloten. Dat is misschien het zwaarste van alles: de afstand is ontstaan zonder dat iemand hem veroorzaakt heeft, en toch staat op elke centimeter ervan de handtekening van jullie allebei.
Dat is geen aanklacht. Het is de reden dat het ook weer kleiner kan worden, en dat het niet vanzelf gaat.
