Eten van een rol – 2
In het eerste artikel over deze tekst Ezechiël 2:8 – 3:3 gaat het over het eten van een boekrol.
Hier vraag ik me af: wat gaat er in de bijbel nog meer door een mond naar binnen dat daar niet thuishoort, en wat kost dat.
Het eerste gebod gaat over eten
Voordat er in de Tora iets anders wordt gezegd tegen de mens, wordt er iets over zijn mond gezegd. Van alle bomen van de hof, etend zul je eten (Genesis 2:16) — een dubbele werkwoordsvorm, אָכֹל תֹּאכֵל, een eten dat zichzelf herhaalt. De eerste relatie tussen God en mens loopt via het verteringskanaal. En de eerste breuk ook. Da’at, kennis, komt de mens binnen door de mond, genomen met de eigen hand: zij nam en zij at (3:6). Daarna wordt de hand het gevaar — dat hij niet zijn hand uitstrekke en neme (3:22).
Ezechiël krijgt precies dat teruggedraaid. Er komt een hand naar hem toe (2:9), niet van hem. De rol wordt uitgestrekt, niet gegrepen. Da’at gaat opnieuw door de mond naar binnen, nu van de andere kant. Wat in Genesis genomen werd, wordt hier gegeven — en het smaakt hetzelfde: zoet.
Bij Jesaja staat de derde beweging. Immanuël zal boter en honing eten, opdat hij wete het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen (7:15). Eten om te weten. Honing weer. De boom van kennis, de honingrol, de honing van het kind: drie keer gaat het onderscheid tussen goed en kwaad door een mond.
Wat er nog meer gegeten wordt dat geen voedsel is
Een tekst die niet zoet is. In Numeri 5 schrijft de priester de vervloekingen op een rol, wist ze uit in water, en de vrouw die van ontrouw verdacht wordt drinkt de opgeloste inkt. Ook hier gaat schrift het lichaam in — maar hier is het niet de profeet die de boodschap wordt, het is de verdachte die de aanklacht moet innemen om te zien wat er gebeurt. Het water heet מי המרים, bitterwater. En de rabbijnse traditie legt de vinger op wat daar werkelijk gebeurt: het is de enige plek waar de Naam mag worden uitgewist, en Hij mag worden uitgewist om vrede te maken tussen een man en een vrouw. God laat zijn Naam oplossen in een beker om een huwelijk te redden. Dat is de tegenhanger van Ezechiëls rol — dezelfde handeling, letters die door een keel gaan, maar met omgekeerd gezag.
Wat je zelf gemaakt hebt. Mozes vermaalt het gouden kalf, strooit het op het water en laat Israël het drinken (Exodus 32:20). Wat je hebt gegoten moet door je heen, tot je weet wat het is. Het beeld verdwijnt niet uit de wereld door vernietiging, het verdwijnt door vertering.
Schuld. In Leviticus 10:17 eten de priesters het zondoffer, om de ongerechtigheid van de vergadering te dragen. Eten en dragen zijn daar hetzelfde woordveld geworden. De schuld van een volk gaat door een priesterlijk lichaam. Dat is geen symbool voor plaatsvervanging, dat is de fysiologie ervan.
Het woord, opnieuw. Jeremia 15:16: Uw woorden werden gevonden en ik at ze op — en dan, in dezelfde adem, zijn bitterste klacht van het hele boek. Openbaring 10 maakt expliciet wat bij Ezechiël verschoven ligt: zoet in de mond, bitter in de buik. Bij Ezechiël staat de bitterheid drie verzen later, en niet in de buik maar in het gaan: ik ging heen, bitter, in de hitte van mijn geest (3:14). Dezelfde bitterheid, alleen verplaatst van het spijsverteringskanaal naar de benen. Hij proeft het niet, hij loopt het. Bij Zacharia 5 keert de rol zich om: die rol wordt niet gegeten maar eet — vliegt een huis binnen en verteert het van binnenuit. Wie de rol niet inneemt, wordt door de rol ingenomen.
Vlees. Johannes 6 is de laatste positie van deze lijn. Het Woord dat vlees geworden is, moet gegeten worden. Ezechiël at inkt op perkament; hier is er geen tekst meer over om te eten.
En dan is er een hele reeks eten dat níet voedt: de magere koeien in Genesis 41 die de vette opeten zonder dat er iets aan hen te zien is, brood van tranen (Psalm 42:4), as als brood (Psalm 102:10), geld uitgeven aan wat geen brood is (Jesaja 55:2), en de honger die geen honger naar brood is maar naar het horen van woorden (Amos 8:11). Honing komt terug bij Simson, uit het kadaver van de leeuw — zoetheid uit een onrein lijk, en het antwoord op zijn raadsel is dat de eter voedsel voortbracht. Jonathan eet honing en zijn ogen gaan open (1 Samuël 14:27), zoals bij het eerste eten in de hof, en het kost hem bijna zijn leven.
De tweede maaltijd van Ezechiël
Wat zelden gelezen wordt naast de boekrol is dat Ezechiël in hetzelfde visioen een tweede keer moet eten. In hoofdstuk 4 krijgt hij brood van tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt, afgewogen in twintig sikkel per dag, gebakken op menselijke uitwerpselen — waarop hij protesteert en verzachting krijgt. Dat is dezelfde man, drie hoofdstukken verder. De rol stond vol klaagliederen, en die klaagliederen komen nu terug op zijn bord.
Hij verkondigt de ballingschap niet. Hij eet haar rantsoen. En hij ligt erbij, op zijn linkerzij, 390 dagen.
390
Als getal komt het in de Bijbel alleen hier voor: Ezechiël 4:5 en 4:9. Een dag voor een jaar, voor de ongerechtigheid van het huis Israël; daarna veertig dagen op de rechterzij voor Juda. De klassieke commentaren rekenen de 390 terug naar de jaren van afgodendienst van het noordelijke rijk, en die sommen kloppen nooit helemaal — de Septuaginta heeft op deze plaats trouwens 190. Het getal was al ter discussie voordat er commentaar op bestond.
390 is de getalswaarde van hemel. Ezechiël 1 opent met de hemelen werden geopend. Drie hoofdstukken later ligt de profeet op de grond en telt hij die hemel uit in dagen op zijn zij. Wat boven openging, wordt beneden afgemeten in een lichaam. De linkerzij is in de Hebreeuwse oriëntatie het noorden — het noordelijke rijk — en tegelijk de zijde van gevoerá, van beperking en oordeel. Hij draagt de hemel aan de kant van het gericht.
Het getal valt uiteen op drie manieren die elkaar niet uitsluiten.
* 390 = 13 × 30. Dertien maanden van dertig dagen: precies één volledig schrikkeljaar. In het Hebreeuws heet zo’n jaar: een zwanger jaar. Ezechiël ligt exact één zwangerschap lang op zijn zij. Daarna komt er veertig bij — het getal van de vorming — en dan is het 430, de jaren van Egypte (Exodus 12:40) en de getalswaarde van ziel. De hele ballingschap gemeten als de draagtijd van één ziel. Ballingschap en zwangerschap tellen hetzelfde getal.
* 390 = 3 × 130. En 130 is: de ladder van Jakob; van Sinai, van oog en bron. De hemel als drie ladders. Wat in Bethel omhoog en omlaag ging en op Sinai neerdaalde, ligt hier drievoudig uitgeteld naast een man op de aarde.
* 390 = 26 × 15. 26 is de Naam voltallig, JHWH. 15 is JH, de helft ervan — de Naam zoals hij in ballingschap heet, met de tweede helft ervan losgeraakt. De hemel als de volle Naam vermenigvuldigd met de gebroken Naam. Zolang die twee niet samenvallen loopt de rekening door.
Wat blijft staan is dat het getal van de hemel het getal van de schuld is. Niet als straf van bovenaf, maar omdat er blijkbaar precies zoveel hemel is als er te dragen valt, en die hemel wordt afgemeten op een linkerzij, in een brood van zes graansoorten, in twintig sikkel per dag. De rol was zoet omdat hij de hemel bevatte. Ezechiël moest hem eten omdat hemel op geen andere manier in een mens komt.
En dan de rabijnen
Rasji rekent.
Hij telt de 390 als de jaren van zonde van het noordelijke rijk, van de scheuring tot de val van Samaria, en de 40 als de jaren van Juda’s zonde vanaf Josia’s hervorming. Twee schuldrekeningen, apart bijgehouden, met verschillende looptijd. Wat je daarmee kunt is niet gering: het legt vast dat schuld cumuleert per systeem, niet per persoon, en dat een systeem dat zichzelf herstelde (Josia) daarmee niet de rekening van vóór die tijd wegstreepte. Erkennen wat er is: de rekening blijft staan tot ze is uitgeteld.
Radak leest vooruit in plaats van terug. Voor hem zijn de 390 dagen geen historische optelsom maar de duur van de ballingschap zelf, en dan wordt het getal ineens een prognose die klopt noch niet klopt: van 586 tot de terugkeer onder Kores zijn het er geen 390. Hij worstelt daarmee zichtbaar. Die worsteling is zelf de mededeling — het getal weigert een sluitende geschiedenis op te leveren.
Abarbanel stelt de vraag: waarom moet een mens dit met zijn lijf doen als het ook gezegd kan worden? Zijn antwoord is dat de ballingen niet luisterden. Woorden waren op. Wat overblijft als het spreken niet meer aankomt, is een handeling die je moet passeren op straat.
De Talmoed zoekt liever de omkering. In Sanhedrin 39a staat een discussie over deze verzen waarin gerekend wordt met wat één dag op één zij eigenlijk verrekent, en het loopt uit op de vraag hoeveel een rechtvaardige kan dragen voor anderen. Daar wordt het teken plaatsvervanging.
Wat de rabbijnen met de vraag naar bruikbaarheid doen is haar verplaatsen naar de leerbank. Ezechiël 1 en 4 vallen onder wat je niet alleen bestudeert: het wordt niet onderwezen aan één, tenzij hij wijs is en uit zichzelf begrijpt (Chagiga 2:1), en dan nog alleen de hoofdstukken, niet het geheel.
En de mededeling die daaronder ligt: er zijn teksten waarvan het enige juiste gebruik is dat je zorgt dat ze blijven bestaan tot iemand ze nodig heeft. Bij Ezechiël is dat geen tussenoplossing. Het volk dat vroeg wat het ermee moest kreeg te horen dat ze het pas zouden begrijpen wanneer het gebeurde — en daarvoor moest de tekst er nog zijn. Dertig jaar bewaren, vijfentwintighonderd jaar bewaren, driehonderd kruiken olie. Wat je met een boekrol kunt is haar in leven houden tot het moment dat ze gegeten kan worden.
Kortom: Het horen begint niet bij het oor. Er staat in Ezechiël dat de adem in hem kwam en hem op zijn voeten zette, en dat hij toen pas hoorde wat er tot hem gesproken werd. Eerst het lijf rechtop, dan de stem. Zolang hij op zijn gezicht lag was er niets te verstaan, niet omdat er niets gezegd werd, maar omdat er nog niemand stond om het aan te zeggen. Wie oren heeft, hoort dus met meer dan zijn oren — met een houding, met een ademhaling, met een buik die al gevuld is voordat er iets aankomt. En wat er dan hoorbaar wordt, komt hem tegemoet vanuit precies de plek waar het is gaan zitten.
