Eet deze boekrol
Over kennis die belichaamd moet worden
(Ezechiël 2:8 – 3:3)
Het begint met een leeftijd. “In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van de maand, terwijl ik te midden van de ballingschap was aan de rivier de Kebar” — zo opent het boek. Dertig. Voor iedere lezer van toen was dat geen datum maar een ambt: dertig is de leeftijd waarop een priester in dienst treedt. Zo staat het in Numeri 4. Vóór dertig draag je niets; vanaf dertig sta je bij het altaar.
En in het derde vers staat wie hier dertig wordt: Ezechiël, de priester, de zoon van Buzi. Een priester die precies op tijd is, en die op het uur van zijn aantreden vaststelt dat er geen tempel is waar hij naar toe kan lopen. Geen altaar, geen brandoffer, geen dienst. Hij zit bij een irrigatiekanaal in Babylonië, in een gedeporteerde gemeenschap, en het enige wat op tijd is gekomen, is hijzelf.
Wat er dan gebeurt is een aanstelling. Er wordt hem iets aangereikt om te eten. Wie de priesterwetten kent, weet wat dat is: de priester eet zijn deel van wat geofferd is. Dat is geen bijkomstigheid van de dienst, dat is de dienst. Het spijsoffer wordt niet volledig verbrand; wat overblijft eten Aäron en zijn zonen, op een heilige plaats. Zo komt het offer aan. Zo wordt de gave voltooid: door een priesterlijk lichaam heen.
Ezechiël krijgt zijn portie uitgereikt. Er is alleen geen altaar meer waar ze vanaf komt, en er is geen heilige plaats om ze te eten. Dus wordt hij die plaats.
Van oor naar mond, in één vers
Het begint met horen. En jij, mensenkind, hoor wat Ik tot je spreek. Dat is het eerste van de zes verzen, en het is het vertrouwde bevel — sjema, het woord waarmee Israël elke dag begint en waarmee het hele Deuteronomium zijn toon zet. Hoor, Israël.
Vier zinsdelen verder is het orgaan een ander. Open je mond en eet wat Ik je geef. Binnen één vers verplaatst zich wat er van hem gevraagd wordt van het oor naar de mond, en dat is geen nuance. Het oor is passief en kent geen sluitspier; je kunt niet besluiten iets niet te horen. De mond gaat alleen open door een handeling van de eigenaar.
Wat ertussen staat verklaart de verplaatsing. Wees niet weerspannig zoals dit weerspannig huis. Het is het woord dat in dit hoofdstuk zes keer valt, meri, en het staat precies op de scharnier: horen aan de ene kant, mond aan de andere, en in het midden de mededeling dat er een manier is om te horen die nog steeds weerspannig is. Het huis heeft namelijk gehoord. Twee verzen eerder staat dat ze het zullen weten, of ze nu luisteren of niet. Het gehoor is nooit het probleem geweest.
Dus wordt het bevel opgeschoven naar een orgaan dat kan weigeren. Meri betekent hier: horen en dichtblijven. En de enige manier om in dit vers níet weerspannig te zijn, is opengaan. Ongehoorzaamheid heeft de vorm van een gesloten mond.
Ook: de mond doet twee dingen die elkaar uitsluiten. Wie eet, spreekt niet. Een profeet is bij uitstek een mond — in Exodus 4 heet Aäron letterlijk de mond van Mozes, en Jeremia krijgt de woorden in de zijne gelegd — maar hier wordt hetzelfde orgaan eerst als ingang gevorderd. Voordat er iets uit mag, moet er iets in, en het is dezelfde opening.
In hetzelfde hoofdstuk waar het huis Israël niet wil luisteren, wordt de profeet niet gevraagd beter te luisteren dan zij. Hem wordt gevraagd zijn mond open te doen. Wat de anderen met hun oren hadden kunnen doen en niet deden, moet hij met zijn keel.
Wat ‘open je mond’ hier betekent
“Open je mond en eet wat Ik je geef.”
In het Nederlands klinkt dat als een moeder met een lepel. Het Hebreeuws gebruikt hier niet het gewone woord voor openen. Er staat: opensplijten, wijd opengaan, gapen. Dat woord komt op twee plaatsen in de Tora voor die je niet meer vergeet als je ze eenmaal gezien hebt.
In Numeri 16 opent de aarde haar mond en verzwelgt Korach en alles wat van hem is.
En in Rechters 11 zegt Jefta, als zijn dochter hem tegemoet danst: ik heb mijn mond geopend tot de HEER, en ik kan niet terug.
Met ander woorden: het is de opening die zich niet meer laat sluiten. De gaping waaruit niets terugkomt. God vraagt Ezechiël niet om ontvankelijk te zijn. Hij vraagt hem om open te splijten.
Twee verzen later doet Ezechiël iets anders dan hem gevraagd is. Er staat: “en ik opende mijn mond” — en daar staat wél het gewone woord. Hij doet het net iets kleiner dan het hem gevraagd werd. Wat er dan volgt staat in een vorm die het Nederlands niet netjes kan weergeven: hij liet mij eten, hij voerde mij. Dezelfde vorm die in Deuteronomium 8 gebruikt wordt voor het manna: Hij liet je hongeren en Hij voerde je met manna, opdat je zou weten dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de HEER gaat.
Ezechiël splijt niet ver genoeg open. En dus wordt hij gevoerd.
Beschreven aan voorkant en achterkant
De hand rolt de rol uit voor zijn gezicht en er staat, opvallend precies: zij was beschreven aan de voorkant en de achterkant.
Een boekrol werd aan één zijde beschreven, de binnenzijde. De buitenkant bleef leeg — dat was geen slordigheid maar de constructie zelf: de lege achterkant is de ruimte voor wat er nog bij komt, de plek waar later iets aan toegevoegd wordt. Een rol die aan beide kanten vol is, is een rol waaraan niets meer toegevoegd kan worden. Er is geen marge.
En dan die twee woorden zelf.
Panim is het gezicht, de voorkant, en in het Hebreeuwse tijdsbesef is wat vóór je ligt niet de toekomst maar het verleden — het is er, je kunt het zien.
Achor is wat achter je is, en dat is precies waar de toekomst zich bevindt, in de rug, ongezien;
acharit hajamim is het einde der dagen.
Een rol beschreven aan panim en achor is een rol die vol staat op wat is geweest en wat komen zal. Op alles wat te zien is, en op alles wat nog niemand aankijkt.
Er staat drie woorden op. Klaagliederen, en gekreun, en wee.
Drie woorden
Klaagzangen. Het is het woord van het rouwmetrum, het meta van de begrafenis, dezelfde stam die het boek Klaagliederen zijn Hebreeuwse naam geeft. Dezelfde medeklinkers spellen ook nesten. Ik weet niet wat ik daarmee moet en ik laat het staan zoals het staat: op de rol van de rouw staan met dezelfde letters de plekken waar iets wordt uitgebroed.
Gekreun. Dit is het woord dat mij het langst heeft vastgehouden. In de vertalingen wordt het “zuchten”, en dat klopt, maar het is dezelfde wortel als in Psalm 1: in zijn Tora mediteert hij dag en nacht. Wat daar staat is geen stille beschouwing; hagah is een keelgeluid, een halfluid mompelen, prevelen, brommen. Het is het geluid van de leeuw die staat te grommen boven zijn prooi, in Jesaja 31. Het is de donder die volgens Job uit Gods mond komt. Het is in Psalm 90 het geluid waarmee onze jaren ophouden.
Het klagen en het studeren maken hetzelfde geluid. Wie over de Tora prevelt en wie kreunt van verdriet doen met hun keel precies hetzelfde. Dat is niet vroom bedoeld en het troost niets. Het betekent alleen dat er in het Hebreeuws geen manier is om de tekst te overpeinzen zonder erover te kreunen.
Wee. Twee letters, hee en jod. Dit woord komt in de hele Hebreeuwse bijbel op geen enkele andere plaats voor. Eén vindplaats, hier, op deze rol. De uitleggers maken er een variant van hoj van, wee, en dat zal wel.
Alleen: hee en jod, dat zijn twee letters van de Naam. In die volgorde omgekeerd. יJah, de korte Naam waarmee de psalmen eindigen in halleloe-Jah — dat is jod-hee. Hier staat hee-jod. En de getalswaarde is in beide gevallen vijftien.
Het laatste woord op de rol van de klacht bestaat uit niets anders dan de Naam, achterstevoren. Dat is wat hij in zijn mond krijgt. Niet een boodschap óver God, en niet een klacht tot God gericht — de Naam zelf, omgedraaid, tot een schreeuw geworden, en verder nergens in de Schrift te vinden.
70+8, of: waarom er geen brood is
De rol: mem-gimel-lamed-hee. Veertig, drie, dertig, vijf. Achtenzeventig.
Het brood: lamed-chet-mem. Dertig, acht, veertig. Achtenzeventig.
Achtenzeventig is tweemaal negenendertig, en negenendertig is dauw. Dat is het woord uit Exodus 16, waar de dauw omhooggaat en het manna eronder blijkt te liggen, en uit Numeri 11, waar de dauw op het kamp neerdaalt en het manna erop valt. Boven en onder, twee keer dezelfde laag.
En achtenzeventig is driemaal zesentwintig, driemaal de Naam van vier letters.
De rol en het brood wegen hetzelfde. In een land zonder tempel, aan een man die geen offer meer kan eten, wordt iets uitgereikt dat in de letters brood is en dat in de letters dauw is en dat in de letters de Naam is, drie keer achter elkaar. Deuteronomium zette het naast elkaar alsof het een tegenstelling was: niet van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de HEER gaat. In de telling is het één ding, en het is het ding dat ’s nachts komt en verdwenen is zodra de zon erop staat.
Er is geen brood omdat er geen altaar is. Wat een priester eet is het spijsoffer van meel en olie waarvan hij zijn deel krijgt nadat de rest verbrand is, en Leviticus 2 schrijft daarbij twee dingen voor die niemand onthoudt.
=> Zout, bij elk offer, het zout van het verbond.
=> En géén honing op het vuur — uitdrukkelijk, in vers 11.
Wat hem wordt uitgereikt smaakt naar het enige wat op een altaar verboden is. Van zout is geen sprake. In Jeruzalem was de honing tegengehouden bij de trap. Hier wordt ze uitgedeeld, en er is niets meer dat haar kan weigeren.
Wat er met de buik gebeurt
“Mensenkind, laat je buik eten en vul je ingewanden met deze rol die Ik je geef.”
Twee woorden, en geen van beide is neutraal.
Beten is de buik, en het is ook de baarmoeder — het is het woord uit Jeremia 1: voordat Ik je in de beten vormde, kende Ik je.
En me’iem, ingewanden, is in het Hebreeuws de zetel van de ontferming: mijn ingewanden zijn geroerd om hem, zegt God over Efraïm in Jeremia 31; mijn ingewanden werden bewogen om hem, zegt de bruid in het Hooglied als haar geliefde zijn hand door de opening steekt.
De rol gaat niet naar het hoofd. Hij gaat naar het orgaan waarmee je zwanger wordt en naar het orgaan waarmee je medelijden hebt. Een mannelijk lichaam wordt gevuld op de plek waar anders een kind zit.
En daar zit de reden dat dit met eten moet gebeuren en niet met lezen. Kennen is in het Hebreeuws jada, en dat is hetzelfde werkwoord als in: Adam kende Eva zijn vrouw, en zij werd zwanger. Er bestaat geen weten dat buiten je blijft. Je kunt een tekst overzien, en dat is wat wij doen als wij lezen, maar overzien is bekijken van bovenaf en dat is precies de houding die hier niet kan. Wat hij te weten krijgt, moet hij dragen zoals je een kind draagt: negen maanden onwillekeurig, zonder er iets aan toe of af te kunnen doen.
Zij was in mijn mond als honing, zo zoet.
Elf verzen later staat er: en ik ging heen, bitter, in de hitte van mijn geest.
Mar, hetzelfde woord waarmee Naomi haar naam wil laten veranderen als ze met lege handen terugkomt in Bethlehem.
Tussen die twee zinnen zit geen tegenstelling maar een verplaatsing. De honing zit in de mond. De bitterheid zit niet in de maag maar in het lopen — er staat een werkwoord van beweging, en het bittere hangt daaraan vast. Openbaring 10 zet het later netjes in het lichaam: zoet in de mond, bitter in de buik, alsof het een vertering is die zijn tijd nodig heeft. Bij Ezechiël is het geen vertering. Hij proeft, hij staat op, en het is bitter zodra hij zich beweegt.
Er is een joods gebruik waarbij een kind dat voor het eerst letters te zien krijgt, honing van een lei aflikt. De letters worden met honing geschreven en het kind likt ze op. De reden die erbij gegeven wordt is dat het kind zal onthouden dat Tora zoet is, maar wat er feitelijk gebeurt is dat een letter pas een letter wordt op het moment dat hij verdwijnt onder een tong.
Wat Ezechiël overkomt op zijn dertigste heeft die vorm. Op de leeftijd waarop hij zou aantreden, wordt hij teruggezet naar de leeftijd waarop je nog niets zelf kunt. Hij wordt gevoerd, en het is zoet, en dat is de reden dat het zoet is: een lichaam slikt niet wat het niet wil.
Dan zit hij zeven dagen versuft tussen de ballingen in Tel Aviv. Zeven dagen is de rouwweek. Zeven dagen is in Leviticus 8 ook de duur van de priesterwijding, waarin Aäron en zijn zonen de tent niet uit mogen en waarvan het Hebreeuwse woord het vullen van de handen is: milloe’iem, handen die vol worden gemaakt.
Hij zit die zeven dagen uit. Er is gevuld — buik, ingewanden, de plaats waar een kind zit. Zijn handen houdt hij leeg, en dat is precies wat er in een wijding niet mag gebeuren.
De mond die dichtgaat
Wat er dan gebeurt, is het omgekeerde van wat wij van een profeet verwachten. Hij heeft woorden gegeten, dus nu gaat hij spreken — maar in hetzelfde hoofdstuk zegt God dat Hij zijn tong aan zijn gehemelte zal laten kleven en dat hij stom zal zijn. Hij zwijgt jaren. Pas op de avond waarop de vluchteling arriveert met het bericht dat de stad gevallen is, gaat zijn mond weer open.
In de tussentijd doet hij dingen. Hij ligt driehonderdnegentig (390) dagen op zijn linkerzij met de schuld van het huis Israël, en veertig op zijn rechter. Hij bakt zijn brood op uitwerpselen. Hij scheert zijn hoofd en weegt het haar. Zijn vrouw sterft en hij mag niet rouwen. God noemt hem een mofeet, een teken.
Wat hij at, verlaat hem niet via de mond. Het verlaat hem via zijn houding, zijn maaltijden, zijn slaap, zijn weduwnaarschap. De rol staat vol op de voorkant en de achterkant, en een lichaam heeft ook een voorkant en een achterkant, en hij ligt er om beurten op.
Dit is waar de gedachte dat kennis “geïntegreerd” moet worden ophoudt te kloppen. Integreren veronderstelt iemand die integreert, een ik dat de leiding houdt en materiaal inpast. Wat hier gebeurt heeft die vorm niet. De inhoud wordt hem ingegeven en neemt vervolgens de beschikking over hoe hij ligt, wat hij eet en of hij mag huilen om zijn vrouw. Hij bezit de boodschap niet. Zij bezet hem.
Golah en megillah
Ezechiël bevindt zich in de golah, de ballingschap. Wat hij krijgt is een megillah. Hetzelfde geluid, en dat is geen toeval van klank: galah betekent ontbloten, onthullen, het deksel eraf halen — en datzelfde werkwoord betekent in ballingschap gaan. Een openbaring heet in het Hebreeuws een ontbloting. Weggevoerd worden en onthuld krijgen zijn in deze taal dezelfde beweging: er gaat iets af waar het onder zat.
Dat wil niet zeggen dat ballingschap goed is, of nuttig, of bedoeld. Het zegt alleen dat de taal de twee niet uit elkaar heeft gehouden. De priester die zijn tempel kwijt is, krijgt uitgerold wat in de tempel gesloten bleef. In Jeruzalem stond het achter een voorhangsel en ging het één keer per jaar open voor één man. Hier ligt het uitgespreid voor zijn gezicht, aan beide kanten volgeschreven, en hij moet het opeten omdat er geen enkele plaats meer is om het te bewaren.
Wat er dan overblijft is dit. Er is een tekst die aan alle kanten vol staat en waaraan niets meer kan worden toegevoegd. Er is een man die hem in zich draagt en er zeven jaar lang niets over mag zeggen. En er is een stad die valt voordat zijn mond opengaat.
Ik kom er niet uit of het eten hem heeft voorbereid op het spreken, of dat het spreken pas kan als het waarvoor gewaarschuwd werd al gebeurd is. De tekst kiest niet. Hij laat een lichaam achter met iets erin, in een land dat niet het zijne is, met een dichte mond en een volle buik, en het volgende dat er gebeurt is dat de stad in puin ligt.
VERVOLG – eten-van-een-rol-2/
Lees verder:
* verloren-door-gebrek-aan-kennis/
* vernieuwing-van-het-denken/
* gedachten-gevangenzetten/
