Vrees niet
Jesaja 43: 1-3
1 Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
2 Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
3 Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
Er staat hier één gebod in: vrees niet.
Alles daarna is indicatief: ik heb geschapen, ik heb gelost, ik heb geroepen, ik ben met je, ik heb gegeven.
Geen enkele voorwaarde.
En de drie “want”, bouwen de grond: vrees niet wánt ik heb je gelost; wanneer je erdoorheen gaat, ik met jou; wánt ik ben je God.
De angst wordt niet bestreden met een verandering van omstandigheden maar met een verandering van adres.
Wat 42:25 een volk noemde dat brandde zonder het ter harte te nemen, wordt in 43:1 bij naam geroepen.
Het scharnier: “en nu”
Wat eraan voorafgaat, is het einde van hoofdstuk 42: een volk dat blind en doof is, beroofd en geplunderd, gevangen in holen, en dan vers 25: “Hij goot de gloed van zijn toorn over hem uit, het geweld van de oorlog; het zette hem rondom in brand, maar hij begreep het niet; het verbrandde hem, maar hij nam het niet ter harte.” Het vuur van 43:2 is dus geen nieuw vuur. Het is hetzelfde vuur waar ze al in staan. Het verschil tussen 42:25 en 43:2 is niet dat het vuur uitgaat. Het verschil is: “met jou ik”. Zelfde vuur, andere aanwezigheid. En de omstandigheden veranderen in dit hele stuk niet; Babel blijft Babel. Wat verandert is wie er tot hen spreekt en hoe.
Vers 1a: Maar nu, zo zegt de HEERE, uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Twee scheppingswerkwoorden, en niet toevallig deze twee.
– Bara’ is het werkwoord van Genesis 1, dat in de hele Bijbel alleen God als onderwerp heeft: scheppen uit niets.
– Jatsar is het werkwoord van Genesis 2:7, de pottenbakker die de mens vormt uit stof.
Twee scheppingsniveaus, en de joodse mystiek heeft hier haar wereldenleer aan opgehangen: beri’ah, de wereld van het scheppen, en jetsirah, de wereld van het vormen. Vers 7 van ditzelfde hoofdstuk voegt er het derde bij, asah, maken, “die ik geschapen, gevormd en gemaakt heb”, en dat is het klassieke bewijsvers voor de drie lagere werelden onder atsiloet. Hier in vers 1 begint dat al: God schept Jakob en vormt Israël.
En dan de twee namen. Jakob is de hielengrijper, de bedrieger, de man die zijn vader bedroog om de zegen te krijgen. Israël is de naam die hij kreeg nadat hij een nacht met God had geworsteld en kreupel bleef. Beide namen worden genoemd, en de volgorde is de volgorde van het leven: eerst wordt de kromme geschapen, dan de worstelaar gevormd. God noemt zich niet alleen de schepper van wie ze zouden moeten zijn. Hij noemt zich de schepper van Jakob.
Vers 1b: Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Vrees niet, want ik heb je losgekocht. Ga’al is niet zomaar bevrijden. De go’el is de losser uit Ruth en Leviticus 25: de naaste bloedverwant die verplicht is terug te kopen wat een familielid heeft verloren, land of vrijheid. Het woord veronderstelt verwantschap. Een vreemde kan niet lossen. Wie zegt “ik heb je gelost” zegt dus eerst: ik ben je naaste familie, en daarom is het mijn verplichting. De angst wordt niet weggenomen door een belofte maar door een verwantschap.
Vers 1c: Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
Ik heb geroepen bij je naam. Niet: ik heb je een naam gegeven, dat gebeurde in Genesis. Roepen bij de naam is in het Hebreeuws kennen in het wezen; het is wat Adam doet met de dieren, wat God in 45:3 met Cyrus doet. En dan twee woorden: li-attah, “van mij jij”. Geen werkwoord, geen voorwaarde. Het is de kortste zin van het hoofdstuk en alles rust erop. Voordat er één ding van het volk gevraagd wordt, wordt gezegd tot wie het behoort. Dit is, zonder dat woord te gebruiken, de eerste wet: erbij horen gaat aan alles vooraf. Aan berouw ook. De rechtszaal van vers 22 tot 28 komt ná dit vers, niet ervoor.
Vers 2: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken.
– niet “als” maar “wanneer” je door het water gaat. Er wordt niets beloofd over het uitblijven van water. En het werkwoord: avar, doortrekken, oversteken. Dat is de wortel van ivri, Hebreeër: Abraham is de eerste ivri omdat hij de rivier overstak. Het volk heet naar de handeling van het doorheen gaan. Wat hier beloofd wordt, is niet dat het doorgaan je bespaard blijft; het doorgaan is je naam. Beloofd wordt alleen dat het je niet zal wegspoelen: en dat het vuur niet in je zal branden, letterlijk “niet zal branden in jou”. Het vuur van 42:25 brandde in hem. Nu brandt het om hem heen.
– Water en vuur: majim en esj. De Talmoed leest sjamajim, hemel, als esj en majim ineen, vuur en water. Wat het volk moet doortrekken, is dus gemaakt van dezelfde stof als de hemel. Ik weet nog niet wat ik daarmee moet, en ik laat het staan.
– En de rivieren, neharot, zijn hetzelfde woord als in vers 19. Wat in vers 2 dreigt te overspoelen, wordt in vers 19 in de woestijn gegeven. Het is dezelfde rivier. Wat je verdrinkt en wat je te drinken geeft, hangt af van of je erdoorheen bent gegaan.
Vers 3a: Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven, Cusj en Seba in uw plaats.
Mosjiëcha, je redder. De wortel jasja, waar Jozua, Hosea en Jesjoea uit voortkomen, betekent in de grond: ruim maken, de ruimte geven. Het tegendeel van tsar, nauw, benauwd. En Mitsrajim, Egypte, is tsar in het meervoud: de engten, de nauwte. Lees de zin dan nog eens: “Ik ben de ruimtemaker; ik heb de nauwte als losgeld voor je gegeven.” De benauwing zelf is de prijs geweest. Niet iets naast de benauwing, maar de benauwing.
Vers 3b: Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven, Cusj en Seba in uw plaats.
Kofer is het losgeld dat voor een mensenleven betaald wordt, en de wortel kafar is die van kippoer, bedekken, verzoenen. Historisch is het concreet: Cyrus krijgt Egypte, Cusj en Seba, de rijkdommen van het zuiden, en laat dit kleine volk gaan. Hele rijken als wisselgeld voor een handvol ballingen. Vers 4 zegt waarom, en dat vers hoort er nog bij: “Omdat je kostbaar bent in mijn ogen, gewichtig, en ík heb je lief.” Ahavticha. God die tegen een volk zegt “ik heb je lief” komt in de hele Bijbel maar een paar keer voor, en het staat hier tegen een volk dat net blind, doof en geplunderd is genoemd.
Het vuur dat niet in je brandt
Het werkwoord ba’ar is het werkwoord van Exodus 3:2: hasneh bo’er ba’esj, de braamstruik brandde in het vuur, en werd niet verteerd. Dat is het beginbeeld van de uittocht, het moment waarop Mozes hineni zegt. Een vuur dat brandt en niet verteert is in de Bijbel niet de afwezigheid van God maar zijn aanwezigheid. Het vuur van 42:25 was ook zijn vuur, “de gloed van zijn toorn”, en dat verbrandde wél. Zelfde vuur, zelfde bron. Het onderscheid tussen het vuur dat verteert en het vuur dat brandt zonder te verteren ligt dus niet in het vuur. Het ligt in of je erin aangesproken wordt. De struik wordt struik van de openbaring op het moment dat er een naam uit klinkt.
En dan het paar water en vuur. Psalm 66:12 kent het als vaste formule: “wij gingen door vuur en door water, en u hebt ons uitgeleid naar rewajah“, naar overvloed, letterlijk naar verzadiging. Het is de liturgische omschrijving van de volledige doorgang. Maar de joodse mystiek legt hier iets onder dat ik gisteren nog niet zag. In de sefirot is water chesed, de rechterzijde, de vader Abraham. Vuur is gevoerah, de linkerzijde, de strengheid, Isaak, de zoon die op het altaar lag en niet verbrandde. En het midden, tif’eret, is Jakob. Jakob is in de mystiek per definitie degene wiens plaats tússen water en vuur ligt. “Jakob, wanneer je door het water gaat, wanneer je door het vuur gaat”: dat is geen beschrijving van beproevingen die hem overkomen. Het is een beschrijving van waar hij hoort. Wie tussen water en vuur staat, wordt door beide bedreigd en door geen van beide verteerd, omdat hij precies daar zijn plek heeft. Water alleen spoelt weg, vuur alleen verteert; alleen wie erdoorheen gaat, wordt geen van beide.
Geroepen zoals de sterren
In 40:26 staat dezelfde uitdrukking, en daar gaat ze over de sterren: “Hij leidt hun heer uit naar getal, hij roept ze alle bij name; niet één wordt gemist.” Israël wordt geroepen op de manier waarop sterren geroepen worden: van buitenaf, in het bestaan, nog voor het zelf iets weet. In 45:4 wordt dat expliciet bij Cyrus: “Ik heb je bij je naam geroepen, hoewel je mij niet kende.” Bij naam geroepen worden vereist niet dat je de roeper kent. Het gaat eraan vooraf.
En dan zie ik dat vers 1 tot 7 een omlijsting hebben. Vers 1: ik heb geroepen bij jóuw naam. Vers 7: “ieder die genoemd is naar míjn naam”. De naamgeving loopt twee kanten op. Hij noemt de jouwe, jij draagt de zijne. Wat hier verwantschap heet, ga’al, is in de tekst zelf een uitwisseling van namen.
Attah, jij: alef-tav-heh. Alef en tav zijn de eerste en de laatste letter, het teken et dat in het Hebreeuws de hele reikwijdte van een ding aanduidt. Li-attah: van mij, jij van alef tot tav, tot en met de heh, de adem. Niet een deel van je.
Het losgeld, en wie het betaalt
Kofer is in Exodus 30:12 het halve sikkel, het losgeld voor de ziel, betaald opdat wie geteld wordt niet geslagen wordt. Losgeld beschermt een geteld leven. Maar bij een losgeld is er altijd een ontvanger, en hier is het God die betaalt, niet ontvangt. Egypte, Cusj, Seba: hele volken tachtecha, onder jou, in jouw plaats. En vers 4 maakt het onontkoombaar: “ik geef adam, mens, in jouw plaats, volken voor je leven.”
Uitverkoren zijn heeft hier een prijs, en die prijs wordt door anderen betaald. Het volk gaat niet door het water omdat het water wijkt; het gaat erdoorheen omdat iemand anders erin blijft. De uittocht kende dat al: de wagens en paarden van 43:17 liggen op de bodem. Wat de tekst hier doet, is niet ontkennen dat er een rekening is. Ze zegt wie hem betaald heeft en waarom: “omdat je kostbaar bent in mijn ogen”.
En hier raakt het aan iets wat ik uit de praktijk ken en niet loskrijg van deze tekst. Wie in leven is gebleven op een plek waar een ander onderging, een broer die er niet meer is, een moeder die het niet overleefde, een generatie die de prijs betaalde, kan dat leven pas dragen als de rekening gezien wordt. Niet vereffend, die kan niet vereffend worden; gezien. Het losgeld in vers 3 wordt niet verzwegen, het wordt uitgesproken met naam en toenaam. Egypte. Cusj. Seba. De tekst leert het volk zijn leven te ontvangen met de namen van wie ervoor betaalden erbij.
Wat er staat, is dat de angst niet wordt weggenomen door de prijs te ontkennen maar door haar te noemen. Vrees niet, want ik heb gelost. En lossen kost. Het losgeld is Mitsrajim, de nauwte. Wat blijft liggen, en wat ik voor dit artikel niet sluit: of het vuur dat om je heen blijft branden datzelfde losgeld is. Of wat je niet meer verteert, nog wel moet blijven branden, omdat het de plek is waar de rekening zichtbaar blijft.
LEES OOK:
* Vrees niet – Jesaja 43: 1-3
* Iets nieuws beginnen – Jesaja 43:18-19
