Iets nieuws beginnen
Jesaja 43:18-19
18 Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
19 Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
Jesaja 43 staat in het tweede deel van het boek, hoofdstuk 40 tot 55, dat de bijbelwetenschap sinds Duhm Deutero-Jesaja noemt. De Jesaja van hoofdstuk 1 tot 39 leeft in Jeruzalem in de achtste eeuw, onder de Assyrische dreiging. De stem van hoofdstuk 40 tot 55 spreekt zo’n honderdvijftig jaar later, rond 550 tot 539 voor Christus, en spreekt vanuit Babel. Jeruzalem is verwoest, de tempel is een puinhoop, de elite is gedeporteerd. Cyrus van Perzië komt op, en hij wordt in 44:28 en 45:1 bij naam genoemd, zelfs als masjiach, gezalfde. Dat is het historische decor: een volk dat twee generaties lang in ballingschap zit, waarvan de kinderen Jeruzalem nooit gezien hebben, en dat begint te geloven dat de goden van Babel gewonnen hebben.
De hoofdstukken 40 tot 48 hebben één doorgaande vorm: het rechtsgeding. God daagt de goden van de volken voor de rechtbank en de vraag die telkens gesteld wordt is: wie heeft de eerdere dingen aangekondigd, en wie kan het nieuwe zeggen voordat het ontspruit? Het woordpaar ‘eerdere dingen’ en ‘nieuwe dingen’, loopt als een draad door deze hoofdstukken: 41:22, 42:9, 43:9, 43:18, 46:9, 48:3 en 48:6. Ons vers is dus geen losse troostspreuk, het is een zet in een rechtszaak die al drie hoofdstukken loopt.
In 46:9 zegt dezelfde stem: gedénk de eerdere dingen. Precies het omgekeerde bevel. Het gebod van 43:18 is dus niet een algemeen verbod op herinneren. Het is iets veel specifiekers, en wat het precies is, moet uit het hoofdstuk zelf komen.
Het hoofdstuk
Hoofdstuk 42 eindigt met Israël als de blinde, dove knecht, beroofd en geplunderd, met een vuur om zich heen dat hij niet begreep. Dan begint 43 met “en nu”, “maar nu”. Dat kleine woord is de scharnier van het hele hoofdstuk. Na het oordeel komt niet nog meer oordeel maar: “Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.” Water en rivieren zullen je niet overspoelen, vuur zal je niet verbranden. Egypte werd je losgeld.
Dan volgt de rechtszaal (vers 8 tot 13). De blinden die ogen hebben worden naar voren gebracht, de volken verzameld, en de vraag wordt gesteld: wie onder hen kan de eerdere dingen verklaren? Twee keer klinkt: “Jullie zijn mijn getuigen.” Een blind volk als getuige. Dat is al een omkering.
Vers 14 en 15 kondigen aan dat God om hunnentwil naar Babel zendt en de grendels breekt. En dan komen vers 16 tot 21, waar ons vers midden in zit. Vers 16 en 17 beschrijven, zonder de naam te noemen, de uittocht: hij die een weg maakt in de zee, een pad in machtige wateren, die wagen en paard, leger en macht uitleidt; ze liggen neer, staan niet meer op, gedoofd als een pit. Iedereen die dit hoorde wist: dit is de Rietzee, dit is Farao. Dit is ons stichtingsverhaal.
En dán, direct daarop: gedenk de eerdere dingen niet.
De eerdere dingen zijn hier dus niet vaag “het verleden” of “je fouten”. Het zijn de uittocht. Het is de kern van de eigen identiteit, het verhaal dat elk jaar bij Pesach opnieuw verteld wordt, het verhaal waar het “gedenk dat je slaaf was in Egypte” van Deuteronomium op rust. Het meest geboden herinneren van heel de Tora. Dat mag nu even niet.
Vers 20 en 21 maken de reden zichtbaar: de wilde dieren, jakhalzen en struisvogels, zullen mij eren, want ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis, om mijn volk te drinken te geven. Het volk dat ik voor mijzelf gevormd heb, zal mijn lof vertellen.
Dan kantelt het hoofdstuk nog een keer (vers 22 tot 28). Jij hebt mij niet aangeroepen, Jakob. Je hebt me niet vermoeid met offers, maar je hebt me vermoeid met je zonden. En dan vers 25: “Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf, en aan uw zonden denk Ik niet..” Hetzelfde werkwoord, zachar. Vers 26 zet het nog scherper: “Herinner mij,”, “laten we samen rechten.” Het hele hoofdstuk draait om wie wat gedenkt. Het volk moet de uittocht niet gedenken; God gedenkt de zonden niet; het volk mag God herinneren aan wat het tegen hem in te brengen heeft. Het hoofdstuk eindigt hard, met Jakob aan de ban prijsgegeven, en 44:1 opent weer met: maar nu.
De verzen
Ons vers staat dus op de plek waar het stichtingsverhaal net is opgeroepen en direct weer wordt weggezet, tussen de zee van vers 16 en de woestijn van vers 19. In de uittocht was het water het obstakel en de woestijn het gebrek. In het nieuwe wordt de woestijn zelf de weg en krijgt de wildernis rivieren. Wat toen gekliefd moest worden om erdoorheen te komen, wordt nu geschonken om van te drinken. Het nieuwe is niet de herhaling van het oude in een andere tijd. Het is het oude binnenstebuiten.
De grondtekst
Vers 18: Denk niet aan de dingen van vroeger, let niet op de dingen van het verleden.
— gedenk niet de eerste dingen. Het Hebreeuws heeft een apart woord voor vergeten, sjachach, en dat staat hier niet. Zachar is het actieve, cultische gedenken, het naar voren halen. Er wordt niet gevraagd om te vergeten; er wordt gevraagd om niet steeds op te roepen. Risjonot komt van rosj, hoofd, begin: de dingen van het begin, en het staat als vrouwelijk meervoud zonder zelfstandig naamwoord, alsof het niet eens meer benoemd hoeft te worden.
— en de oude dingen, doorgrond ze niet. Qedem is tegelijk “vroeger” en “het oosten”: de richting waar men vandaan kwam, en de richting waar je naar kijkt als je je oriënteert. Dan volgt ‘verstaan’, ‘inzicht’: jezelf tot verstaan brengen, je erin verdiepen, je erin ingraven. Het is exact het werkwoord voor wat ik nu aan het doen ben. Het bevel raakt dus niet alleen de herinnering maar het begrijpen zelf: probeer het oude niet te doorgronden, want je doorgronding wordt de mal waar het nieuwe in moet passen.
Vers 19: Zie, Ik maak iets nieuws. Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten? Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn, rivieren in de wildernis.
— zie, hier ben ik. Dit is het woord van Abraham op de berg, van Mozes bij de braamstruik, van Samuël in de nacht: het antwoord van de mens op Gods roepen. Hier zegt God het tegen de mens. Dat komt in Jesaja nog terug (58:9, 65:1) en verder nauwelijks. God stelt zich beschikbaar met het woord dat gewoonlijk de mens beschikbaar maakt.
— doende een nieuw. Niet “ik zal doen” maar “ik ben doende”. En chadasjah is enkelvoud, vrouwelijk, tegenover het meervoud risjonot. Vele eerste dingen, één nieuw. De wortel is dezelfde als de nieuwe maan, de maand. Nieuw is in het Hebreeuws niet wat nooit bestond; het is wat terugkeert nadat het verdwenen was, het licht dat na de donkere maan weer opkomt. Daar zit iets wat ik nog niet af kan maken: het nieuwe van vers 19 is geen breuk met de uittocht maar de uittocht die door het donker heen is gegaan en anders terugkomt.
— nu ontspruit het. Tsamach is een plantwoord, kiemen, en van dezelfde wortel komt tsemach, de Spruit, het messiaanse woord bij Jeremia en Zacharia. Het nieuwe wordt niet gebouwd of gemaakt; het kiemt. En het tijdswoord is: nu, niet “straks”.
— zul je het niet kennen? Als vraag gesteld, en met ‘het kennen’ dat ook voor de gemeenschap van man en vrouw gebruikt wordt. Het nieuwe kiemt al; de vraag is niet of het komt maar of het gekend wordt. En het antwoord ligt in vers 18: wie het oude blijft doorgronden, kent het nieuwe niet, ook al staat hij erin.
— ja, ik leg in de woestijn een weg. Midbar, woestijn, heeft dezelfde letters als medabber, sprekend, en davar, woord. De woestijn is in het Hebreeuws de plaats waar gesproken wordt, de plaats waar het woord is omdat er niets anders is.
— in de wildernis rivieren. Jesjimon komt van jasjam, verwoest zijn, leeg zijn; het is de woestijn in zijn dodelijkste vorm. Neharot is het meervoud van nahar, en dat is het woord van Genesis 2:10, de rivier die uit Eden gaat en zich in vieren deelt. De rivieren die in de wildernis komen zijn het water van vóór de uittocht, van vóór de geschiedenis.
En daarmee kom ik bij de vraag: wat is het aan ons eigen stichtingsverhaal dat, juist omdat het waar is en juist omdat het ons gered heeft, ons blind maakt voor wat nu al kiemt? De tekst zegt niet dat de uittocht een leugen was. Ze zegt dat het gedenken ervan een woestijn kan worden waar geen weg doorheen loopt.
Deze teksten zijn een basis om persoonlijk ontwikkelingswerk te doen!
Het eerste: in het Hebreeuws staat niet vergeet. Sjachach bestaat, en het staat er niet. Er staat al-tizkeroe, roep niet steeds op, en al-titbonanoe, graaf je er niet in vast. Wie dit vers gebruikt om niets aan te hoeven kijken, leest er een werkwoord in dat de profeet welbewust niet gekozen heeft.
Het tweede: kijk wat het hoofdstuk doet voordat het dit zegt. Vers 16 en 17 halen de hele uittocht op, tot aan de verdronken soldaten in het water. Vers 22 tot 28 halen de hele zondegeschiedenis op, bij naam, tot aan de eerste vader die zondigde. Pas dán, na dat volledige oproepen, klinkt “ik gedenk je zonden niet.” God vergeet niet wat niet eerst voluit benoemd is. En vers 26 nodigt uit tot het omgekeerde van wegkijken: “Herinner míj, laten we samen rechten, breng jij het naar voren.” De tekst wil dat alles op tafel komt. Ze verbiedt alleen dat je eraan blijft zitten.
Het derde, en dit is de kern: de risjonot zijn niet je wonden. Het zijn je reddingsverhaal. De uittocht. Datgene waarvan je zeker weet dat het je gered heeft en waaraan je je identiteit ophangt. Dat is wat het nieuwe blokkeert, niet je pijn. Wie zegt “ik hoef niet terug naar mijn geschiedenis, want God doet een nieuw ding,” houdt niet vast aan een wond maar aan een mal, en dat is precies wat vers 18 verbiedt. Hij gebruikt de tekst als risjona.
Het vierde: wat je niet hebt doorleefd is niet risjon, niet vroeger. Het is nu. Het zit in je lichaam, in je reacties, in je huwelijk, en het herhaalt zich zolang het niet gezien is. Iets wordt pas “eerder” op het moment dat je er doorheen bent gegaan. Wie het overslaat, leeft er nog middenin en noemt het verleden. Dat is geen ballingschap die voorbij is; dat is een balling die zegt dat hij thuis is.
En dan het woord chadasjah zelf. Nieuw is in het Hebreeuws de nieuwe maan: het licht dat terugkomt nadat het helemaal donker is geweest. Er is geen nieuwe maan zonder de donkere maan ertussen. Het nieuwe van vers 19 ontspruit, titsmach, en wat ontspruit heeft grond nodig. Het oude is de grond. Je kunt er niet overheen springen; je kunt alleen zorgen dat je er niet in blijft wonen.
Deze tekst is niet gericht aan mensen die de ballingschap ontwijken. Ze is gericht aan mensen die er tot aan hun nek in zitten, die het hebben erkend, die door de rechtszaal zijn gegaan. Tegen hén wordt gezegd: nu niet nog verder blijven graven in het oude verhaal, want het nieuwe kiemt al en jullie kijken de verkeerde kant op. Wie de rechtszaal heeft overgeslagen, krijgt dat woord nog niet. Hij krijgt eerst vers 26.
Nog een laagje dieper:
Titbonanoe, jezelf ingraven in het oude om het te doorgronden, dat is de bril. Niet het verleden zelf, maar de manier waarop je het verleden tot verklaarmodel hebt gemaakt: zo werkt de wereld, zo werkt liefde, zo word ik gered, want zo is het toen gegaan. De uittocht als sjabloon. En het tragische daarvan is dat het sjabloon je ooit werkelijk gered heeft. Dat is waarom loslaten voelt als verraad aan wat je in leven hield. Niemand houdt vast aan een bril omdat hij dom is; hij houdt eraan vast omdat het ooit de enige manier was om te overleven.
Maar wat de tekst dan laat zien, en wat het onderscheid maakt met het misbruik ervan: een bril kun je pas afzetten als je weet dat je hem draagt. Dat is de rechtszaal van vers 22 tot 28. Niet om schuld op te halen, maar om zichtbaar te maken door welke lens je hebt gekeken. Wie zegt “ik laat het oude los” zonder ooit gezien te hebben wát hij loslaat, laat niets los; hij kijkt nog steeds door de bril en noemt dat vrijheid. Het loslaten dat vers 18 vraagt, veronderstelt het zien dat vers 26 vraagt.
Er staat niet: laat los, en dan komt het nieuwe. Er staat: ik ben doende, het ontspruit nú, en dan de vraag: zul je het niet kennen? Het nieuwe is er al voordat het oude is losgelaten. Het loslaten is geen prestatie die het nieuwe verdient; het is het gevolg van dat je iets anders begint waar te nemen. Ontwikkeling is in deze tekst niet iets maken maar iets opmerken. Daarom is de laatste vraag van het vers een waarnemingsvraag en geen wilsvraag.
Dat is ook waar het samenvalt met wat ik in de praktijk zie. Wat werkelijk erkend is, verliest zijn greep. Niet omdat je besluit dat het geen greep meer heeft, maar omdat erkennen de bril tot een ding maakt in plaats van tot je ogen. En wat niet erkend is, herhaalt zich; het dwingt je steeds opnieuw door de zee te gaan, terwijl de rivier al in de woestijn stroomt en je hem niet ziet omdat je naar water zoekt dat gekliefd moet worden.
Dus wat je zegt klopt, en het is scherper dan dat: de tekst en de ontwikkeling zijn dezelfde beweging. Het misbruik zit niet in het loslaten, maar in het overslaan van het zien dat eraan voorafgaat. En daar blijft één ding open dat ik nog niet kan sluiten: of de bril ooit helemaal afgaat, of dat chodesj, de terugkerende maan, betekent dat we haar steeds opnieuw moeten leren zien.
LEES OOK:
* Vrees niet – Jesaja 43: 1-3
* Iets nieuws beginnen – Jesaja 43:18-19
