Meewerken zonder titel of salaris
Dertig jaar achter de toonbank
Gerda stond dertig jaar in de bakkerij van haar man. Ze opende om half zeven de winkel, deed de inkoop van alles wat niet gebakken werd, hield de administratie bij en leerde drie generaties winkelmeisjes het vak. Ze had geen contract, geen salaris en geen functietitel. Op het briefpapier stond ‘Bakkerij Van Rijn, eigenaar J. van Rijn’. Als iemand haar vroeg wat ze deed, zei ze dat ze in de zaak van haar man meewerkte.
Toen ze op haar achtenvijftigste gingen scheiden, zat ze bij een advocaat die haar vroeg wat ze had opgebouwd. Ze had geen eigen pensioen, behalve de AOW. Ze had nooit loonstroken gehad, dus haar arbeidsverleden bestond op papier niet. De bakkerij was voor hun huwelijk al van Jan en zijn vader geweest, en de huwelijkse voorwaarden zeiden niets over haar inzet. Na dertig jaar van zes dagen per week werken, bleek ze in de ogen van de wet en de bank iemand die nooit had gewerkt.
Jan begreep haar boosheid niet. ‘Het was toch van ons samen,’ zei hij. ‘Je kon altijd alles kopen wat je wilde.’ Hij meende het. In zijn beleving had ze alles gehad: een huis, een auto, vakanties, een goed leven. Het salaris was overbodig geweest, want wat van hem was, was van haar.
In familiebedrijven zijn er nog altijd veel vrouwen zoals Gerda. Voor de man is hun meewerken een vanzelfsprekend deel van het huwelijk. Voor de vrouw is het werk zonder naam, en dat merkt ze vaak pas als het huwelijk of het leven van haar man ophoudt.
Toch van ons samen
Voor Jan was de vraag naar een salaris voor Gerda altijd vreemd geweest. Waarom zou hij zijn eigen vrouw betalen? Het geld kwam in dezelfde pot. Een contract zou hun huwelijk zakelijker maken dan het was. In zijn ogen was het juist een teken van vertrouwen dat ze het nooit hadden geregeld. Ze deden het samen, en wat samen is, hoeft niet op papier.
In die redenering zit een echte vorm van liefde, en tegelijk een blinde vlek. De pot was gemeenschappelijk, maar de kraan stond aan zijn kant. Het bedrijf stond op zijn naam, de bankrekening van de zaak ook. Hij tekende de contracten, hij sprak met de accountant en hij besliste over investeringen. Gerda kon alles kopen wat ze wilde, zolang hij het goed vond. Dat merkte ze niet, omdat hij het altijd goed vond.
Voor veel mannen van zijn generatie is de man de kostwinner en de vrouw de echtgenote die helpt. Dat beeld is zo vanzelfsprekend dat het nooit als keuze is gezien. Het meewerken van de vrouw valt in dat beeld onder de zorg voor het gezin: ze helpt haar man, zoals ze haar kinderen helpt. Dat ze daarmee een volwaardige baan vervult, die een buitenstaander een salaris zou opleveren, past niet in het plaatje. Jan zag de meewerkende vrouw. Hij zag niet de inkoper, de administrateur en de personeelschef die ze ook was.
En dan is er iets wat bijna geen man hardop zegt. Een vrouw met een eigen inkomen is een vrouw die kan vertrekken. Zolang alles via hem loopt, is het huwelijk ook economisch een eenheid, en dat geeft een gevoel van zekerheid. Bewust afhankelijk houden wil hij haar nauwelijks. De vraag heeft zich voor hem eenvoudig nooit voorgedaan.
Drie vormen van erkenning
De Duitse filosoof Axel Honneth beschreef hoe een mens zich alleen volledig kan ontwikkelen als hij op drie manieren wordt erkend. De eerste is liefde: de erkenning in nabije relaties, die een mens het vertrouwen geeft dat hij er mag zijn. De tweede is recht: de erkenning als volwaardig persoon met dezelfde rechten als ieder ander, die zelfrespect geeft. De derde is waardering: de erkenning van wat iemand bijdraagt aan een gemeenschap, die een gevoel van eigenwaarde geeft. Waar een van die drie ontbreekt, ontstaat volgens Honneth een gekrenktheid die dieper gaat dan een gevoel. Ze tast de verhouding van een mens tot zichzelf aan.
Gerda had de eerste vorm van erkenning. Jan hield van haar, en zij van hem. Maar de tweede en derde vorm ontbraken. Op het gebied van recht bestond ze niet: geen contract, geen salaris, geen pensioen, geen zeggenschap in de zaak. Op het gebied van waardering werd haar bijdrage geabsorbeerd in die van haar man. Klanten zeiden dat de bakkerij van Van Rijn zo goed liep. Leveranciers vroegen naar Jan. Op de jubileumreceptie bij vijftig jaar bakkerij hield de burgemeester een toespraak over drie generaties bakkers Van Rijn. Gerda stond naast hem en lachte.
Zolang de liefde er was, leek dat genoeg. Liefde dekte de leegte van de andere twee. Pas toen de liefde wegviel, bleek hoe weinig er onder stond. Veel vrouwen die na een scheiding of na het overlijden van hun man in deze situatie komen, beschrijven het als een tweede verlies. Ze verliezen de relatie, en ontdekken dan dat ze ook zichzelf nooit een plek hadden gegeven buiten die relatie.
Voor veel vrouwen speelt hier ook een eigen aandeel. Veel van hen hebben nooit om een salaris of een titel gevraagd. Het voelde onnodig, soms zelfs onaardig, alsof je je eigen man niet vertrouwt. De bescheidenheid die ze ooit als deugd hebben geleerd, keert zich later tegen hen.

Zonder uitgang geen stem
De Amerikaanse econoom Albert Hirschman schreef in 1970 een klein boek dat nog altijd wordt gelezen. Hij vroeg zich af wat mensen kunnen doen als ze ontevreden zijn over een organisatie waar ze deel van uitmaken. Hij zag drie mogelijkheden: vertrekken, hun stem laten horen, of trouw blijven en het verdragen. Zijn belangrijkste inzicht was dat die drie samenhangen. Wie kan vertrekken, wordt beter gehoord als hij zijn stem verheft. Wie niet weg kan, heeft weinig gewicht als hij bezwaar maakt. Dan blijft er vooral trouw over.
Gerda kon niet weg. Ze had geen eigen inkomen, geen cv waarmee ze elders kon solliciteren, en geen eigen geld om opnieuw te beginnen. Dat wist ze, en Jan wist het ook, al zou hij dat nooit zo zeggen. Als ze het oneens was met een beslissing in de zaak, kon ze het zeggen, maar haar bezwaar woog niet zwaar, omdat er geen consequentie achter zat. Ze had in dertig jaar geleerd haar mening te geven en daarna te doen wat Jan besloot. Haar trouw was echt. Ze was ook de enige mogelijkheid die ze had.
Onderzoek naar de verdeling van macht in huwelijken laat al decennia hetzelfde patroon zien: de partner met meer eigen middelen heeft meer invloed op de grote beslissingen. Dat geldt voor allerlei middelen, en geld is daarvan de meest tastbare. Een meewerkende vrouw zonder eigen inkomen draagt het bedrijf mee, en heeft tegelijk de zwakste positie aan de tafel waar over dat bedrijf wordt besloten.
Wat dat met haar doet, zie je vaak pas na jaren. Een vrouw die steeds weer haar stem inslikt, gaat haar eigen oordeel minder vertrouwen. Ze wordt stiller, of juist scherper in kleine dingen waar ze wel invloed heeft. Haar kinderen zien een moeder die altijd in de zaak staat, maar nooit beslist.
Wanneer het zichtbaar wordt
Zolang alles goed gaat, valt het gebrek aan titel en salaris niemand op. Het wordt zichtbaar op de momenten dat het leven breekt.
Bij een scheiding, zoals bij Gerda. Wat niet op papier staat, bestaat voor de wet nauwelijks. Een rechter kan in sommige gevallen rekening houden met wat iemand heeft bijgedragen, maar dat vraagt bewijs, advocaten en jaren van procederen, op een moment dat de vrouw al uitgeput is door het einde van haar huwelijk.
Bij ziekte van de man. Als Jan een hartinfarct krijgt, moet de bakkerij doordraaien. Gerda weet hoe alles werkt, maar ze kan niet tekenen bij de bank, geen contracten afsluiten en geen beslissingen nemen die rechtsgeldig zijn. Ze leidt het bedrijf zonder bevoegdheid, en is afhankelijk van de goede wil van de accountant en de bank.
Bij ziekte van de vrouw. Als Gerda zelf uitvalt, met een burn-out na dertig jaar zes dagen per week, is er geen verzekering die haar inkomen vervangt, want er was geen inkomen. Ze wordt thuis ziek in hetzelfde huis waar haar werk doorgaat.
En bij het overlijden van de man. Dan gaat de zaak, afhankelijk van het testament, vaak naar een van de kinderen. De moeder die dertig jaar heeft meegewerkt, wordt in de bakkerij van haar zoon een vrouw die er nog wat helpt. Zonder contract, zonder plek, onder een nieuwe baas die vroeger haar kind was. Wat ze in haar huwelijk nooit kreeg, krijgt ze in het bedrijf van haar zoon ook niet, en nu ontbreekt ook het huwelijk dat het jarenlang toedekte.
Een naam voor het werk
Wat Gerda nodig had gehad, was eenvoudig en tegelijk ingrijpend: dat haar werk een naam had gekregen. Een functie, een salaris, een eigen pensioenopbouw, een vermelding als mede-eigenaar of in elk geval een afspraak in de huwelijkse voorwaarden over haar aandeel in wat ze samen opbouwden. Geen van die dingen is ingewikkeld. Elke accountant kan ze regelen. Dat het in zoveel familiebedrijven toch niet gebeurt, komt doordat de vraag nooit wordt gesteld.
Van de man vraagt het dat hij inziet dat ‘van ons samen’ pas echt samen is als het voor beiden ook zonder hem zou gelden. Liefde die zeker weet dat ze blijft, kan het zich veroorloven om de ander onafhankelijk te maken. Een man die zijn vrouw een eigen salaris en een eigen positie geeft, laat zien dat hij niet van haar afhankelijkheid hoeft te leven om haar te houden.
Van de vrouw vraagt het dat ze haar bescheidenheid onderzoekt. Dat ze vraagt om wat haar toekomt, en dat ziet als een vorm van zelfrespect die ook haar huwelijk sterker maakt. Een vrouw met een eigen naam in het bedrijf staat steviger naast haar man.
Voor wie nu nog geen dertig jaar verder is, is er tijd. Voor de Gerda’s die nu achtenvijftig zijn, is het werk vaak al gedaan en het papier nog leeg. Wat hen rest, is dat hun dochters en schoondochters het anders doen.
