Het bedrijf als oudste kind
Geboren in 1978
De drukkerij van de familie Smit werd opgericht in het voorjaar van 1978. Jolanda, de oudste dochter, werd vijf jaar later geboren. Haar broer Michiel kwam twee jaar na haar. Op de familiefoto’s uit die tijd staan de kinderen vaak voor de drukkerij, met de naam boven hun hoofd. Op de schoorsteenmantel staat een ingelijste krantenfoto van de opening, met haar vader en moeder voor de eerste offsetpers. Er staat geen foto van de geboorte van Jolanda.
Als kind wist Jolanda precies wanneer ze haar vader niet moest storen. Als er een grote order was, als een machine stuk was, als er een klant aan de telefoon hing. Ze leerde dat de drukkerij altijd eerst kwam. Niemand zei het, het ging gewoon zo: verjaardagen werden verzet voor de jaarafsluiting, de vakantie werd ingekort voor een drukke week. De drukkerij vierde haar jubilea met een receptie. De kinderen vierden hun verjaardag met taart, als er tijd was.
In veel familiebedrijven is het bedrijf ouder dan de kinderen. Het was er eerst, het kreeg de eerste jaren van de ouders, hun jeugd, hun spaargeld en hun slapeloze nachten. Wie zo naar de familie kijkt, ziet iets wat zelden wordt uitgesproken. Het bedrijf is het oudste kind. Het heeft de rechten van een eerstgeborene, en de andere kinderen groeien op als zijn jongere broers en zussen.
Een eerstgeborene die nooit volwassen wordt
De Duits-Amerikaanse psychoanalyticus Erik Erikson beschreef hoe volwassenen in het midden van hun leven een behoefte krijgen om iets voort te brengen wat hen overleeft. Hij noemde dat generativiteit: de drang om te zorgen voor wat na je komt. Voor de meeste mensen zijn dat kinderen. Voor veel ondernemers is het ook, en soms eerst, een bedrijf. Wie een zaak begint, legt er dezelfde energie in als in een pasgeboren kind: zorg, nachten zonder slaap, trots bij elke stap vooruit, angst bij elke ziekte.
Een bedrijf lijkt in de eerste jaren ook op een baby. Het vraagt voortdurend aandacht, het kan niet alleen worden gelaten, en het overleeft alleen als iemand er dag en nacht voor klaarstaat. De ouders die in 1978 de drukkerij openden, sliepen met de telefoon naast het bed. Het eerste jaar werd elke order gevierd en elke wanbetaler als een ramp beleefd.
Maar er is een groot verschil. Een kind groeit op. Het leert lopen, het gaat naar school, het wordt zelfstandig en heeft zijn ouders steeds minder nodig. Een bedrijf groeit ook, maar het wordt nooit zelfstandig op die manier. Het blijft afhankelijk van de zorg van zijn eigenaar. Een zaak van veertig jaar vraagt nog net zoveel aandacht als een zaak van vier. Zo blijft het oudste kind altijd het kind dat het meest nodig heeft, en de jongere kinderen leren dat zij zichzelf maar moeten redden.
Daar komt bij dat het bedrijf in de ogen van de ouders nooit tekortschiet zoals een kind tekortschiet. Het brengt geld op, het geeft status, het is zichtbaar in het dorp. Het heeft geen puberteit, het spreekt nooit tegen, het kiest nooit een andere richting. Voor ouders die zelf weinig erkenning kregen, kan een bedrijf het kind zijn dat hun waarde bewijst. Dat is moeilijk te evenaren voor een kind van vlees en bloed.
Broers en zussen van een bedrijf
De Oostenrijkse psychiater Alfred Adler was een van de eersten die beschreef hoe de plek in de kinderrij een mens vormt. Een oudste kind is een tijd lang het enige kind, met alle aandacht van de ouders, en wordt dan van de troon gestoten door een jonger broertje of zusje. Een jonger kind groeit op met een voorganger die altijd groter, sterker en verder is, en zoekt een eigen terrein om op te vallen.
In een familiebedrijf hebben de kinderen een oudere broer die ze nooit van de troon kunnen stoten. Het bedrijf blijft de eerste. Het krijgt de beste uren van de ouders, de gesprekken aan tafel, de zorgen ’s nachts. Een kind dat om aandacht vraagt terwijl er een machine stuk is, leert snel dat het verliest. En het leert nog iets, wat het kind nog meer in de war brengt: dat het jaloers is op iets waar het van leeft. De drukkerij betaalt de kleren, de vakanties en de studie. Jaloers zijn op je oudere broer is normaal. Jaloers zijn op de bron van je bestaan voelt als ondankbaarheid. Dus wordt die jaloezie ingeslikt.
Kinderen vinden dan elk een eigen manier om zich tot het oudste kind te verhouden. Sommigen gaan het verzorgen. Ze werken al jong mee, kennen de machines, weten welke klant belangrijk is. Zo zijn ze in de buurt van hun ouders, op de plek waar de aandacht is. Het is de oudste strategie van jongere kinderen: als je de eerste niet kunt verslaan, ga je naast hem staan. Andere kinderen keren zich af. Ze gaan iets heel anders doen, ver weg van de zaak, en zeggen dat ze niets met het bedrijf hebben. Hun afkeer is vaak de omgekeerde vorm van dezelfde jaloezie.
Jolanda en Michiel kozen elk een kant. Michiel stond op zijn veertiende al bij de snijmachine en is nu bedrijfsleider. Jolanda werd verpleegkundige en komt alleen op verjaardagen in de drukkerij. Ze zegt dat ze het een saaie zaak vindt. Als je doorvraagt, vertelt ze over de keer dat haar vader haar diploma-uitreiking miste omdat er een pers kapot was.

Voor hem en voor haar een ander kind
Voor de vader van Jolanda is de drukkerij zijn levenswerk in de meest letterlijke zin. Hij heeft haar met zijn handen gebouwd. De eerste pers kocht hij tweedehands in Duitsland en reed hij zelf terug in een gehuurde vrachtwagen. Elke uitbreiding, elke nieuwe klant, elke moeilijke winter heeft hij met de zaak doorstaan. Voor veel mannen is een bedrijf een verlengstuk van zichzelf, het tastbare bewijs van wie ze zijn. Wie de drukkerij bekritiseert, bekritiseert hem.
Voor haar moeder ligt het ingewikkelder. Zij hielp de eerste jaren mee, deed de boekhouding aan de keukentafel en sprong in als er iemand ziek was. De drukkerij was in die eerste jaren hun gezamenlijke project, bijna hun eerste kind samen. Toen de kinderen kwamen, merkte ze dat ze moest kiezen. Ze bleef meer thuis, en zag haar man steeds dieper in de zaak verdwijnen. Het oudste kind bleef van hem, en de jongere kinderen werden vooral van haar.
Zo kan een huwelijk ongemerkt worden georganiseerd rond het eerste kind. Hij voedt de drukkerij op, zij de kinderen. Zij ziet wat de kinderen missen, en kan het hem moeilijk verwijten, omdat de drukkerij hun gezin onderhoudt. Hij ziet vooral wat de drukkerij nodig heeft, en begrijpt niet waarom zijn vrouw daar soms zo vijandig over doet. Veel moeders in familiebedrijven hebben een ambivalente verhouding tot de zaak: trots op wat er is opgebouwd, en tegelijk een stille wrok tegen het kind dat de vader van haar andere kinderen heeft weggehaald.
Kinderen voelen die verdeling haarscherp. Ze weten bij wie ze moeten zijn voor aandacht en bij wie voor troost. En ze voelen dat de band tussen hun ouders voor een deel via de zaak loopt. Als de drukkerij ooit verkocht wordt, vragen ze zich af wat er tussen hun ouders overblijft.
Wie erft het oudste kind
Bij de erfenis wordt zichtbaar welke plek het bedrijf in de familie heeft. De drukkerij moet heel blijven, dus kan ze maar naar één kind. Michiel neemt haar over. Jolanda krijgt een deel van haar erfdeel uitgekeerd, in termijnen, omdat het bedrijf niet in één keer kan betalen. Wat het bedrijf nodig heeft, gaat voor. Ook na de dood van de ouders blijft het oudste kind de eerste.
Systemisch gezien zit hier een verwarring van ordening. In een familie hebben de leden een plek in volgorde van binnenkomst: de ouders voor de kinderen, het oudste kind voor het jongste. Een bedrijf hoort in die ordening thuis als opgave: een werk, iets wat de ouders hebben gemaakt. Als het in de ordening een plek krijgt als oudste kind, met voorrang boven de kinderen van vlees en bloed, raakt de familie in de war. De kinderen voelen dat er iets niet klopt. Zij zijn de mensen, de zaak is het werk. Toch gaat het werk steeds voor.
In veel families wordt die verwarring doorgegeven. Michiel neemt de drukkerij over, en daarmee neemt hij ook haar plek als eerste. Zijn eigen kinderen groeien op met een vader voor wie de zaak voorgaat, net als bij hem. Het oudste kind krijgt in elke generatie nieuwe jongere broers en zussen.
Het herstellen van de ordening geeft het bedrijf een andere plek: als het grote werk van de ouders, dat ze met trots mogen doorgeven, en tegelijk als iets wat na de kinderen komt. Een vader die tegen zijn dochter kan zeggen dat zij belangrijker was dan de pers, ook al leek het zo vaak andersom, zet iets recht wat veertig jaar scheef heeft gestaan.
Een broer die een werk is
Voor de kinderen begint het herstel bij het benoemen. Jolanda heeft haar hele leven gevoeld dat ze op de tweede plaats kwam, na iets wat geen mens was. Dat gevoel kreeg nooit een naam, omdat het ondankbaar leek. Wie het hardop zegt, merkt vaak dat de wrok kleiner wordt. Het bedrijf was haar rivaal, en ook de bron van haar opleiding en haar zekerheid. Allebei waar, allebei uit te spreken.
Voor de ouders begint het bij erkennen wat het oudste kind heeft gekost. Als eerlijke blik op hun leven, zonder dat het een schuldbekentenis hoeft te worden. Ze hebben iets moois gebouwd, en hun kinderen hebben daar een prijs voor betaald. Dat ene zinnetje, uitgesproken aan tafel, kan voor een kind meer betekenen dan een erfenis.
Voor de opvolger begint het bij een keuze die zijn ouders niet maakten. Michiel kan de drukkerij overnemen zonder haar opnieuw de eerste plek te geven. Hij kan om zes uur naar huis gaan, de diploma-uitreiking van zijn dochter boven een kapotte pers stellen, en zijn kinderen laten merken dat zij voorgaan. Dat vraagt meer dan een goed voornemen. Het vraagt dat hij het patroon ziet waarin hij zelf is opgegroeid.
Of de drukkerij daarmee minder goed draait, weet niemand. Misschien wel. Misschien merkt Michiel ook dat een zaak die niet meer de eerste plek heeft, mensen aantrekt die er graag werken, omdat de baas thuis ook een leven heeft. Het oudste kind krijgt dan eindelijk de plek van een werk.
