Verwachten en hopen in de liefde
Een liefdesrelatie tussen twee volwassenen vraagt dat ze op dezelfde hoogte staan. Dat klinkt vanzelfsprekend, tot je let op twee woorden die in bijna elke relatie vallen: verwachten en hopen. Beide hebben een richting. Ze kijken omhoog, naar iemand van wie iets moet komen.
Wie verwacht of hoopt van een partner, neemt zonder het te merken een plek in onder de ander. De relatie kantelt van horizontaal naar verticaal. En waar je naar opkijkt, kun je niet tegelijk als gelijke ontmoeten.
Die kanteling is geen karakterfout en ook geen gebrek aan zelfstandigheid. Ze heeft een geschiedenis die ouder is dan de relatie zelf, ouder zelfs dan de taal waarin we haar beschrijven.
Waar het wachten begon
Voor een pasgeboren kind zijn verwachten en hopen geen houding. Ze zijn een lichamelijke noodzaak. Het jonge zenuwstelsel kan zichzelf nog niet tot rust brengen. Een baby die huilt, kalmeert pas als er iemand komt: een stem, een hartslag, een lichaam dat warmer en trager is dan het zijne. Regulatie komt van buiten, letterlijk, via het zenuwstelsel van de ouder.
Zo leert het lichaam, nog voor er een woord is, waar veiligheid vandaan komt. Uit een ander. Het kind wacht met zijn hele lijf op iets wat het zelf niet kan maken.
In die verhouding is verwachten terecht. Het kind heeft er recht op dat de ouder geeft. Hopen is de vorm die machteloosheid aanneemt wanneer dat geven onzeker is. En het mag scheef zijn: de ouder geeft, het kind neemt, en het kind hoeft niets terug te doen. Kan dat ook niet. Deze asymmetrie is de juiste orde tussen ouder en kind.
Wat het kind daar meemaakt, schrijft zich in. Soms kreeg het wat het op dat moment niet nodig had: zorg die eigenlijk de angst van de ouder suste, nabijheid die te veel was. Soms kreeg het niet wat het wél nodig had: iemand die kwam, die bleef, die zag. In beide gevallen leert het lichaam een patroon van wachten. Dat patroon verdwijnt niet als we volwassen worden. Het slaapt.
Wanneer het oude lichaam wakker wordt
Geen enkele volwassen verhouding komt zo dicht bij die eerste band als een liefdesrelatie. Huid, geur, slapen naast iemand, afhankelijk zijn van zijn of haar stemming: het zijn dezelfde kanalen waarlangs we ooit gereguleerd werden. Juist daar wordt het slapende patroon wakker.
Dan verhuist de regulatie weer naar buiten. Je voelt je pas goed als de ander belt, je ziet, voor je kiest. Een appje dat uitblijft, raakt iets wat veel groter is dan dat appje. De reactie is ouder dan het moment. Op zo’n ogenblik staat er geen vrouw tegenover een man of een man tegenover een vrouw. Er staat een kind tegenover iemand die het, ongevraagd, in de ouderplek heeft gezet.
Die plek doet iets met de ander. Een partner die als ouder wordt aangekeken, gaat zich vaak ook zo gedragen: zorgen, geruststellen, oplossen. Of hij trekt zich terug, omdat hij de last voelt zonder die te kunnen benoemen. In beide gevallen verdwijnt iets wat een liefdesrelatie levend houdt: de spanning tussen twee polen die elk vol in zichzelf staan. Aantrekking ontstaat tussen gelijken die verschillend zijn. Tussen een ouder en een kind hoort zij niet thuis, en het lichaam weet dat. Veel stellen die zeggen dat de vonk weg is, zijn ongemerkt in deze verticale verhouding beland.
En de partner kan het niet waarmaken. Wat een ouder gaf of naliet, laat zich niet alsnog door een geliefde leveren. Daarom voelt elke tekortkoming van de partner als een herhaling van het oorspronkelijke tekort, met de volle lading van toen.
Het onuitgesprokene
Verwachten en hopen leveren vrijwel altijd teleurstelling op. Dat ligt niet aan de ander. Het zit in de structuur van het verwachten zelf.
Een zuigeling kan niet zeggen wat hij nodig heeft. Een ouder die goed genoeg afgestemd is, leest het af: aan het huilen, de spanning in het lijfje, het wegdraaien van het hoofdje. Het kind wordt begrepen zonder iets uit te spreken. Daar ligt de oervorm van liefde zoals het lichaam haar kent: iemand die weet wat ik nodig heb voordat ik het zeg.
Die vorm nemen we mee de liefde in. Als hij echt van me hield, zou hij het weten. Ik zou het niet hoeven vragen. Achter zulke zinnen staat het verlangen om weer zo gelezen te worden. Maar een partner kan niet ruiken wat er in je omgaat. Hij kan niet weten wat je zelf nog niet hebt uitgesproken, vaak ook niet tegen jezelf. Hij is geen ouder die op je is afgestemd; hij is een ander mens met een eigen binnenwereld die net zo luid om aandacht vraagt.
Zo is de teleurstelling ingebouwd. Wie verwacht zonder te spreken, legt de ander een opdracht op die hij niet kent, en beoordeelt hem daarna op het resultaat. De ander faalt in iets waarvan hij niet wist dat het een examen was. En wie het wél uitspreekt, merkt vaak dat het dan niet meer telt: als ik het moet vragen, is het niet echt. Ook dat is het kind dat spreekt. Voor een volwassene is het uitspreken van een behoefte de enige weg waarlangs een ander kan geven. Het kind in ons ervaart datzelfde uitspreken als het bewijs dat er niet vanzelf gegeven wordt.
Als hij van mij houdt, dan weet hij toch?
Die zin draagt een overtuiging die nooit hardop is getoetst: dat liefhebben en weten hetzelfde zijn. Voor een zuigeling was dat ook zo. Daar vielen ze samen in één gebeurtenis. De moeder die van haar kind houdt, is dezelfde die het afleest. Het kind kan die twee niet uit elkaar halen, en het lichaam onthoudt ze als één ding. Wie later zegt “als hij van me houdt, weet hij het toch”, zegt eigenlijk: liefde ziet eruit zoals ik haar het allereerst heb leren kennen.
Tussen volwassenen lopen liefde en weten uiteen. Iemand kan intens van je houden en totaal niet zien wat er in je omgaat. Dat komt niet doordat de liefde tekortschiet. Een ander mens heeft gewoon geen toegang tot jouw binnenkant zonder dat jij de deur opendoet.
En er zit nog iets onder: de verwachting dat hij het weet, beschermt je tegen het risico van vragen. Wie vraagt, kan “nee” horen, of merken dat de ander het niet wil of niet kan geven. Zolang hij het moet raden, blijft die kwetsbaarheid buiten beeld. Lukt het hem niet, dan ligt het aan zijn liefde, niet aan wat ik nodig had en of dat gegeven kan worden. Zo houdt de zin “hij weet het toch” het eigen verlangen verborgen, ook voor jezelf. Je hoeft het niet te benoemen, en dus ook niet te dragen dat het misschien onvervuld blijft.
Misschien is dat de echte prijs van volwassen liefde: dat je jezelf moet laten zien, met het risico dat je dan alsnog niet krijgt wat je zoekt. Het kind hoefde die prijs niet te betalen. De geliefde vraagt hem wel.
Geven en nemen tussen gelijken
Tussen ouder en kind mag het geven eenrichtingsverkeer zijn. Tussen partners niet. Een liefdesrelatie leeft van een balans: wie ontvangt, wil iets teruggeven, en het liefst iets meer. Zo groeit de uitwisseling, en daarmee de verbinding.
Verwachten verstoort die balans aan de nemende kant. Wie verwacht, neemt zonder dat er iets tegenover staat, omdat het vanuit dat oude gevoel vanzelf zou moeten komen. De ander raakt daar uitgeput van, en vaak ook stil boos, zonder precies te weten waarom.
Hopen verstoort haar aan de gevende kant. Wie hoopt, geeft vaak overmatig: zorgt, past zich aan, is beschikbaar. Niet uit overvloed, maar in de stille hoop dat het ooit terugkomt in de vorm waarnaar verlangd wordt. Dat is nemen in vermomming. Het geven bindt de ander aan een schuld die hij nooit heeft aangegaan.
Opvallend is dat in beide gevallen degene die verwacht of hoopt zich de tekortgekomen partij voelt. De rekening klopt in zijn of haar beleving nooit. Dat kan ook niet, want er wordt geboekt in de valuta van de kindertijd, en daarin is geen partner ooit genoeg.
Hopen als trouw
Tot hier lijkt het verhaal eenvoudig: er was een tekort in de jeugd, en dat wordt nu bij de partner gehaald. Maar wie langer kijkt, ziet dat het hopen ook iets beschermt.
Zolang ik bij mijn partner zoek wat mijn moeder of vader me niet gaf, blijf ik naar hen toegekeerd. Mijn rug staat naar de geliefde, mijn gezicht naar de ouder. De partner is dan een plaatsvervanger, en daardoor nooit helemaal zichtbaar als wie hij of zij werkelijk is.
Er zit een verborgen loyaliteit in. Als de partner zou geven wat de ouder niet gaf, wordt onontkoombaar dat het mogelijk was. Dan staat het tekort van de ouder in volle scherpte in het licht. Het voortdurende hopen, en het voortdurende teleurgesteld worden, houdt die confrontatie op afstand. Zo blijft het kind trouw aan zijn ouders, ten koste van de relatie met de geliefde.
Pas wie de ouders kan nemen zoals ze waren, met wat er was en wat er niet was, krijgt de handen vrij voor een partner. Nemen betekent hier niet goedkeuren of vergoelijken. Het betekent erkennen: zo is het gegaan, en dit is wat ik heb gekregen. Het missen verdwijnt daarmee niet. Het krijgt een andere plek: bij de oorsprong, waar het hoort, en niet meer bij degene die toevallig het dichtstbij staat.
Wat er tussen twee volwassenen overblijft
Wat er tussen twee mensen overblijft als het verwachten wegvalt, is verlangen. Verlangen staat op eigen benen. Ik verlang naar jou laat de ander vrij om te komen of niet, en houdt mij overeind als hij niet komt. Het kan pijn doen, maar het verkleint me niet.
Er is ook een volwassen vorm van verwachten: de afspraak. Twee mensen die elkaar iets toezeggen en daar op aanspreekbaar zijn, staan naast elkaar. Het verschil met het kinderlijke verwachten zit in het uitgesprokene. Een afspraak is gemaakt, hardop, door twee. Een kinderlijke verwachting is eenzijdig, stil, en vaak pas zichtbaar als ze is geschonden.
Of verlangen en verwachten in de praktijk ooit helemaal te scheiden zijn, is de vraag. In bijna elke nabijheid schuift het kind af en toe aan, juist omdat liefde dezelfde kanalen gebruikt als die allereerste band. Misschien zit volwassenheid in de liefde niet in het ontbreken van verwachting, maar in het opmerken: nu kijk ik weer omhoog, in plaats van naast je te staan. Wat je daarna doet met dat opmerken, ligt nog open.
