Dat doen we altijd al zo
Het deeg van opa
In de bakkerij van de familie Brouwer wordt het deeg voor het brood nog altijd om drie uur ’s nachts aangezet, met de hand afgewogen en in de oude kneedmachine gedraaid. Thijs, de kleinzoon die de bakkerij twee jaar geleden overnam, wil overstappen op een langzaam rijsproces dat ’s avonds kan worden ingezet. Dan hoeft er niemand meer om drie uur op. Het brood wordt er volgens hem ook beter van. Zijn vader, die nog drie ochtenden per week meedraait, schudt zijn hoofd. ‘Dat doen we altijd al zo.’
Thijs vroeg waarom. Zijn vader wist het niet precies. Opa deed het zo, en die had het van zijn vader. Het werkte. Waarom zou je iets veranderen wat werkt? Toen Thijs aandrong, werd zijn vader kortaf. ‘Als je alles anders wilt, moet je het zelf maar weten.’ Daarna stond hij een week niet meer in de bakkerij.
De zin ‘dat doen we altijd al zo’ wordt in familiebedrijven vaak gebruikt als het einde van een gesprek. Wie hem uitspreekt, hoeft niets meer uit te leggen. Het verleden heeft het al besloten. Voor de jongere generatie klinkt hij als een muur. Voor de oudere generatie is hij iets anders: een manier om trouw te blijven aan wie er eerder waren. In die zin zit meer dan koppigheid, en ook meer dan een argument.
Het hek van Chesterton
De Britse schrijver Gilbert Keith Chesterton schreef in 1929 een parabel die nog altijd wordt aangehaald door wie over verandering nadenkt. Stel dat er dwars over een weg een hek staat. Een hervormer komt langs en zegt: ik zie het nut van dit hek niet, laten we het weghalen. Een wijzere hervormer antwoordt: als je het nut niet ziet, laat ik je het zeker niet weghalen. Ga eerst uitzoeken waarom het er staat. Als je dat weet, kom dan terug, en misschien mag je het dan weghalen.
Het hek van Chesterton pleit voor begrip, voordat er wordt behouden of afgeschaft. Elke gewoonte is ooit ontstaan omdat ze een probleem oploste. Soms is dat probleem verdwenen en kan de gewoonte weg. Soms bestaat het probleem nog, alleen ziet niemand het meer, omdat de gewoonte het al zo lang oplost. Wie zo’n gewoonte afschaft zonder te weten waarom ze er was, ontdekt het probleem pas als het terugkomt.
In de bakkerij van de familie Brouwer is het deeg om drie uur een hek. Thijs ziet het nut niet. Zijn vader ziet het ook niet, maar verdedigt het toch. Geen van beiden weet waarom het er staat. Misschien was de oude oven zo traag dat er vroeg moest worden begonnen. Misschien kwam de overgrootvader ’s middags op het land, en moest het bakken ’s ochtends klaar zijn. Misschien had het iets te maken met de smaak, met de koeling, met de klanten die om zeven uur voor de deur stonden.
Zolang niemand dat uitzoekt, kan het gesprek alleen gaan tussen koppigheid en ongeduld. Als Thijs en zijn vader samen uitzoeken waarom opa om drie uur begon, wordt het een gesprek tussen twee mensen die allebei iets van de bakkerij weten. En misschien blijkt dat de reden van toen er niet meer is, en dat het hek kan worden weggehaald zonder dat iemand iets verliest.

Waarom het oude zo zwaar weegt
De Amerikaanse economen William Samuelson en Richard Zeckhauser lieten in 1988 zien dat mensen een sterke voorkeur hebben voor de bestaande situatie, ook als een alternatief objectief beter is. Ze noemden dat de status-quovoorkeur. Wie moet kiezen tussen houden wat er is en iets nieuws proberen, kiest vaker voor wat er is. Dat komt deels doordat een verlies zwaarder weegt dan een even grote winst, en elke verandering iets kost. En het komt doordat een fout die ontstaat door iets te doen, zwaarder voelt dan een fout die ontstaat door niets te doen. Wie de oude manier aanhoudt en het gaat mis, kan zeggen dat het altijd zo ging. Wie verandert en het gaat mis, heeft het zelf veroorzaakt.
Voor de vader van Thijs komt daar iets persoonlijks bij. Hij heeft veertig jaar om drie uur gestaan. Als blijkt dat het anders kan, en beter, dan roept dat de vraag op waarom hij dat al die jaren heeft gedaan. Een verandering in de werkwijze klinkt in zijn oren als een oordeel over zijn leven. Elke ondernemer die zijn zaak overdraagt, kent dat gevoel: de opvolger die iets verbetert, zegt daarmee ook iets over hoe het eerst ging.
En er is de kracht van gewoonte. Wat dertig jaar op dezelfde manier is gedaan, is in het lichaam ingesleten. De vader van Thijs wordt om tien voor drie wakker, ook op zondag. Zijn handen weten hoe het deeg moet voelen als het goed is. Een nieuwe werkwijze vraagt van hem dat hij opnieuw moet leren wat hij al zijn hele leven kan. Voor een man van achtenzestig is dat een vreemde en soms vernederende ervaring.
Trouw aan wie het zo deed
In een familiebedrijf is een gewoonte zelden alleen een werkwijze. Ze is ook een herinnering. Als de vader van Thijs om drie uur het deeg aanzet, doet hij wat zijn vader deed, met dezelfde handgrepen, in dezelfde volgorde. In die gewoonte is zijn vader nog aanwezig. Het deeg om drie uur houdt een overleden man in de bakkerij.
Daarom voelt het afschaffen van een gewoonte voor de oudere generatie soms als een tweede afscheid. Wie de oude manier opgeeft, laat iets los van de mensen die haar hebben ingesteld. Systemisch gezien is dat een kwestie van trouw. Een familie blijft verbonden met wie er eerder waren, en routines zijn een van de vormen waarin die verbondenheid leeft. Een zoon die zijn vaders werkwijze verandert, kan in de ogen van de familie ontrouw lijken aan de grootvader, ook als hij het beter doet.
De Britse psychoanalytica Isabel Menzies Lyth zag nog een functie van routines. Ze onderzocht een ziekenhuis waar verpleegkundigen vasthielden aan strakke procedures die niemand meer kon verklaren. Ze ontdekte dat die procedures een verdediging waren tegen angst: angst voor fouten, voor de dood, voor te veel verantwoordelijkheid. Zolang je de procedure volgt, hoef je niet zelf te beslissen. In een familiebedrijf werken routines vaak op dezelfde manier. Ze beschermen tegen de angst om het zelf te moeten weten. Wie altijd doet wat opa deed, hoeft niet te twijfelen.
Dat verklaart waarom de vader van Thijs zo fel reageerde. Thijs vroeg om een andere werkwijze, en vroeg zijn vader daarmee ook om zijn eigen vader los te laten, en om een angst onder ogen te zien die veertig jaar lang door een vaste tijd op de klok was weggehouden.
De hoeders van het oude
In veel families zijn er twee soorten tradities, en ze worden vaak door verschillende mensen bewaakt.
De tradities van het werk zijn meestal van de mannen. Hoe het deeg wordt gemaakt, hoe een klant wordt behandeld, hoe laat de zaak opengaat, welke leverancier al vijftig jaar wordt gebruikt. Vaders geven die tradities door aan zonen, als vakmanschap en als eer. Wie ze verandert, raakt aan de manier waarop een man zijn waarde heeft bewezen.
De tradities van de familie zijn vaker van de vrouwen. Hoe kerst wordt gevierd, wie op zondag op bezoek komt, welke gerechten er op verjaardagen op tafel staan. De Amerikaanse antropologe Micaela di Leonardo noemde dat het verwantschapswerk: het onderhouden van de banden tussen familieleden, via kaarten, telefoontjes, bezoeken en rituelen. Dat werk wordt in de meeste families door vrouwen gedaan, en het houdt een familie bij elkaar.
In een familiebedrijf botsen die twee soorten tradities als een nieuwe generatie binnenkomt. Thijs wil het deeg anders. Zijn vrouw Laura wil kerst niet meer elk jaar bij zijn ouders vieren, maar om het jaar bij haar familie. Zijn vader voelt de eerste verandering als een aanval op zijn vakmanschap. Zijn moeder voelt de tweede als een aanval op de familie. En Thijs en Laura voelen zich door allebei tegengehouden in het vormgeven van hun eigen leven.
Voor een jonge generatie is het nuttig om te zien dat beide soorten tradities een hoeder hebben, en dat elke hoeder iets beschermt wat voor hem of haar waardevol is. Wie de hoeder erkent, kan de traditie makkelijker veranderen. Wie de hoeder passeert, krijgt een gevecht.
Eerst vragen waarom
De zin ‘dat doen we altijd al zo’ sluit een gesprek af. De vraag ‘waarom zijn we ooit zo begonnen?’ opent het weer. Die vraag werkt anders dan de vraag waarom het zo moet. Ze vraagt de oudere generatie om te vertellen, in plaats van zich te verdedigen. Ze maakt van de vader de kenner van de geschiedenis.
Als Thijs zijn vader vraagt waarom opa om drie uur begon, hoort hij misschien een verhaal over de oude oven die vier uur nodig had om op temperatuur te komen. Over de melkboer die om zes uur het brood kwam halen voor zijn ronde. Over een overgrootvader die ’s middags op het land stond. Met dat verhaal in handen kan Thijs laten zien dat de oven allang is vervangen en dat de melkboer niet meer rijdt. Het hek blijkt te staan voor een weg waar niemand meer langskomt.
Verandering in een familiebedrijf landt beter als ze het oude erkent. Sommige opvolgers kiezen ervoor om één dag in de week het oude recept te blijven bakken, als eerbetoon. Anderen noemen een nieuw brood naar de grootvader. Weer anderen vragen hun vader om mee te denken over de nieuwe werkwijze, zodat hij een van de makers van de verandering wordt. Zulke gebaren lijken klein. Voor een man van achtenzestig maken ze het verschil tussen opzij geschoven worden en zijn erfenis zien voortleven in een andere vorm.
Of de vader van Thijs daarvoor openstaat, is niet zeker. Sommige mensen hebben het oude zo nodig dat geen verhaal het kan vervangen. Dan is het aan de opvolger om te kiezen: de verandering uitstellen tot het moment dat zijn vader zich terugtrekt, of haar nu doorvoeren en het verlies van zijn vader serieus nemen. Beide keuzes hebben een prijs. Alleen de keuze om het gesprek nooit te voeren, kost meer.
