De demonen in ons leven
Een herlezing van de demonentaal uit de evangeliën
Eerder schreef ik een artikel over de ‘De demonen in de tijd van Jezus’, maar in onze tijd wordt er in kerkelijke kringen nog steeds gesproken over ‘demonen’.
Het woord “demon” is in de moderne wereld bijna onbruikbaar geworden.
Voor de één roept het associaties op met horrorfilms, bovennatuurlijke geesten en religieus fundamentalisme.
Voor de ander klinkt het als primitieve prepsychologische taal die vervangen is door termen als: trauma, dissociatie, compulsie, hechtingsproblematiek, zenuwstelselreacties.
Toch is het opvallend dat demonentaal hardnekkig blijft terugkeren in menselijke ervaring.
Mensen zeggen nog steeds dingen als: “alsof iets mij overnam”, “ik wist dat het destructief was maar ik kon niet stoppen”, “het voelde sterker dan ikzelf”, “een stem in mij zei dat ik waardeloos was”, of “ik was mezelf kwijt”.
Dat zijn geen toevallige formuleringen.
Misschien beschreef de antieke demonentaal niet letterlijk bovennatuurlijke monsters, maar een ervaring die moderne mensen nog steeds kennen: de ervaring dat bepaalde patronen zich gedragen als autonome machten binnen het menselijk leven.
Niet alles wat wij denken, voelen of geloven staat namelijk werkelijk onder vrije regie van bewust bewustzijn.
En precies daar raken de evangeliën, moderne psychologie en filosofie elkaar onverwacht diep.
De moderne mythe van het autonome individu
De moderne mens ziet zichzelf graag als autonoom.
Sinds de Verlichting is het dominante mensbeeld dat van het rationele individu: bewust, zelfsturend, en controle hebbend over gedachten en keuzes.
Van René Descartes tot het moderne liberalisme loopt dezelfde onderstroom: het zelf als denkend centrum van controle.
Maar twintigste-eeuwse psychologie en filosofie begonnen dat beeld langzaam af te breken.
Sigmund Freud stelde al dat het ego niet “heer in eigen huis” is. Onder het bewuste functioneren liggen: verdringing, drift, herhaling, onbewuste patronen.
Later zou Carl Gustav Jung spreken over autonome complexen: delen van de psyche die zich gedragen alsof ze een eigen wil hebben.
En moderne neurowetenschappen laten zien dat veel reacties ontstaan vóór bewuste reflectie überhaupt actief wordt.
Het idee van een volledig vrij en rationeel zelf blijkt grotendeels een constructie.
Dat betekent niet dat mensen geen verantwoordelijkheid hebben.
Maar wel dat het menselijk bewustzijn veel minder centraal staat dan moderne culturen graag geloven.
Overlevingsmechanismen
Vanuit trauma-psychologie zijn overlevingsmechanismen geen fouten. Ze zijn noodzakelijk!
Een kind dat opgroeit in onveiligheid ontwikkelt strategieën om verbondenheid of veiligheid te behouden: pleasen, controleren, dissociëren, hyperalert worden, presteren, zorgen voor anderen, emotioneel verdwijnen. Vanuit het zenuwstelsel zijn dat uiterst intelligente reacties.
Stephen Porges beschrijft in de polyvagaaltheorie hoe het autonome zenuwstelsel voortdurend scant op veiligheid of dreiging.
Veel gedrag ontstaat dus niet vanuit rationele keuze, maar vanuit neurobiologische bescherming.
Het probleem ontstaat later.
Wat ooit bescherming bood, kan na je 23ste, veranderen in een rigide levensstructuur.
Dan is het mechanisme niet langer situationeel, maar existentieel.
Niet: “Ik pas me soms aan.”
Maar: “Ik besta door aanpassing.”
Wanneer een mechanisme een identiteit wordt
Dat is het kantelpunt.
Een overtuiging wordt problematisch wanneer zij niet meer ervaren wordt als: een strategie, maar als: de werkelijkheid zelf.
Bijvoorbeeld:
– “Ik moet nuttig zijn om liefde te verdienen.”
– “Ik ben alleen veilig als ik controle houd.”
– “Kwetsbaarheid leidt altijd tot afwijzing.”
– “Mijn waarde ligt in zorgen voor anderen.”
Dergelijke overtuigingen functioneren niet als losse gedachten.
Ze organiseren complete percepties van de werkelijkheid.
De filosoof Martin Heidegger zou zeggen: ze vormen een manier van “in-de-wereld-zijn”.
De persoon ziet de werkelijkheid niet meer rechtstreeks, maar door een vernauwende interpretatiestructuur.
En precies daar begint de vergelijking met demonentaal interessant te worden.
De ervaring van bezetenheid
In de evangeliën wordt bezetenheid vaak beschreven als: verlies van autonomie.
Mensen raken: verdeeld, geïsoleerd, ontregeld, niet meer volledig aanwezig.
Opvallend genoeg beschrijven moderne psychologische patiënten vergelijkbare ervaringen.
Bij trauma en dissociatie rapporteren mensen vaak: innerlijke fragmentatie, tegengestelde stemmen, verlies van regie, compulsieve herhaling, vervreemding van zichzelf.
De psychoanalyticus Donald Winnicott beschreef hoe een “vals zelf” kan ontstaan: een persoonlijkheidsstructuur die overleving mogelijk maakt, maar de spontane levende kern van de persoon afschermt.
De persoon functioneert dan nog wel — maar leeft niet volledig meer vanuit aanwezigheid.
Dat lijkt opvallend op de dynamiek van demonische ontmenselijking in Marcus.
Het autonome complex
Jung gebruikte hiervoor een fascinerend begrip: het autonome complex.
Een complex is volgens Jung geen simpele gedachte, maar een emotioneel geladen psychisch systeem dat: eigen reacties oproept, gedrag beïnvloedt, bewustzijn vernauwt.
Wanneer een complex geactiveerd wordt, verliest het ‘ik’ gedeeltelijk zijn centrale positie en neemt het overlevingsmechanisme het over.
Mensen zeggen dan: “ik weet niet wat me overkwam”, “iets schoot in mij”, of “ik kon mezelf niet stoppen”.
Jung koos bewust taal die bijna spiritueel klinkt, omdat sommige innerlijke patronen zich werkelijk gedragen als onafhankelijke krachten.
Niet letterlijk demonisch — maar ook niet volledig onder rationele controle.
De mens is niet transparant voor zichzelf
Ook filosofisch werd het moderne idee van volledige zelfkennis ondermijnd.
Paul Ricoeur sprak over de “hermeneutiek van de achterdocht”: de ontdekking dat mensen niet volledig begrijpen waarom ze doen wat ze doen.
Michel Foucault liet vervolgens zien hoe machtssystemen zichzelf internaliseren.
Mensen denken vaak dat hun overtuigingen volledig persoonlijk zijn, terwijl zij in werkelijkheid gevormd worden door: cultuur, disciplinering, instituties, sociale verwachtingen.
Ook dat lijkt op demonentaal: machten die groter zijn dan het individu, maar zich via individuen uitdrukken.
Het demonische als vernauwing van menselijkheid
Misschien ligt daar een bruikbare moderne definitie van het “demonische”.
Niet: een bovennatuurlijk monster.
Maar: een kracht — psychisch, sociaal of existentieel — die menselijke vrijheid vernauwt.
De filosoof Erich Fromm beschreef hoe mensen soms vluchten voor vrijheid, omdat vrijheid onzekerheid oproept.
Rigide systemen geven veiligheid: ideologie, perfectionisme, controle, superioriteit, slachtofferschap.
Maar tegelijkertijd maken ze het leven smaller.
Het demonische zou je dan kunnen begrijpen als: datgene wat menselijke openheid fixeert.
Waarom deze patronen zo absoluut voelen
Een opvallend kenmerk van overlevingsmechanismen is hun totalitaire taal.
Ze spreken in absoluten: altijd, nooit, iedereen, niemand, je moet, je mag niet.
Traumatherapeuten herkennen dit onmiddellijk.
Wanneer iemand sterk geactiveerd raakt, verdwijnt nuance.
Het zenuwstelsel schakelt over naar overleving.
De wereld wordt zwart-wit.
En precies dat zie je ook in demonische taal: de mens raakt gevangen in een werkelijkheid zonder flexibiliteit.
De redder als modern voorbeeld
Een interessant voorbeeld is de reddersrol. Mensen die hun waarde ontlenen aan zorgen voor anderen ervaren dat vaak als morele waarheid: “Ik moet dragen”, “Ik ben verantwoordelijk”, “Anderen hebben mij nodig”.
Maar psychologisch kan daar een diep overlevingsmechanisme onder liggen: verbinding veiligstellen via onmisbaarheid.
De persoon helpt werkelijk — maar raakt tegelijk gevangen in een identiteit die geen wederkerigheid meer verdraagt.
De “helper” wordt dan paradoxaal genoeg zelf onvrij.
* De aanklager als demon
De aanklager lijkt op het eerste gezicht de meest agressieve rol.
Maar onder de oppervlakte zit meestal iets anders: bescherming tegen kwetsbaarheid.
De functie van de aanklager
De aanklager probeert controle te krijgen via: schuld, oordeel, superioriteit, kritiek, morele zekerheid.
De onderliggende overtuiging luidt vaak: “Als ik controle verlies, word ik vernietigd.” Of: “Kwetsbaarheid is gevaarlijk.”
Daarom organiseert de aanklager de wereld via: goed/fout, sterk/zwak, schuldig/onschuldig.
De werkelijkheid wordt zwart-wit.
In psychologische zin wordt de aanklager demonisch wanneer oordeel: compulsief wordt, alles filtert, relaties vervormt, en nuance onmogelijk maakt.
De persoon ziet dan niet langer werkelijk de ander, maar alleen: tekort, bedreiging, falen.
Dat lijkt sterk op wat filosofen beschrijven als ideologische fixatie.
Hannah Arendt schreef dat totalitaire systemen beginnen wanneer mensen niet meer werkelijk waarnemen, maar alleen nog reageren vanuit absolute schema’s.
De aanklager leeft in zo’n schema.
De innerlijke aanklager
Belangrijk: de aanklager hoeft niet extern te zijn.
Veel mensen dragen een geïnternaliseerde aanklager: perfectionisme, schaamte, zelfhaat, voortdurende zelfcorrectie.
De psychoanalyticus Sigmund Freud noemde dit het superego: de innerlijke autoriteit die voortdurend oordeelt.
Dan ontstaat een innerlijk systeem waarin iemand nooit werkelijk mag bestaan zoals hij is.
De aanklager functioneert dan als: een bezettende stem.
* Het slachtoffer als demon
Het slachtoffer is ingewikkelder, omdat slachtofferschap soms reëel is.
Mensen kunnen daadwerkelijk slachtoffer zijn van: geweld, misbruik, onderdrukking, trauma.
Dat moet niet gepathologiseerd worden.
Maar binnen de dramadriehoek betekent “slachtoffer” iets specifieks: een identiteit georganiseerd rondom machteloosheid.
De functie van het slachtoffer
Het slachtoffer beschermt zichzelf via: hulpeloosheid, passiviteit, afhankelijkheid, en externalisering van verantwoordelijkheid.
De verborgen overtuiging luidt vaak: “Ik kan niets veranderen”. Of: “De wereld bepaalt alles”.
Daaronder ligt vaak diepe angst: voor autonomie, falen, afwijzing, of verantwoordelijkheid.
Het slachtoffer wordt demonisch wanneer machteloosheid: een identiteit wordt, alle mogelijkheden opslokt, agency vernietigt, en relaties manipuleert via schuld of afhankelijkheid.
Dan ontstaat een vernauwde werkelijkheid waarin: verandering onmogelijk lijkt, verantwoordelijkheid altijd buiten het zelf ligt, de persoon geen toegang meer ervaart tot eigen handelingsvermogen.
De filosoof Jean-Paul Sartre beschreef iets vergelijkbaars als “kwade trouw”: de neiging van mensen om zichzelf volledig als object te zien, om de angst van vrijheid te vermijden.
Dat betekent niet dat lijden niet echt is.
Maar wel dat identiteit kan samenvallen met onmacht.
Het verborgen voordeel van slachtofferschap
Dat klinkt confronterend, maar psychologisch levert slachtofferschap soms ook veiligheid op.
Niet bewust manipulatief — maar existentieel.
Want zolang iemand volledig machteloos blijft, hoeft hij: geen risico te nemen, geen verantwoordelijkheid te dragen, geen verlies te verdragen, of geen autonomie te ontwikkelen.
Het patroon beschermt dus iets.
En precies daarom houdt het zichzelf in stand.
Waarom deze rollen op demonische bezetting lijken
Wat de dramadriehoek zo interessant maakt, is dat mensen in deze rollen vaak zeggen: “Ik kon niet anders.”; “Ik schoot er weer in.”; “Het nam me over.”; “Ik werd getriggerd.” of “Achteraf zag ik pas wat er gebeurde.”
Dat taalgebruik lijkt opvallend op oude beschrijvingen van bezetenheid.
Niet omdat er letterlijk geesten bezit nemen van mensen, maar omdat: het bewustzijn vernauwt en gedrag gedeeltelijk geautomatiseerd raakt.
Vanuit neurowetenschap is dat begrijpelijk.
Sterke emotionele activatie activeert oudere overlevingscircuits: vechten, vluchten, bevriezen, aanpassen.
De reflectieve ruimte van het bewustzijn wordt kleiner.
De persoon wordt reactiever en minder aanwezig.
De drie rollen zijn allemaal pogingen om pijn te reguleren
Dat is cruciaal.
Geen van deze rollen ontstaat uit kwaadaardigheid.
De aanklager probeert: veiligheid via controle.
Het slachtoffer probeert: veiligheid via afhankelijkheid.
De redder probeert: veiligheid via onmisbaarheid.
Alle drie vermijden uiteindelijk dezelfde existentiële kwetsbaarheid: onzekerheid, wederkerigheid, verlies van controle, echte afhankelijkheid, open aanwezigheid.
Waarom deze patronen relaties ontmenselijken
De dramadriehoek vervormt relaties, omdat de ander niet meer werkelijk gezien wordt.
De ander wordt: iemand om te redden, iemand om te beschuldigen, iemand die jou moet dragen.
Maar niet: een volledig subject.
Martin Buber maakte onderscheid tussen: Ik-Gij-relaties en Ik-Het-relaties.
In gezonde aanwezigheid ontmoet je de ander als werkelijk persoon.
In de dramadriehoek wordt de ander onderdeel van jouw overlevingssysteem.
Dan verdwijnt wederkerigheid.
Bevrijding betekent niet dat patronen verdwijnen
Dat is misschien de belangrijkste nuance.
Psychologische bevrijding betekent niet: nooit meer slachtoffer, aanklager of redder voelen. Iedereen kent die impulsen.
Vrijheid ontstaat wanneer iemand: de rol kan herkennen, er niet volledig mee samenvalt, en ruimte ervaart tussen impuls en identiteit.
Dan verschuift: “Ik bén dit.” naar: “Ik merk dat dit patroon actief wordt.”
Dat is een fundamenteel verschil.
Misschien is dat wat oude demonentaal probeerde te beschrijven
Misschien spraken oude teksten over “demonen” omdat mensen al duizenden jaren dezelfde ervaring kennen: dat menselijke wezens soms bezet raken door patronen die: groter voelen dan hun wil, relaties vervormen, vrijheid vernauwen, werkelijkheid fixeren.
De moderne wereld noemt dat: trauma, schema’s, complexen, conditionering, overlevingsstrategieën.
De oudheid sprak over: onreine geesten.
Misschien verwijzen beide talen uiteindelijk naar dezelfde menselijke angst: dat een mens zichzelf kan verliezen in een patroon dat ooit bescherming bood, maar uiteindelijk bezit neemt van het leven zelf.
Bevrijding als herstel van aanwezigheid
In de evangeliën eindigt bevrijding vaak opvallend eenvoudig.
Mensen worden: rustig, relationeel, aanspreekbaar, opnieuw aanwezig.
Niet perfect. Niet almachtig. Maar weer mens tussen andere mensen.
Vanuit moderne psychologie zou je kunnen zeggen: de persoon valt niet langer volledig samen met het mechanisme.
Er ontstaat weer ruimte tussen: bewustzijn, emotie, impuls, identiteit.
Dat is wezenlijk anders dan volledige controle.
Gezondheid betekent niet: geen patronen meer hebben.
Maar: niet volledig door die patronen bestuurd worden.
Misschien is dat waarom demonentaal blijft resoneren
De moderne wereld heeft oude religieuze taal grotendeels vervangen door: psychologie, neurologie, psychiatrie, sociologie.
Toch blijft demonentaal bestaan in metaforen, films, ervaringen, literatuur en persoonlijke beschrijvingen.
Misschien omdat mensen nog steeds dezelfde fundamentele ervaring kennen: dat een mens zichzelf kwijt kan raken.x
Niet noodzakelijk door bovennatuurlijke geesten, maar door: trauma, systemen, ideologie, schaamte, compulsie, angst, overlevingsstructuren.
De woorden zijn veranderd.
Maar de menselijke ervaring van innerlijke bezetting — van geleefd worden door iets dat groter voelt dan de bewuste wil — is opvallend herkenbaar gebleven.
En misschien verklaart dat waarom de oude verhalen nog steeds zoveel kracht hebben.
In het Evangelie volgens Marcus gebeurt een duidelijke verschuiving wanneer Jezus zegt dat niet wat van buiten de mens in hem komt hem onrein maakt, maar wat uit de mens zelf naar buiten komt. Daarmee verschuift de focus van externe regels, rituelen en sociale besmetting naar de innerlijke bron van gedachten, verlangens en motieven. Het “hart” wordt zo niet alleen een emotioneel centrum, maar de oorsprong van gedrag. Onreinheid is dan niet iets dat van buitenaf binnenkomt, maar iets dat uit de mens zelf voortkomt.
Hier ontstaat het idee dat de mens niet volledig transparant is voor zichzelf. Gedrag komt niet alleen voort uit bewuste keuze, maar ook uit lagen van angst, verlangen en zelfrechtvaardiging die niet altijd zichtbaar zijn.
In het Evangelie volgens Johannes wordt dit verder verdiept. Jezus spreekt daar over waarheid die vrijmaakt, licht tegenover duisternis, en het blijven in de wijnstok als beeld van innerlijke verbondenheid. Ook het loslaten van “de wereld” verwijst naar een manier van bestaan die vervormd kan raken door illusie en zelfbedrog.
In die lijn wordt duidelijk dat het probleem niet alleen zit in wat iemand doet, maar in wat iemand innerlijk draagt zonder het volledig te zien. Hypocrisie, zelfrechtvaardiging en innerlijke verdeeldheid worden zichtbaar als vormen van vervormd bewustzijn.
Daar raakt deze taal aan wat Carl Gustav Jung later “schaduw” zou noemen: delen van de psyche die niet worden erkend, maar toch gedrag sturen via projectie, spanning en herhaling. Ook het idee van katharsis bij Aristoteles past hier deels bij: een proces van zuivering en herordening, waarin innerlijke spanning wordt ontladen en het bewustzijn weer in balans kan komen.
Zo ontstaat een gedeeld denkveld tussen Marcus, Johannes, Jung en de Griekse filosofie. In al deze tradities staat één intuïtie centraal: de mens wordt niet alleen bepaald door wat hij bewust kiest, maar ook door innerlijke lagen die eerst zichtbaar moeten worden voordat er echte vrijheid kan ontstaan.
Wil je nog meer weten over demonen? Lees verder: https://www.dinekevankooten.nl – demonen
