De kracht van verbondenheid
Ik was onlangs op een congres en ik keek: de spreker was daar samen met zijn vrouw. Wat mij raakte, was de eenheid die ik tussen hen voelde. Hij stond daar niet alleen. Naast zijn uitgesproken onderbouwde visie werd ik ook geraakt door de kracht van hun verbondenheid.
Het opvallendste aan die waarneming is één zin: hij stond daar niet alleen. Ik die hem niet kende, zag hem spreken en merkte iets op tussen twee mensen. Wat ik zag, zat dus niet in hem en niet in zijn vrouw. Het zat in de ruimte tussen hen, en was zo werkelijk dat ik als buitenstaander het kon lezen. Dan is de vraag: wat leest een lichaam eigenlijk, als het zoiets ‘voelt’?
Mensen die lang en veilig met elkaar leven, stemmen hun zenuwstelsels op elkaar af. Bij partners die dicht bij elkaar zijn, gaan ademhaling en hartritme meebewegen, en dat gebeurt sterker naarmate de relatie veiliger is. Een toeschouwer neemt dat onbewust waar: in de stem, in de houding, in de manier waarop de een de ander niet hoeft te bewaken. Ons zenuwstelsel scant voortdurend op veiligheid, lang voordat we er woorden voor hebben. Wat de schrijver ‘voelde’, was dus letterlijk waargenomen: twee lichamen die zich tegenover elkaar niet hoeven te beschermen.
Dat verklaart ook waarom de twee dingen die mij raakten, zijn uitgesproken visie en hun verbondenheid, in mijn beleving samenvielen. Wie in het openbaar een scherpe, onderbouwde mening geeft, staat bloot. Een zenuwstelsel dat thuis gedragen wordt, hoeft zich in die blootstelling niet te verdedigen. Dan krijgt uitgesprokenheid rust in plaats van strijdlust. Zijn stelligheid kwam voort uit een verankering.
Daaronder ligt een ontwikkelingswet. Een kind verkent de wereld vanuit een veilige basis; hoe zekerder die basis, hoe verder het durft te gaan. Volwassen hechting werkt hetzelfde. De dominante cultuur denkt omgekeerd: eerst word je een autonoom individu, daarna sluit je een relatie als overeenkomst tussen twee afgeronde mensen. Maar een ik groeit in een wij, en blijft dat doen. Afhankelijkheid maakt zelfstandigheid mogelijk. De eenheid die op dat congres voelbaar was, was er een waarin hij méér zichzelf kon zijn.
Ik beschrijf dat in mijn boek ‘de fik erin’ zo: mannen en vrouwen hebben in de relatie een IK-ontwikkeling en een WIJ-ontwikkeling aan te gaan en de volgende stap is een IK-verdieping en een WIJ-verdieping.

Een stap dieper zit de vraag waaróm dat bij het ene paar lukt en bij het andere niet. Iedereen neemt zijn vroegste geschiedenis mee de relatie in: wat je kreeg terwijl je het niet nodig had, en wat je niet kreeg terwijl je het wel nodig had. Zolang dat onbewust blijft, krijgt de partner de taak om goed te maken wat ooit ontbrak. De relatie draagt dan een last die van elders komt. Van buitenaf zie je dat als behoeftigheid, als spanning, of als iemand die naast de ander klein wordt. De vanzelfsprekende eenheid die ik op dat congres zag, veronderstelt dat beide partners hun ouders ergens hun plek hebben teruggegeven. De ander is dan partner, geen vervangende ouder en geen kind om voor te zorgen. Daar hoort ook evenwicht bij in geven en nemen: wie alleen geeft, maakt de ander schuldig, en schuld holt een band langzaam uit.
En dan het verschil. Eenheid is het sterkst voelbaar waar twee mensen duidelijk twee zijn. Tussen een mannelijke en een vrouwelijke pool, in welke verhouding die bij een paar ook ligt, ontstaat lading. Paren die alles delen en overal hetzelfde over denken, worden na verloop van tijd eerder broer en zus dan geliefden: veilig, maar zonder spanning. Wat een buitenstaander als kracht ervaart, is vaak precies die combinatie van verbinding en verschil. De een geeft richting, de ander geeft die richting gewicht, en de aandacht tussen hen blijft geladen.
De wortel van die wortel is misschien deze: in een levende relatie ontstaat iets derde, iets dat groter is dan de som van twee mensen en waar beiden aan dienstbaar zijn. Dat derde ontstaat zelden zonder schrammen. De paren bij wie je die eenheid voelt, hebben vaak een crisis doorgemaakt die ze niet hebben ontweken, waarin het oude samenzijn uit elkaar viel en iets nieuws moest groeien. Daarnaast weerspiegelt de buitenste eenheid meestal een binnenste: wie het andere geslacht in zichzelf enigszins heeft leren kennen, hoeft de partner minder te belasten met zijn projecties. Dan kan de ander gewoon de ander zijn.
Wat open blijft, is waarom dit mij zó raakte. Ik gun het in mijn praktijk zoveel stellen. Ik werk daar naar toe en probeer dit uit te leggen. Die twee laten mijns inziens iets zien waar velen naar verlangen en waarvan ze tegelijk betwijfelen of het bestaat. Wat mij raakt in de verbondenheid van een ander, zegt meestal ook iets over mijn eigen geschiedenis, over wat ik zelf heb gekend, of juist gemist.
Om mij heen zie ik dat wie die eenheid rechtstreeks probeert te maken, meestal misgrijpt. Het verlangen naar verbondenheid komt vaak juist uit de plek waar ooit iets ontbrak, en dan wordt de relatie het middel om dat tekort te vullen. Die eenheid ontstaat als bijproduct: van twee mensen die elk hun eigen werk doen, binnen een band die ze allebei serieus nemen. De vraag is dus welke voorwaarden je kunt scheppen.

De eerste voorwaarde is verrassend nuchter. Onderzoek naar moeders en baby’s liet zien dat zelfs goed afgestemde paren maar een klein deel van de tijd werkelijk op elkaar afgestemd zijn. De rest van de tijd lopen ze langs elkaar heen: het kind wil iets anders dan de moeder aanbiedt, de moeder mist een signaal. Wat de band sterk maakt, is het herstel daarna: het moment waarop de een terugkomt bij de ander en de verbinding weer gevonden wordt. Bij volwassenen werkt het precies zo. Paren die verbondenheid uitstralen, hebben niet minder conflict, ze herstellen beter. Een hand op de arm na een harde opmerking, een “dat was niet eerlijk van mij”, een terugkomen na een nacht slecht slapen. Elke keer dat het misgaat en weer goedkomt, leert het zenuwstelsel dat deze ander veilig blijft, ook als het schuurt. Zo groeit vertrouwen: door breuk en herstel, honderden keren.
Herstel lukt alleen als je opmerkt wanneer je uit verbinding raakt. Onder stress schiet het lichaam in vechten, vluchten of verstijven, en op dat moment wordt de partner een bedreiging. Wie leert opmerken dat het gebeurt, de hitte in de borst, de neiging om weg te lopen of juist door te drammen, krijgt een fractie van een seconde ruimte. In die ruimte begint de relatie.
Een tweede beweging gaat dieper. Een reactie die groter is dan de aanleiding wijst bijna altijd naar iets ouds. De partner raakt een plek die er al lag, lang voordat deze relatie begon. Een bruikbare vraag op zo’n moment is: hoe oud ben ik nu? Wie voelt dat er een kind van zeven reageert, kan dat kind zelf vasthouden, in plaats van de partner verantwoordelijk te maken voor wat er toen gebeurde. Daarna kun je het de ander vertellen vanuit kwetsbaarheid: “dit raakt bij mij iets ouds”, in plaats van vanuit beschuldiging. Dat verandert de hele dynamiek. De ander wordt getuige van je pijn in plaats van de dader ervan.
Daar hoort rouw bij, en dat is misschien het moeilijkste stuk. Wat je als kind niet hebt gekregen, kun je later niet meer krijgen, ook niet van je partner. Zolang dat niet betreurd is, blijft het een eis. Pas wanneer het verdriet om wat ontbrak werkelijk gevoeld is, kan de partner ophouden schuldenaar te zijn. Dan kun je ontvangen wat de ander wél geeft, in plaats van te blijven meten wat hij of zij niet geeft. Dat verdriet is geen gezellig proces, maar het maakt iemand vrij om lief te hebben zonder rekening.
In de dagelijkse uitwisseling speelt het evenwicht van geven en nemen. Veel mensen zijn beter in geven dan in ontvangen; ontvangen maakt afhankelijk, en dat voelt onveilig voor wie vroeg heeft geleerd op zichzelf te passen. Toch ontstaat er pas stroming als beiden nemen. Een liefdevolle wet in relaties is dat je bij het goede iets méér teruggeeft dan je kreeg, zodat de uitwisseling groeit. Bij het kwade, wanneer de ander je kwetst, is de neiging om af te zien van elke reactie, vaak uit een soort morele hoogte. Maar wie alleen vergeeft, plaatst zich boven de ander, en dat ondermijnt de gelijkwaardigheid. Iets teruggeven, maar net iets minder dan je kreeg, herstelt het evenwicht en houdt de band open.
Dan de spanning tussen de twee polen. Paren die alles samen doen, alles bespreken en elk verschil wegonderhandelen, verliezen hun lading. Verlangen heeft afstand nodig. Het helpt als ieder een eigen terrein heeft, eigen vrienden, eigen werk, eigen stilte, en daaruit terugkomt met iets te geven. Het helpt ook om het verschil niet steeds glad te strijken. Wie de mannelijke pool draagt, kan leren aanwezig te blijven in plaats van op te lossen of te vluchten wanneer de ander in beweging is. Wie de vrouwelijke pool draagt, kan leren te laten zien wat er in haar leeft, in plaats van zich aan te passen. Dat vergt van beiden moed, en het vergt het besef dat het verschil de kracht is.
Wat dit allemaal ingewikkeld maakt, is dat één mens het niet alleen kan bereiken. Tegelijk verandert een systeem zodra één deel ervan verandert. Wie stopt met het oude spel, dwingt de ander tot een andere zet, al weet je nooit welke. Soms groeit de ander mee, soms blijkt dat de relatie op het oude spel rustte. Die onzekerheid hoort erbij. De eenheid die ik op het congres voelde, was vermoedelijk het resultaat van jaren van precies dit werk, met alle mislukkingen erin. Wat je daarvan kunt bereiken, hangt af van wat je bereid bent onder ogen te zien, en van wie er naast je staat.
Nog even dit. Er wordt wel gezegd: “Achter elke succesvolle man staat een sterke vrouw.” Het gezegde vangt iets wat klopt, en verbergt tegelijk iets. Het verraderlijke woord is achter.
Wat klopt, sluit aan bij wat ik eerder zag. Een man die in de wereld richting geeft, heeft een basis nodig waar hij niet hoeft te presteren. Opvallend genoeg profiteren mannen gezondheidskundig gemiddeld meer van een huwelijk dan vrouwen: ze leven langer, herstellen beter, raken minder geïsoleerd. Veel mannen hebben minder eigen kanalen om spanning te reguleren, minder vriendschappen waarin ze zich laten zien, en leunen voor hun emotionele verankering sterker op hun partner. De vrouw is voor hen vaak de plek waar het zenuwstelsel tot rust komt. Daarbij komt iets wat in het polaire denken over man en vrouw centraal staat: een man groeit van vertrouwen. Wanneer een vrouw in hem gelooft, krijgt zijn richting kracht. Wanneer ze hem wantrouwt of corrigeert, verschrompelt die richting. Het gezegde wijst dus naar een echte bron.
Maar achter plaatst die bron op een plek waar ze niet hoort. In het scheppingsverhaal wordt de vrouw ezer kenegdo genoemd, meestal vertaald als ‘hulp die bij hem past’. Het woord ezer wordt in de Hebreeuwse Bijbel vooral voor God zelf gebruikt, als de helper die redt. En kenegdo betekent letterlijk: tegenover hem. De vrouw staat dus in dit oerverhaal tegenover de man, als gelijkwaardig gezicht dat hem aankijkt, aanvult en tegenspreekt. Niet achter hem, in zijn schaduw.
Dat verschil heeft praktische gevolgen. Een vrouw die achter haar man staat, kan twee heel verschillende dingen doen. Ze kan de grond zijn van een polariteit: haar eigen leven leiden, haar eigen kracht kennen, en vanuit die volheid haar vertrouwen geven aan zijn richting. Dan geeft ze en ontvangt ze, en blijft het evenwicht intact. Maar ze kan ook haar eigen leven opgeven om het zijne mogelijk te maken: zijn agenda bewaken, zijn emoties opvangen, zijn tekorten verbergen. Dan wordt ze ongemerkt zijn moeder, en hij haar kind. Het succes van de man rust dan op een onzichtbare schuld die zich ooit aandient, als bitterheid bij haar, als afhankelijkheid bij hem, of als een leegte wanneer het succes wegvalt.
Van buitenaf zie je het verschil. Bij het eerste staat ze naast hem, zoals in toen op dat congres: zichtbaar, als iemand met een eigen gewicht, en juist daardoor versterkt ze hem. Bij het tweede staat ze achter hem en valt ze weg, en voel je eerder een man die gedragen wordt dan een eenheid tussen twee.
Wat het gezegde ook verzwijgt, is de omgekeerde richting. Wie draagt de vrouw? Een vrouw die zich kan openen, die in beweging mag zijn, die haar gevoel kan laten stromen zonder het te hoeven beheersen, heeft een man nodig die aanwezig blijft, die niet vlucht of oplost, die haar ruimte geeft en houdt. Het gezegde draait in een levende relatie dus twee kanten op, maar in verschillende gedaanten: zij voedt zijn richting met vertrouwen, hij voedt haar openheid met aanwezigheid.
Misschien zou het gezegde dan zo moeten luiden: naast elke man die werkelijk staat, staat een vrouw die werkelijk staat. Alleen klinkt dat minder goed. Wat de oorspronkelijke versie wél bewaart, is de intuïtie dat succes zelden het werk van één persoon is, en dat de bron vaak onzichtbaar blijft. De vraag is alleen of die onzichtbaarheid gekozen is, of afgedwongen.

