De vergeten schat
Over de blinde vlek in kerk en spiritualiteit
In veel kerkelijke contexten wordt seksualiteit primair benaderd vanuit begrenzing. Het gesprek cirkelt rond beheersing, moraliteit en zuiverheid. Seksualiteit verschijnt als iets dat ingekaderd moet worden, bewaakt, gereguleerd — alsof zij in haar kern ontregelend of verdacht is. De nadruk ligt op wat niet mag. Zelden op wat mogelijk is.
Dat is begrijpelijk. Seksualiteit kan beschadigen. Zij kan macht vermengen met afhankelijkheid, verlangen met manipulatie, intimiteit met misbruik. Grenzen zijn daarom niet willekeurig, maar wijs. Toch ontstaat er een theologische eenzijdigheid wanneer het spreken bij de grens blijft steken. Dan wordt seksualiteit gereduceerd tot een ethisch probleem, terwijl zij in wezen een antropologisch en spiritueel gegeven is.
Wat zelden wordt uitgesproken, laat staan doordacht, is dat seksualiteit ook een bron van vreugde is — een ervaring waarin het lichaam bevestigt dat het goed is om te bestaan. Zij is een kracht tot verbinding, waarin twee mensen elkaar niet alleen ontmoeten, maar wederzijds ontvangen. Zij draagt scheppingskracht in zich, niet alleen biologisch, maar ook relationeel en existentieel. En zij kan, in haar meest rijpe vorm, zelfs een poort naar spiritualiteit zijn, omdat zij de mens uit zichzelf tilt en in aanraking brengt met overgave, ontvankelijkheid en eenheid.
Wanneer deze dimensies onderbelicht blijven, ontstaat er scheefgroei. Gelovigen leren hun verlangen wantrouwen. Genot raakt beladen met schuld. Lichamelijkheid wordt losgemaakt van heiligheid. Het geloof nestelt zich in het hoofd, terwijl het lichaam een ongemakkelijk bijgebied wordt. De ziel bidt, maar het lijf zwijgt.
Toch is seksualiteit geen geïsoleerde drift die op zichzelf staat. Zij is de geconcentreerde vorm van iets fundamentelers: gevoeligheid.
Gevoeligheid is het vermogen om geraakt te worden — door aanraking, door schoonheid, door verdriet, door een ander mens. Het is de openheid van het lichaam en het hart. Wij zijn voelende wezens voordat wij redenerende wezens zijn. Een mens die niet geraakt kan worden, kan niet liefhebben. Wie zich niet laat beroeren, kan niet vertrouwen. Zelfs gebed veronderstelt gevoeligheid: het vermogen om aangesproken te worden.
In die zin is gevoeligheid geen zwakte, maar de bodem van ons mens-zijn.
Seksualiteit groeit uit die bodem. Waar gevoeligheid openheid wordt, ontstaat intimiteit. Waar intimiteit verdiept, ontstaat verlangen. En waar verlangen zich in vertrouwen toevertrouwt, kan seksuele ontmoeting ontstaan. Wie seksualiteit uitsluitend moreel benadert, ziet vooral haar uiterlijke vorm. Wie dieper kijkt, herkent een beweging van binnenuit: de mens die verlangt naar eenheid, naar wederzijdse bevestiging, naar het ervaren dat het goed is om belichaamd te zijn.
Wie goed kijkt naar menselijke relaties, ziet een beweging die bijna cirkelvormig is. Eerst is er contact: de blik die blijft hangen, het gesprek dat opent, de ervaring gezien te worden. Uit herhaald contact groeit hechting — het besef dat de ander veilig is, dat nabijheid geen bedreiging vormt. Waar hechting verdiept, ontstaat intimiteit: men durft zich te tonen zonder masker, kwetsbaar en ontvankelijk.
Seksualiteit is in die zin geen beginpunt, maar een intensivering van wat al gegroeid is. Zij is de belichaamde vorm van vertrouwen dat eerder werd opgebouwd. En wanneer die lichamelijke overgave werkelijk wederkerig is, kan zij opnieuw openen naar iets dat groter is dan beide partners: een ervaring van eenheid, van overstijging, van dankbaarheid — wat velen intuïtief als spiritueel herkennen.
De beweging loopt dan niet van seksualiteit weg naar het geestelijke, maar via seksualiteit naar een verdiept besef van verbondenheid. Contact wordt hechting, hechting wordt intimiteit, intimiteit wordt lichamelijke overgave — en lichamelijke overgave kan uitmonden in een ervaring van heilige aanwezigheid.
Hier raakt seksualiteit aan spiritualiteit.
Het christelijk geloof belijdt geen ontsnapping uit het lichaam, maar de incarnatie: het Woord werd vlees. Daarmee wordt lichamelijkheid niet gereduceerd tot omhulsel of risicozone, maar erkend als plaats van openbaring. Het lichaam is geen obstakel voor het geestelijke leven, maar zijn drager. In dat licht kan seksualiteit niet louter worden gezien als morele test; zij behoort tot de krachten waarmee mensen zich tot elkaar en — indirect — tot God verhouden.
Dat betekent niet dat iedere seksuele ervaring heilig is. Integendeel. Juist omdat seksualiteit zo diep verbonden is met onze gevoeligheid, kan zij ook diep verwonden. Maar verwondbaarheid is geen argument tegen betekenis. Dat iets kwetsbaar is, zegt vaak dat het kostbaar is.
In veel kerkelijke tradities is sensualiteit — het genieten van het zintuiglijke bestaan — met wantrouwen bekeken. Genieten werd gemakkelijk verdacht. Toch is het vermogen om vreugde te ervaren in aanraking, smaak, geur, muziek en nabijheid geen vijand van het geloof. Wanneer sensualiteit wordt onderdrukt, verschraalt niet alleen het huwelijk; ook spiritualiteit wordt cerebraal, afstandelijk, ontlichaamd.
De grote mystici wisten dat. Hun taal over God is doortrokken van liefdesbeelden, lichamelijke metaforen, verlangen en overgave. Blijkbaar is het lichaam geen vreemde taal voor het geestelijke, maar een van zijn moedertalen.
Seksualiteit is in dat perspectief geen losse impuls, maar de integratie van gevoeligheid en sensualiteit in een relationele overgave. Zij is een vorm van kennen — niet analytisch, maar existentieel. In een liefdesrelatie kan seksualiteit bevestiging zijn van bestaansrecht, wederzijdse ontvankelijkheid, communicatie zonder woorden. Wanneer zij wordt losgemaakt van gevoeligheid en sensualiteit, wordt zij gereduceerd tot techniek of ontlading. Wanneer zij geïntegreerd wordt, krijgt zij een bijna sacramenteel karakter: zij wordt een zichtbare, tastbare uitdrukking van onzichtbare verbondenheid.
Waarom heeft de kerk moeite gehad om deze dimensie voluit te omarmen? Mogelijk speelt angst voor ontregeling een rol. Eros is krachtig en niet volledig controleerbaar. Misschien werkt ook een oud dualisme door, waarin geest en lichaam tegenover elkaar zijn geplaatst. Of er is historische voorzichtigheid ontstaan door misbruik en ontsporing, waardoor het veiliger leek om te zwijgen dan om te verdiepen.
Wat de oorzaak ook is, het gevolg is dat seksualiteit vaak alleen wordt begrensd, maar zelden theologisch doordacht als positieve kracht.
Toch is de beweging van eros niet noodzakelijk tegengesteld aan heiligheid. De diepste dynamiek van verlangen is gericht op eenheid. Het verlangen naar een geliefde en het verlangen naar God delen een structuur: beide trekken de mens uit zichzelf, beide openen hem voor overgave, beide zoeken gemeenschap. Dat betekent niet dat zij identiek zijn, maar wel dat zij verwant zijn. De energie van eros hoeft niet onderdrukt te worden om heilig te worden; zij vraagt om richting en zuivering, niet om ontkenning.
Hier ligt misschien de vergeten schat. Niet dat seksualiteit zonder grenzen kan bestaan, maar dat zij zonder positieve duiding onvolwassen blijft. Wanneer de kerk alleen spreekt over regels, verschraalt het gesprek over huwelijk en intimiteit. Mensen leren wat niet mag, maar niet hoe zij hun verlangen kunnen integreren, verdiepen en laten rijpen. Schuld wordt dan sneller aangeleerd dan wijsheid.
Een volwassen visie durft beide te zeggen: seksualiteit kan beschadigen, en seksualiteit kan heiligen. Zij kan manipuleren, en zij kan verbinden. Zij kan vernauwen tot consumptie, en zij kan openen tot wederkerige overgave. Het verschil ligt niet in het bestaan van verlangen, maar in de richting ervan.
Misschien is de grootste blinde vlek daarom niet dat de kerk grenzen stelt. Grenzen kunnen bescherming bieden aan wat kwetsbaar en kostbaar is. De blinde vlek is dat zij te weinig spreekt over het licht dat in deze menselijke energie besloten ligt. Want waar vreugde, verbinding, scheppingskracht en overgave samenkomen, daar betreedt de mens al heilige grond.
De vraag is dus niet of seksualiteit een plaats heeft in het geloof. Die plaats heeft zij al — in het lichaam van iedere gelovige.
De werkelijke vraag is of spiritualiteit volledig kan zijn zonder geïntegreerde seksualiteit. Zolang het geloof zich hoofdzakelijk in het hoofd afspeelt en het lichaam slechts wordt getolereerd, blijft het mensbeeld onvolledig. Maar waar gevoeligheid wordt toegelaten, waar sensualiteit wordt gewaardeerd en waar seksualiteit in liefde wordt geïntegreerd, daar kan spiritualiteit werkelijk aarden.
Misschien ligt daar de vergeten schat: niet in het versoepelen van grenzen, maar in het verdiepen van betekenis. Niet in het ontkennen van eros, maar in het verstaan ervan als een kracht die, wanneer zij wordt gericht en gedragen, niet tegenover heiligheid staat, maar haar kan dienen.
LEES OOK: https://www.dinekevankooten.nl/archief/van-verbod-naar-visioen/
