De volheid van mijn bedoeling
De stem van de ander
“Waarom moet het altijd meer?”, deze vraag werd me gesteld op een dag waarop ik opnieuw sprak over roeping, over bestemming, over de overtuiging dat ieder mens bedoeld is — niet in het algemeen, maar concreet.
Mijn gesprekspartner keek me aan met een mengeling van mildheid en ongemak.
“Wat is er eigenlijk mis met een poppenhuis? Waarom altijd groter, meer, verder? Waarom niet gewoon tevreden zijn met het kleine, het beheerste, het haalbare?”
En ik begreep de vraag.
Want we leven in een tijd waarin ‘meer’ vaak klinkt als prestatiedruk, als zelfoptimalisatie, als nooit-rustende ambitie. En wie verlangt naar eenvoud, naar rust, naar bescheiden leven binnen zijn grenzen, is terecht kritisch op die stroming.
Maar wat nu als het daar níét over gaat?
Wat als de drang naar ‘meer’ in sommige mensen niet voortkomt uit bewijsdrang of perfectionisme, maar uit iets diepers — iets wat zich aandient als een stille maar onontkoombare roep:
“Er is iets dat in mij zichtbaar wil worden. En dat past niet in het schaalmodel waar ik me in heb leren handhaven.”
Dit artikel — en de reeks waar het toe behoort — gaat niet over ‘meer’ in kwantiteit, in macht, in zichtbaarheid.
Het gaat over volheid. Over wat het betekent om zielsverantwoordelijk te leven: gehoor gevend aan wat in je gelegd is, zonder zekerheden, zonder bewijs, maar met innerlijk besef dat je niet minder dan dat mag zijn.
Het is geen oordeel over wie kiest voor eenvoud.
Maar het is wel een appel aan wie weet dat er méér in hem of haar leeft — en die zich steeds weer afvraagt waarom dat méér zich niet zomaar mag laten negeren.
De makkette en de stad
Een innerlijk weten – geen briefje uit de hemel
We verlangen vaak naar duidelijkheid. Een plan, een route, een bevestiging van buitenaf. Maar de meeste mensen krijgen hun bestemming niet op een briefje. Er is zelden een heldere stem die zegt: “Dit is wat jij moet doen.” En toch weten we het soms. Niet met het hoofd, maar vanuit de ziel.
We spreken over gaven en talenten alsof ze optionele mogelijkheden zijn. Maar wat als ze richtingwijzers zijn? Wat als ze niet ons bezit zijn, maar signalen van onze bedoeling? Wat als wat in jou gelegd is, niet toevallig is — maar een spoor van iets dat zichtbaar wil worden in deze wereld?
“Ken uzelf,” zegt Socrates.
“Word wie je bent,” zegt Kierkegaard.
“Wat heb je, dat je niet hebt ontvangen?” vraagt Paulus (1 Kor. 4:7).
Deze stemmen wijzen in dezelfde richting: je bent geen toeval. En wat in je leeft aan mogelijkheden, krachten, verlangens, is geen willekeurig gegeven. Het is een opdracht in de zachte vorm van vertrouwen. Een uitnodiging om datgene wat in jou aanwezig is, te laten incarneren.
De stad als metafoor voor bestemming
Stel: jij hebt het vermogen in je om een stad te bouwen. Niet letterlijk — maar in de zin van visie, diepte, draagkracht, structuur, betekenis. Je hebt het innerlijk landschap, de creativiteit, het inzicht, het vermogen om te verbinden, dragen, vormen, bouwen.
En dan besluit je een poppenhuis te maken. Keurig, klein, overzichtelijk. Technisch gezien mooi.
Maar diep van binnen weet je: dit is niet wat er in mij wilde leven.
De metafoor van de stad is geen maat voor ambitie of uiterlijk succes. Het is een beeld voor volheid: de innerlijke coherentie tussen wat in jou is gelegd en wat door jou heen zichtbaar wordt. De makkette is niet verkeerd. Maar voor wie tot een stad geroepen is, blijft de makkette een vorm van gemis.
Niet moreel, maar existentieel. Niet schuldig, maar tekortgedaan.
Een gemis aan incarnatie.
Zielsverantwoordelijkheid – gehoor geven aan wat in je leeft
Zielsverantwoordelijkheid is een term die in onze tijd zelden klinkt. We spreken eerder over zelfontwikkeling, groei, authenticiteit — begrippen die vaak worden losgemaakt van hun oorsprong. Maar zielsverantwoordelijkheid betekent iets anders: het is het antwoord van de ziel op wat haar is toevertrouwd.
Niet omdat je bijzonder bent. Maar omdat je bedoeld bent.
Trouw zijn aan je bedoeling is geen arrogantie. Het is geen claim op belangrijkheid. Het is gehoorzaamheid aan datgene wat zich aandient, in jou, als een roep die geen rust kent.
Het is luisteren naar wat klopt, zelfs als het niet praktisch is.
Het is jezelf durven geven aan iets dat groter is dan je angst.
Dat maakt het zwaar — maar ook licht. Want de last van roeping is tegelijk het geschenk van betekenis.
“Mijn juk is zacht en mijn last is licht.” (Matteüs 11:30)
Maar het ís een last.
Een uitnodiging tot volheid
Niet iedereen is geroepen tot de stad. En dat is goed. De bedoeling is nooit grootser of belangrijker — alleen preciezer. Er is geen rangorde in roeping.
Maar voor wie weet dat de stad in hem leeft,
voor wie voelt dat de makkette niet genoeg is, hoeveel tijd en energie hij er ook aan besteed, hoeveel kennis en kunde voor zo een kunstwerk nodig is
voor wie telkens weer wordt aangeraakt door een dieper weten: “Dit is nog niet het volle verhaal” —
voor die mens klinkt deze uitnodiging: “Leef! “
Vol.
Niet omdat het moet.
Maar omdat je ziel het vraagt.
Zielsverantwoordelijkheid is geen concept. Het is een levenshouding.
Een houding van gehoor geven, van luisteren, van trouw zijn aan wat je gegeven is — zelfs als niemand het vraagt.
En het begint hier:
in de keuze om niet langer te doen alsof de makkette genoeg is,
als je weet dat er een stad in je woont.
Wat is in mij gelegd?
Over de herkenning van je gaven als richtingwijzer
Je weet het niet van tevoren
We willen vaak graag zeker weten waartoe we bestemd zijn, vóórdat we onze eerste stap zetten. Een soort hemels paspoort waarin zwart-op-wit staat wat onze roeping is, hoe we haar zullen vervullen, en met welk resultaat.
Maar zo werkt het zelden. Het is geen vrijbrief. En het is geen excuus!
“De weg ontstaat terwijl je hem gaat.”
“De stem wordt pas hoorbaar in het luisteren.”
In plaats van een briefje uit de hemel, hebben we iets anders gekregen:
gaven, verlangens, intuïties, mogelijkheden — tekens van binnenuit.
Geen routekaart, maar richtingaanwijzers. Geen opdrachten, maar potenties.
Wat in jou gelegd is, wijst je de weg — als je tenminste leert luisteren.
Niet gekozen, maar ontvangen
Gaven zijn geen prestaties.
Ze zijn je niet toegekend op basis van verdienste, studie of doorzettingsvermogen. Je kunt ze ontwikkelen, verfijnen, verdiepen — maar je kreeg ze. En daarmee dragen ze het karakter van genade.
Paulus zegt:
“Wij hebben genadegaven die verschillen naar de genade die ons geschonken is.” (Romeinen 12:6)
En hij noemt er een paar: profetie, dienstbaarheid, onderwijs, bemoediging, vrijgevigheid, leidinggeven, barmhartigheid.
Wat deze opsomming duidelijk maakt: gaven zijn niet beperkt tot het religieuze domein. Ze raken aan leven in de breedte van de werkelijkheid — daar waar jouw unieke mogelijkheden vrucht dragen voor anderen.
Maar: dat je iets ontvangen hebt, betekent nog niet dat je het herkent.
Veel mensen leven ver bij hun gaven vandaan, of verwarren ze met wat hen is aangeleerd.
Daarom is de vraag zo wezenlijk:
Wat is in míj gelegd — en niet in een ander?
Herkenning van binnenuit – het innerlijk getuigenis
Augustinus schrijft in zijn Belijdenissen dat God dichter bij hem is dan hijzelf.
De weg naar buiten (prestige, macht, erkenning) hield hem lang af van de weg naar binnen.
Maar pas toen hij luisterde naar zijn diepste verlangen, begon hij zichzelf echt te herkennen.
“Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” (Confessiones I.1)
Ook in ons spreekt iets — niet met woorden, maar met gewicht.
Wanneer we iets doen wat klopt met onze gaven, merken we dat:
– het vanzelf gaat, maar niet oppervlakkig is
– het energie geeft, zelfs als het inspannend is
– het in ons ligt, en niet tegen ons in
Psychologische typologieën, zoals die van Jung of de MBTI, kunnen helpen bij zelfinzicht.
Maar ze zijn geen vervanging voor de stille kunst van het luisteren:
Wat in mij beweegt mij richting waarheid? Wat maakt mij waarachtig levend?
Roeping als ontdekking — niet als projectplan
Roeping is geen carrièrepad.
Het is ook geen spirituele opdracht in de zin van: “Doe dit, en dan ben je goed.”
Roeping is het proces waarin jouw wezen zich richt op wat klopt — en dat zichtbaar maakt in de wereld.
Kierkegaard spreekt over “worden wie je bent” — en dat dit een weg van gehoorzaamheid is.
Niet gehoorzaamheid aan een systeem, maar aan je diepste waarheden.
Je roeping vind je dus niet door te zoeken naar bevestiging van buiten,
maar door eerlijk te kijken naar wat al in jou aanwezig is.
Wat je raakt. Wat je ziet dat anderen niet opmerken.
Wat je niet niet kunt doen.
Dat laatste is belangrijk.
Want wat in jou gelegd is, blijft spreken — ook als je het negeert.
En vaak juist dan.
Wat je gegeven is, is ook je verantwoordelijkheid
Zodra je begint te herkennen wat je ontvangen hebt, ontstaat er iets nieuws:
verantwoordelijkheid.
Niet in de zin van moeten, maar in de zin van:
“Als dit in mij is, wat vraagt het dan van mij?”
Gaven willen zichtbaar worden.
Niet om jou groter te maken, maar om dienstbaar te zijn aan het geheel.
Om iets van God in deze wereld tot incarnatie te brengen.
Het begint soms door in je werk meer te geven, dan er eigenlijk gevraagd wordt. Dat wat heel logisch lijkt voor jou.
Wat in jou gelegd is, is niet voor jou alleen.
Slot – Zien wat je al draagt
Er zijn veel mensen die wachten op een roeping ‘van buitenaf’.
Maar de meeste roepingen beginnen van binnen — als fluistering, als onrust, als verlangen dat weigert te verdwijnen.
En vaak zijn ze al lang begonnen voordat je ze herkent.
Daarom is de vraag geen mystiek raadsel, maar een uitnodiging tot eerlijkheid:
Wat is in mij gelegd — aan vermogen, aan liefde, aan helderheid, aan creativiteit, aan moed?
Wat zie ik, wat voel ik, wat draag ik dat tot leven wil komen?
Wat je zoekt is misschien al lang in jou aanwezig.
Je hoeft het niet te verdienen.
Je hoeft het niet te bewijzen.
Maar je mag het ontvangen, herkennen en beantwoorden.
Bezieling: vuur of versiering?
Over het onderscheid tussen leven vanuit je ziel of slechts vanuit vorm en verwachting
Het ziet er goed uit
Er zijn mensen die alles op orde lijken te hebben. Hun werk klopt, hun geloof is verzorgd, hun woorden zijn juist gekozen, hun leven strak georganiseerd.
En toch voel je het:
Er is iets afwezigs.
Het klopt aan de buitenkant, maar het leeft niet vanbinnen.
Tegelijk zijn er mensen bij wie het rommelt, schuurt, brokkelt — maar in wie een innerlijk vuur brandt. Ze weten niet altijd hoe, maar ze weten waarom. En daar, in die innerlijke vlam, huist iets dat we misschien wel bezieling noemen.
Is het vuur — of is het versiering?
Bezieling als herkenning van het levende
Het woord bezieling komt van “ziel”.
En de ziel is, in de christelijke traditie, dat wat van God komt en naar God terugkeert.
Zonder ziel is een lichaam een omhulsel. Zonder bezieling is een taak slechts een handeling, een vorm zonder richting, een gebaar zonder hart.
In het scheppingsverhaal lezen we:
“Toen blies God de levensadem in de neus van de mens, en zo werd de mens tot een levend wezen.” (Genesis 2:7)
De adem van God maakt leven tot leven.
Zo ook met onze gaven, taken, roepingen: ze worden pas levend waar ze bezield zijn.
Bezieling is dus niet ‘enthousiasme’ of ‘passie’.
Het is de innerlijke kracht waardoor iets leeft in samenhang met zijn oorsprong en bestemming.
Bezieling is: dat wat van God komt, en door jou heen weer naar God toe beweegt.
Vorm zonder ziel – de grote verleiding
Zonder bezieling kan zelfs het goede doods worden.
Je kunt trouw zijn aan een traditie zonder dat het nog leeft.
Je kunt functioneren in een rol die perfect past, maar waarin je ziel langzaam verdwijnt.
Je kunt succesvol zijn en tegelijk afgesneden van je oorsprong.
Jezus zelf sprak er fel over, wanneer hij zei:
“Deze mensen eren Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.” (Matt. 15:8)
De verleiding van versiering is dat het er zo goed uitziet.
Het applaus klinkt. De buitenwereld knikt.
Maar als de bezieling ontbreekt, raakt de vorm uiteindelijk uitgeput.
Daarom is de vraag niet: Doet het ertoe wat je doet?
Maar: Leeft het in je? Klopt het met je ziel? Draagt het het vuur?
Hoe herken je bezieling?
Bezieling is niet altijd zichtbaar.
Maar ze laat zich herkennen, niet door het resultaat, maar door de kwaliteit van aanwezigheid.
Waar bezieling is:
– Voel je integriteit: wat gezegd wordt, wordt doorleefd.
– Is er ruimte voor stilte, voor waarheid, voor echtheid.
– Voelt de tijd anders — alsof je iets doet wat klopt met wie je bent.
– Wordt het niet ‘over jou’, maar stroomt het door jou heen.
Bezieling is niet hetzelfde als succes.
Sterker nog: het kan zich juist manifesteren in het kleine, het fragiele, het onopvallende.
Zoals Mozes bij de brandende braambos: het vuur verbrandt niet, maar het spreekt.
Bezieling bewaren – een geestelijke opdracht
Je bezieling is kwetsbaar.
Ze slijt in herhaling zonder herinnering.
Ze dooft waar je alleen nog doet wat verwacht wordt.
Ze kwijnt waar je jouw ziel offert op het altaar van effectiviteit.
Daarom is bezieling bewaren een geestelijke opdracht.
Niet door jezelf op te peppen, maar door te waken over je innerlijke bron.
Augustinus zegt:
“Keer terug tot je hart. Daar is God.”
Bezieling vraagt terugkeer. Her-innering. Aandacht.
Het is geen bezit, maar een gave — en dus iets om trouw aan te zijn.
Leven dat klopt met zijn oorsprong
We kunnen veel doen, kunnen veel zijn, veel bouwen.
Maar als het vuur ontbreekt, blijft het uiteindelijk leeg.
Bezieling is geen luxe.
Het is datgene waardoor ons leven verbonden raakt met zijn oorsprong.
Met God. Met bedoeling. Met ziel.
“Waar de Geest is, daar is vrijheid.” (2 Kor. 3:17)
Dat is de vrijheid om te zijn wie je bent — en niet slechts wie je moet zijn.
We hebben méér nodig dan vorm.
We hebben leven nodig dat van binnenuit klopt.
En daarvoor moeten we telkens weer die ene, stille vraag durven stellen:
“Wat is hierin van God? En waar is het slechts van mij?”
Trouw aan de bedoeling
Over volharding en verantwoordelijkheid in het volgen van je bestemming
Waarom houd ik het niet vol?
Het is één ding om iets te weten over je roeping.
Het is iets anders om daar trouw aan te blijven.
De glans van het begin vervaagt vaak sneller dan je had gedacht. Wat eerst helder en vol vuur voelde, wordt dof. En dan komen de vragen.
– Waarom voel ik het niet meer?
– Heb ik het me verbeeld?
– Was het te groot? Te veel?
– En belangrijker nog: mag ik ermee stoppen?
De tegenkrachten zijn zelden spectaculair.
Ze heten comfort, vermoeidheid, angst voor mislukking, de stemmen van buitenaf, en de twijfel van binnenin. Ze fluisteren je toe:
“Doe maar gewoon. Je vraagt te veel. Je hoeft het niet zo serieus te nemen.”
Trouw zijn aan je bedoeling is geen heroïsche daad.
Het is vaak een verborgen, moeizaam, maar diep gehoorzaam leven —
zoals een wortel die in de grond blijft doorgroeien, zelfs als er aan de oppervlakte niets zichtbaar is.
Wat vraagt trouw? Geen succes, maar standvastigheid
In de traditie van de woestijnvaders komt het woord volharding (Gr. hypomonē) telkens terug. Niet als vorm van doorbijten of stoere wilskracht, maar als blijven staan op de plek waar je geroepen bent — zelfs als het niet loont, niet voelt, niet lijkt te werken.
Trouw vraagt niet om perfectie, maar om aanwezigheid.
Niet telkens iets nieuws, maar steeds opnieuw ja zeggen tegen wat jou is toevertrouwd.
Het is in die zin geen prestatie, maar een vorm van gehoorzaamheid.
Dietrich Bonhoeffer spreekt over “het eenvoudige gehoorzame doen van Gods wil, zonder grote plannen, zonder heldendom, maar in vertrouwen.”
De tegenkrachten: comfort, angst, cynisme en ‘de anderen’
De weerstand tegen trouw komt zelden frontaal.
Ze komt via de achterdeur — via vermoeidheid, relativering, de verleiding van gemak, de zucht naar bevestiging, de teleurstelling dat het niet oplevert wat je hoopte.
Een paar vormen:
– Comfort: “Je mag ook gewoon gelukkig zijn. Waarom jezelf zo inspannen?”
– Angst: “Wat als ik faal? Wat als ik mezelf voor de gek houd?”
– Cynisme: “Roeping, bezieling… is dat niet allemaal een mooi verhaal?”
– Stemmen van buitenaf: “Wie denk jij dat je bent om zo serieus te leven?”
Kierkegaard schrijft over “de enkeling voor God” — dat de roeping van een mens nooit kan worden afgemeten aan wat anderen ervan vinden.
Wie zijn leven laat bepalen door het oordeel van de menigte, raakt zijn bedoeling kwijt.
Trouw als overgave – niet als eigen wil doordrijven
Trouw aan je bedoeling betekent niet: altijd je zin doordrijven.
Integendeel, het vraagt juist om het loslaten van jouw plan, jouw bewijsdrang, jouw controle.
Je leeft niet meer voor jezelf, maar in gehoorzaamheid aan wat in je is toevertrouwd.
Meister Eckhart zegt:
“De hoogste vrijheid is de wil loslaten.”
En Bonhoeffer bidt:
“Niet wat ik wil, maar wat U wilt, mijn God.”
Dat maakt trouw geen egoproject, maar een spirituele weg van toevertrouwen.
Wat helpt om trouw te blijven?
Trouw vraagt geen grootsheid, maar kleine, gestage gebaren. Een paar ankers:
– Herinnering: weet waarom je ooit begon. Leg het vast. Kom er steeds weer op terug.
– Ritme: trouw leeft van herhaling. Van gebed, stilte, aanwezigheid, discipline.
– Gemeenschap: zoek mensen die je roeping kennen. Die je bij de les houden — niet met druk, maar met liefde.
– Toelaten van twijfel: twijfel is geen bedreiging van trouw. Het is vaak de plek waar geloof verdiept wordt.
Trouw is geen heldenverhaal
De trouw waarover dit artikel spreekt is niet spectaculair.
Ze maakt geen headlines. Ze wordt vaak niet herkend.
Maar ze draagt vrucht — niet meteen, niet altijd zichtbaar, maar diep en blijvend.
Trouw is weten dat je niet anders kunt dan gehoorzamen aan wat waar is.
Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het je waarachtig maakt.
“Blijf in Mij, zoals Ik in u.” (Johannes 15:4)
Dat is de kern van zielsverantwoordelijkheid:
blijven in de verbinding tussen wie je bent, wat je ontvangen hebt, en Degene die het je gegeven heeft.
Voor wie doe je het?
Roeping niet als zelfverwerkelijking, maar als antwoord op God
Ambitie of antwoord?
In een tijd waarin zelfontplooiing en succes centraal staan, klinkt de roeping soms als een uitnodiging tot meer van mezelf.
Maar wat als roeping niet draait om meer van jezelf maken, maar om minder?
Wat als het niet gaat om zelfverwerkelijking, maar om respons — om een diep antwoord op een hogere roep?
De vraag wordt dan:
Voor wie doe je het? Voor de eigen glorie, of voor God?
Mammon versus Godsbeeld
In de bijbelse traditie staat mammon voor alles wat ons kan verstrikken in het najagen van bezit, macht, erkenning, of eigen voordeel.
Roeping zonder bewustheid kan ontaarden in een levensproject dat primair draait om prestatie en zelfbevestiging.
Jezus waarschuwde:
“Niemand kan twee heren dienen: God en mammon.” (Matt. 6:24)
Daartegenover staat een Godsbeeld dat uitnodigt tot overgave en vertrouwen.
Roeping als een levensweg die niet leidt tot meer van jezelf, maar tot méér van God in jezelf.
Ambitie en zielsvervulling: een wezenlijk verschil
Ambitie is vaak gericht op vooruitgang, succes en erkenning.
Zielsvervulling is gericht op volheid, op een diep gevoel van thuis zijn in wat je doet, in verbinding met God en je diepste wezen.
Ambitie kan eindeloos zijn, altijd meer willen.
Zielsvervulling kent een paradox: het is genoeg zijn en vol zijn tegelijkertijd.
Paulus schrijft in Romeinen 12 over gaven die dienstbaar zijn, zonder roemzucht of eigenbelang.
De theologie van genade versus prestatie
Onze cultuur ademt prestatiegerichtheid.
De christelijke theologie nodigt ons uit een ander perspectief te omarmen: dat van genade.
Genade betekent dat je niet wordt beoordeeld op wat je doet, maar op wie je bent in God.
Dit betekent niet dat je niets doet of nalaat.
Maar dat je daden vruchten zijn van een ontvangen liefde en roeping, niet van een afdwingbare prestatiedrang.
Luther benadrukte dat rechtvaardiging door geloof is, niet door werken.
Leven als respons
Roeping is geen zaak van ‘wat ik wil’, maar van wat God vraagt — en mijn antwoord daarop.
Dat antwoord is niet perfect, maar authentiek en in trouw.
Het is een existentiële ja tegen een grotere werkelijkheid.
Hierin wordt duidelijk dat roeping niet iets is om te verwerken of te bereiken, maar iets om te ontvangen en uit te leven.
Voor wie leef jij?
Wie leef jij?
Voor jezelf, de wereld, of voor God?
Dat is geen vrijblijvende vraag.
Ze vraagt om innerlijke helderheid, eerlijkheid en moed.
Zoals Augustinus bad:
“U hebt ons gemaakt voor U, en ons hart is onrustig totdat het rust vindt in U.”
Deze roeping overstijgt ambitie.
Ze nodigt uit tot een leven van overgave, waarin de ziel rust vindt — niet in eigen prestatie, maar in het antwoord op Gods liefde.
Wanneer is het ‘genoeg’?
Roeping niet als zelfverwerkelijking, maar als antwoord op God
Ambitie of antwoord?
In een tijd waarin zelfontplooiing en succes centraal staan, klinkt de roeping soms als een uitnodiging tot meer van mezelf.
Maar wat als roeping niet draait om meer van jezelf maken, maar om minder?
Wat als het niet gaat om zelfverwerkelijking, maar om respons — om een diep antwoord op een hogere roep?
De vraag wordt dan:
Voor wie doe je het? Voor de eigen glorie, of voor God?
Mammon versus Godsbeeld
In de bijbelse traditie staat mammon voor alles wat ons kan verstrikken in het najagen van bezit, macht, erkenning, of eigen voordeel.
Roeping zonder bewustheid kan ontaarden in een levensproject dat primair draait om prestatie en zelfbevestiging.
Jezus waarschuwde:
“Niemand kan twee heren dienen: God en mammon.” (Matt. 6:24)
Daartegenover staat een Godsbeeld dat uitnodigt tot overgave en vertrouwen.
Roeping als een levensweg die niet leidt tot meer van jezelf, maar tot méér van God in jezelf.
Ambitie en zielsvervulling: een wezenlijk verschil
Ambitie is vaak gericht op vooruitgang, succes en erkenning.
Zielsvervulling is gericht op volheid, op een diep gevoel van thuis zijn in wat je doet, in verbinding met God en je diepste wezen.
Ambitie kan eindeloos zijn, altijd meer willen.
Zielsvervulling kent een paradox: het is genoeg zijn en vol zijn tegelijkertijd.
Paulus schrijft in Romeinen 12 over gaven die dienstbaar zijn, zonder roemzucht of eigenbelang.
De theologie van genade versus prestatie
Onze cultuur ademt prestatiegerichtheid.
De christelijke theologie nodigt ons uit een ander perspectief te omarmen: dat van genade.
Genade betekent dat je niet wordt beoordeeld op wat je doet, maar op wie je bent in God.
Dit betekent niet dat je niets doet of nalaat.
Maar dat je daden vruchten zijn van een ontvangen liefde en roeping, niet van een afdwingbare prestatiedrang.
Luther benadrukte dat rechtvaardiging door geloof is, niet door werken.
Leven als respons
Roeping is geen zaak van ‘wat ik wil’, maar van wat God vraagt — en mijn antwoord daarop.
Dat antwoord is niet perfect, maar authentiek en in trouw.
Het is een existentiële ja tegen een grotere werkelijkheid.
Hierin wordt duidelijk dat roeping niet iets is om te verwerken of te bereiken, maar iets om te ontvangen en uit te leven.
Voor wie leef jij?
Wie leef jij?
Voor jezelf, de wereld, of voor God?
Dat is geen vrijblijvende vraag.
Ze vraagt om innerlijke helderheid, eerlijkheid en moed.
Zoals Augustinus bad:
“U hebt ons gemaakt voor U, en ons hart is onrustig totdat het rust vindt in U.”
Deze roeping overstijgt ambitie.
Ze nodigt uit tot een leven van overgave, waarin de ziel rust vindt — niet in eigen prestatie, maar in het antwoord op Gods liefde.