Destructief recht
Ik heb hier mijn jeugd gelaten
Dirk was twaalf toen zijn vader een hernia kreeg en een half jaar niet kon werken. Dirk stond voor school al in de varkensstal, na school in de werkplaats van het veevoerbedrijf. Hij verdiende er niets mee. Zijn moeder zei dat hij een kanjer was. Toen zijn vader weer kon werken, bleef Dirk helpen, want er was altijd wat te doen. Zijn jongere broer en zus speelden voetbal en gingen op kamers. Dirk niet.
Nu is hij eenenvijftig en directeur. Hij keert zichzelf een salaris uit dat twee keer zo hoog is als dat van een vergelijkbare directeur. Er rijdt een auto van de zaak voor zijn vrouw. De verbouwing van zijn boerderij is voor een deel via het bedrijf gelopen. Toen zijn zus, die aandeelhouder is, ernaar vroeg, werd hij woedend. ‘Ik heb hier mijn jeugd gelaten. Jullie zaten op school terwijl ik de mest uitreed. En nu kom jij vertellen wat ik verdien?’
Zijn zus wist niet wat ze moest antwoorden. Dirk had gelijk over zijn jeugd. Hij had meer gegeven dan zij. En toch voelde ze dat er iets niet klopte aan de manier waarop hij dat nu inde. De Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy gaf dat verschijnsel een naam die wringt: destructief recht. Een recht dat echt is verdiend, en dat bij de verkeerde mensen wordt geïnd.
Een grootboek dat niet klopt
Boszormenyi-Nagy zag families als systemen waarin een onzichtbaar grootboek wordt bijgehouden van geven en ontvangen. Wie geeft, bouwt een tegoed op: een recht op erkenning, op zorg, op iets terug. Wie ontvangt zonder terug te geven, bouwt een schuld op. Zolang het grootboek ongeveer in evenwicht is, kunnen mensen vrij met elkaar omgaan. Als het lang uit balans raakt, wordt het een bron van spanning.
Kinderen zijn in dat grootboek een bijzonder geval. Een kind hoort te ontvangen. Het kan zijn ouders nooit evenveel teruggeven als het van hen krijgt, en dat hoeft ook niet. Maar sommige kinderen geven al heel jong meer dan ze ontvangen. Ze zorgen voor een zieke ouder, nemen het werk over, dragen de zorgen van het gezin. Boszormenyi-Nagy noemde dat parentificatie: een kind dat de rol van ouder op zich neemt. Zo’n kind bouwt een tegoed op dat legitiem is. Het heeft iets gegeven wat het niet had hoeven geven.
Dat tegoed zou moeten worden ingelost door de mensen bij wie het is opgebouwd: de ouders. Door erkenning, door zorg, door het uitspreken van wat het kind heeft gedragen. In de familie van Dirk is dat nooit gebeurd. Zijn moeder noemde hem een kanjer, en daarmee was het klaar. Zijn vader zei er niets over. Er kwam geen loon, geen bedankje dat er werkelijk toe deed, geen erkenning dat Dirk zijn jeugd had gegeven.
Wat dan gebeurt, beschreef Boszormenyi-Nagy als een draaiende schijf. Het tegoed blijft bestaan, en zoekt een andere plek om te worden geïnd. Het komt terecht bij wie er toevallig in de buurt is, in plaats van bij de ouders die het verschuldigd zijn. Zo wordt een legitiem recht destructief: het wordt opgeëist van mensen die er niets aan konden doen.
Waarom hij zich in zijn recht voelt
Dirk ziet zichzelf als iemand die eindelijk krijgt wat hem toekomt. Dat is het verraderlijke van destructief recht: het voelt van binnen als rechtvaardigheid.
De Amerikaanse psychologen Emily Zitek, Alexander Jordan, Benoît Monin en Frederick Leach lieten in 2010 zien hoe dat werkt. Ze vroegen proefpersonen om terug te denken aan een moment waarop ze oneerlijk waren behandeld. Daarna kregen ze de gelegenheid om anderen te helpen of om zelf iets extra’s te nemen. Wie aan een onrecht had teruggedacht, hielp minder en nam meer. De proefpersonen voelden zich door het onrecht dat ze hadden ondergaan gerechtigd om zichzelf iets te gunnen, ook ten koste van mensen die er niets mee te maken hadden.
Dat mechanisme werkt bij Dirk al veertig jaar. Elke keer dat hij aan zijn jeugd denkt, aan de stal om zes uur, aan zijn broer die voetbalde, voelt hij het oude onrecht. En elke keer geeft dat gevoel hem toestemming. Om een hoog salaris te nemen. Om zijn boerderij via de zaak te laten verbouwen. Om geen verantwoording af te leggen aan zijn zus, die destijds op kamers zat.
Wat Dirk niet ziet, is dat zijn zus en broer geen schuld hebben aan zijn jeugd. Zij waren kinderen, net als hij. Zij hebben niet besloten dat hij in de stal moest staan. Ze hebben alleen geprofiteerd van een verdeling die hun ouders maakten. In het grootboek van Dirk staan ze toch als schuldenaars, omdat zij er waren en zijn ouders niet meer. Het onrecht is echt. Alleen klopt het adres niet.
Wie de rekening betaalt
Het tegoed van Dirk wordt geïnd bij iedereen in zijn buurt, en de meesten weten niet dat ze betalen.
Zijn broer en zus betalen met geld. Hun aandelen zijn minder waard door de kosten die Dirk ten laste van het bedrijf brengt, en hun vragen worden beantwoord met een verwijt over hun jeugd. Ze voelen zich schuldig over iets wat ze niet hebben gedaan, en durven daardoor nog minder te vragen.
Het personeel betaalt met de sfeer. Dirk is streng. Wie om vijf uur naar huis gaat, krijgt een opmerking. Wie klaagt over de werkdruk, hoort dat Dirk op zijn twaalfde al voor school in de stal stond. Hij eist van anderen wat van hem werd geëist, en ziet niet dat hij daarmee hetzelfde onrecht doorgeeft.
Zijn vrouw betaalt met zorg. Dirk verwacht dat zij er altijd is, dat ze begrijpt waarom hij zo hard werkt, dat ze haar eigen wensen opzij zet. Hij heeft zelf nooit zorg gekregen, en neemt die nu van haar, zonder het te zien als nemen.
En zijn kinderen betalen op een van twee manieren. Ofwel ze moeten net als hij al jong meewerken, omdat dat nu eenmaal zo hoort. Ofwel krijgen ze juist alles wat hij niet kreeg, en ontvangen ze een overvloed die ze niet hebben verdiend, waardoor ze op hun beurt een andere schuld meedragen. In beide gevallen draait de schijf door naar de volgende generatie.
Zo kan het onrecht dat een twaalfjarige jongen werd aangedaan, drie generaties later nog werken, in een familie waarin niemand meer weet waar het begon.

Nemen en onthouden
Destructief recht komt bij mannen en vrouwen voor, maar het neemt vaak een andere vorm aan.
Bij Dirk is het zichtbaar als nemen. Geld, macht, een auto, een verbouwing. Veel mannen innen hun tegoed in de vorm van wat ze van het bedrijf kunnen halen, of in de vorm van zeggenschap die niemand mag betwisten. Dat is zichtbaar, en daardoor ook aanspreekbaar, al voelt elke vraag erover voor hen als een nieuwe aanval.
Bij vrouwen neemt het vaak een stillere vorm aan. Een dochter die als kind de zorg voor haar jongere broertjes droeg, of voor een depressieve moeder, kan als volwassene haar tegoed innen door te onthouden. Ze trekt zich terug uit de familie, komt niet meer op verjaardagen, zegt nee tegen elk verzoek om mee te denken over de zaak. Of ze int het in de vorm van een slachtofferpositie: ze wordt degene die altijd tekortkomt, en die anderen het gevoel geeft dat ze haar iets verschuldigd zijn. Dat is minder zichtbaar dan het nemen van Dirk, en moeilijker aan te spreken.
In veel familiebedrijven ontmoeten de twee vormen elkaar. Een broer die neemt, en een zus die zich terugtrekt. Allebei geparentificeerd, allebei met een legitiem tegoed, allebei innend bij de verkeerde. Ze zien elkaars verdriet niet, omdat ieder het zijne als het grootste beschouwt.
De schuld bij de juiste deur
Wie tegen Dirk zegt dat hij te veel neemt, bevestigt alleen zijn gevoel dat niemand begrijpt wat hij heeft gegeven. Destructief recht verzacht pas als het tegoed bij de juiste deur wordt gebracht.
De eerste stap is erkenning. Een erkenning die verder gaat dan het woord kanjer van zijn moeder, en die het onrecht benoemt. ‘Je was twaalf. Je had op school moeten zitten en voetbal moeten spelen. Wij hebben je iets laten dragen wat niet van jou was.’ Als zijn vader of moeder dat nog kan zeggen, is dat het krachtigste wat er kan gebeuren. Als ze er niet meer zijn, kan het soms door zijn broer en zus worden gezegd: wij zien wat jij hebt gedragen, en wat wij daardoor niet hoefden te dragen.
De tweede stap ligt bij Dirk zelf. Boszormenyi-Nagy sprak van exoneratie: het vrijpleiten van de ouders, door te begrijpen in welke omstandigheden zij keuzes maakten. Dirks vader had een hernia en een bedrijf dat anders failliet ging. Zijn moeder had drie kinderen en geen hulp. Ze hebben hem tekortgedaan, en ze hadden zelf weinig keus. Wie dat kan zien, kan hun schuld kleiner maken zonder te ontkennen wat ze deden. Dan wordt het tegoed lichter, en hoeft het minder ergens anders te worden geïnd.
De derde stap is rouwen. Dirk heeft een jeugd gemist die hij nooit terugkrijgt. Geen salaris, geen auto en geen verbouwing kunnen dat vergoeden. Zolang hij probeert het te innen, blijft het verlies onbetaald. Pas als hij het verlies erkent als verlies, kan hij ophouden met de rekening te presenteren.
En er is een vierde weg, die Boszormenyi-Nagy het meest hoopvol vond. Wie tekort is gekomen, kan zijn tegoed ook omzetten in geven. Een man die als kind te veel moest dragen, kan zijn eigen kinderen de jeugd geven die hij niet had, zonder hen te verwennen en zonder hen te belasten. Daarmee verdient hij iets wat geen bedrijf hem kan geven: het gevoel dat het onrecht bij hem ophoudt.
