Eer uw vader en uw moeder – 3
achten
Ik begin bij het woord, omdat ik het al jaren gebruik zonder precies uit te kunnen leggen, wat ik zeg. Ik weet dat het klopt, maar dat is iets anders.
Ik acht jou.
Ik acht jouw achtergrond.
Ik acht alles wat jou beweegt.
Drie zinnen die ik cliënten laat uitspreken naar een lege stoel, en die iets doen wat ik niet kan verklaren.
Achten. Het Middelnederlandse achte is aandacht. Het Oudhoogduitse ahta is overleg, oordeel. Het Gotische aha is verstand, ahma is geest. Onder al die vormen ligt één wortel: ah, het vermogen om waar te nemen en te wegen. Achten is dus in de eerste plaats geen gevoel en geen houding, het is een daad van het verstand: acht slaan op. Iets zien en het gewicht ervan bepalen. Het tegendeel is niet minachting maar achteloosheid. Wie achteloos is, heeft niet gekeken.
Ik acht jou betekent dan: ik heb naar je gekeken. Niet: ik vind je goed. Niet: ik ben het met je eens. Ik heb acht op je geslagen en ik weeg je.
Dat is al dichter bij de Hebreeuwse wortel dan ik dacht. Kabed, gewicht geven, schreef ik in het vorige stuk.
Kaf, bet, dalet
Twintig, twee, vier. Zesentwintig.
Ik reken het nog een keer na omdat ik het niet vertrouw. Jod tien, hee vijf, waw zes, hee vijf. Zesentwintig. De godsnaam heeft dezelfde getalswaarde als het werkwoord waarmee het vijfde gebod begint.
De Talmoed zegt het zonder gematria, in Kiddoesjien 30b: drie partners zijn er in een mens, de vader, de moeder en de Heilige. Vader en moeder geven het lichaam, God geeft de adem. Wie zijn ouders eert, eert daarmee de derde partner. Dat wist ik. Maar dat het werkwoord zelf de Naam draagt, in zijn eigen gewicht, dat is iets anders. Kabed is niet een bevel om iets te doen ten opzichte van de Naam. Kabed ís de Naam, in getal.
En dan de andere kant van dezelfde wortel. Kaved is de lever, het zwaarste orgaan. Kaved is ook wat het hart van de farao wordt: zwaar, verhard. Dezelfde drie letters die de heerlijkheid van God dragen, kavod, dragen ook het hart dat niet meer kan bewegen. Gewicht is dus niet vanzelf goed. Er is gewicht dat draagt en gewicht dat verstikt. De farao geeft zichzelf gewicht en kan daardoor niemand laten gaan. Dat is de schaduw van het gebod: wie zichzelf eert in plaats van zijn ouders, wordt een farao voor zijn eigen kinderen.
Twee geboden, niet één
In Exodus staat kabed. In Leviticus 19:3 staat iets anders: ish imo ve-aviv tira’oe, een ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen. Vrezen, jare, dezelfde stam als de vreze des Heren. Er zijn dus twee geboden, en de Talmoed houdt ze uit elkaar. Eren is: te eten geven, te drinken geven, kleden, naar binnen en naar buiten begeleiden. Vrezen is: niet op zijn plaats zitten, niet op zijn plaats staan, hem niet tegenspreken.
Ik lees dat twee keer. Eren gaat over het lichaam van de ouder. Vrezen gaat over de plaats van de ouder. Het ene is zorg, het andere is ordening. Eren doe je met je handen. Vrezen doe je door ergens níet te gaan staan.
En in Leviticus staat de moeder eerst. In Exodus de vader. De rabbijnen zagen dat en zeiden: een kind vreest van nature zijn vader en eert van nature zijn moeder, dus draait de Tora het om. Waar het vanzelf gaat, hoeft geen gebod. Het gebod staat precies waar de beweging niet vanzelf komt: de moeder vrezen, de vader eren. De moeder haar plaats laten. De vader verzorgen.
Ik zie hier mijn mannelijke cliënten voor me. Zij hebben geen enkele moeite hun moeder te verzorgen. Wat ze niet kunnen, is haar plaats laten: ze blijven erop staan, als partner, als zorg, als geweten. En mijn vrouwelijke cliënten vrezen hun vader nog steeds, dertig jaar later, maar hebben hem nooit te eten gegeven. Nooit gezien dat hij honger had.
Leviticus 19:3 gaat verder: en mijn sabbatten zult gij houden. In één adem. De rabbijnen lezen die nevenschikking als een grens: de vrees voor de ouder reikt tot aan de sabbat, en niet verder. Waar de ouder iets vraagt dat tegen de Naam ingaat, houdt het ontzag op. Dat is de eerste grens die de tekst zelf trekt. Het ontzag voor vader en moeder is ingebed in een groter ontzag, en dat grotere bepaalt de omtrek van het kleinere.
De omtrek van het gebod
De tweede grens trekt de halacha, en die grens verrast me meer.
Vijftiende eeuw, de Maharik, over een zoon wiens vader zijn bruid afkeurt. Drie redenen waarom de zoon niet hoeft te luisteren. Ten eerste: een kind hoeft geen eigen geld te besteden om zijn ouders te eren, en dit kost hem meer dan geld. Ten tweede: het is een gebod te trouwen met wie je lief is, en een ouder kan je niet gebieden een gebod te breken. Ten derde, en dit is de reden die de Rema overneemt in de Sjoelchan Aroech: eren gaat alleen over wat de ouder zelf direct raakt. Eten, kleding, begeleiding, zijn plaats. De keuze van een partner raakt de ouder niet direct. Dus valt zij buiten het gebod.
Het gebod heeft een omtrek. Het reikt tot het lichaam en de plaats van de ouder. Daarbuiten begint het leven van het kind, en daar heeft het gebod niets te zeggen. Dat is geen verzachting die later is aangebracht; het is de rechtsregel zelf, in de eeuw waarin in Europa vaders nog beslisten over huwelijken alsof kinderen bezit waren.c
Ik lees het nog eens en zie dat mijn drie zinnen precies deze omtrek volgen. Ik acht jou: het lichaam, de persoon. Ik acht jouw achtergrond: de plaats in de keten, wat vóór jou was. Ik acht alles wat jou beweegt: en daar houdt het op. Wat mij beweegt, staat er niet in. Achten is een beweging naar de ouder toe, die bij de ouder eindigt. Het zegt niets over wat het kind vervolgens doet.
Chanoch
Dan de andere kant, die ik in het vorige stuk al aanraakte maar niet ben ingegaan. Spreuken 22:6. Chanoch lanaar al pi darko. Wijd de jongen in naar de mond van zijn weg.
Chanoch. Dezelfde stam als Chanoeka. Inwijden, in gebruik nemen. Het werkwoord staat in Deuteronomium 20:5 voor het inwijden van een nieuw huis: wie een huis gebouwd heeft en het niet heeft ingewijd, ga terug. Een huis wijd je in door erin te gaan wonen. Niet door het te verbouwen. De Tora gebruikt voor opvoeden het woord voor: iets in gebruik nemen zoals het gebouwd is.
Al pi darko. Naar de mond van zijn weg. Peh, mond, de letter die ook opening betekent. Zijn weg heeft een mond, een opening, een plek waar hij begint. De ouder wijdt het kind in bij de opening van de weg die van het kind is. Niet de weg van de ouder. Zíjn weg, darko, met het bezittelijk achtervoegsel op het kind.
De Gaon van Wilna las het zo en zei: er is geen opvoeding die voor allen dezelfde is; ieder kind heeft zijn eigen natuur, en de opvoeder heeft het te zien zoals het is en het overeenkomstig te ontwikkelen. De mainstream-uitleg leest darko als “de weg die hij behoort te gaan”, en maakt er een morele weg van die voor ieder gelijk is. Ik geloof de Gaon. Niet omdat het moderner klinkt, maar omdat het bezittelijk achtervoegsel er staat.
En het vers eindigt: ook als hij oud is, zal hij er niet van afwijken. Wie naar zijn eigen weg is ingewijd, hoeft die weg niet meer te verlaten. Wie naar de weg van zijn ouders is ingewijd, moet die weg op een dag verlaten, en komt dan pas bij de zijne. Dat verklaart iets van de vijftigplussers in mijn praktijk. Zij verlaten niet hun ouders. Zij verlaten de weg waarop hun ouders hen hebben gezet, om de mond van hun eigen weg alsnog te vinden.
Acht
Ik kom terug bij het Nederlandse woord, want er zit een toeval in dat ik niet kan laten liggen. Achten en acht. Aandacht en het getal. Etymologisch hebben ze niets met elkaar te maken. Maar de tekst waar ik in zit, heeft wel iets met het getal.
Op de achtste dag wordt de jongen besneden. Zeven dagen is de schepping; de achtste dag is wat daarna komt, wat de week overstijgt. Het eerste wat ouders met een zoon doen, is een teken in zijn lichaam zetten dat zegt: dit kind is niet van ons. Het hoort bij een verbond dat ouder is dan wij en verder reikt dan wij. Nog vóór het kind een naam krijgt, wordt het uit de handen van de ouders gegeven.
En Chanoeka, het feest van de inwijding, duurt acht dagen. Het inwijden en de achtste dag vallen samen. Wat ingewijd wordt, wordt in gebruik genomen voor iets wat groter is dan wie het bouwde.
Ik weet niet of ik dit mag zeggen. In het Nederlands is achten naar iemand kijken en is acht het getal na zeven. Dat de twee in mijn taal samenvallen, bewijst niets. Maar ik hoor het wel. Wie zijn ouders acht, kijkt naar hen op de achtste dag: als mensen die hem hebben gegeven aan iets wat hen overstijgt. En wie zijn kind acht, kijkt naar het kind op de achtste dag: als iemand die niet van hem is.
Terach
Het laatste wat ik vind, staat in de chronologie van Genesis 11 en 12, en Rasji heeft het eerder gezien dan ik.
Terach is zeventig als Abram wordt geboren. Abram is vijfenzeventig als hij Charan verlaat. Terach is dan honderdvijfenveertig. Terach sterft op tweehonderdvijf. Hij leeft dus nog zestig jaar nadat zijn zoon is weggegaan. Maar de Tora vertelt de dood van Terach in vers 32 van hoofdstuk 11, en pas daarna, in vers 1 van hoofdstuk 12, klinkt lech lecha: ga, voor jezelf, uit je land, uit je geboortegrond, uit het huis van je vader.
Rasji vraagt waarom de tekst de volgorde omdraait. Zijn antwoord: opdat niet gezegd zou worden dat Abram zijn vader oud en alleen achterliet. De tekst zelf beschermt de eer van de vader op het moment dat de zoon hem verlaat. De Tora liegt niet over de jaren; zij ordent ze zo dat het verlaten en het eren naast elkaar kunnen staan zonder elkaar op te heffen.
Dit is het diepste wat ik vandaag vind. De tekst doet wat het kind moet doen: zij geeft de vader zijn gewicht, zijn plaats, zijn dood op de eerste bladzijde, en laat de zoon gaan op de tweede. Zonder dat het verlaten een afwijzing wordt en zonder dat het eren een blijven wordt.
En Terach was zelf op weg naar Kanaän. Genesis 11:31: hij nam Abram en Sarai en Lot en trok uit Ur om naar Kanaän te gaan, en zij kwamen tot Charan en bleven daar. De vader had dezelfde bestemming als de zoon. Hij kwam er niet. De zoon gaat verder dan de vader, in de richting die de vader zelf koos. Dat is geen breuk met de vader en geen herhaling van de vader. Het is de weg van de vader, al pi darko, naar de mond van de eigen weg, voorbij de plek waar de vader bleef steken.
Wat Charan betekent, laat ik hier liggen. Ik ben er nog niet.
Wat ik niet kan sluiten
Ik heb de omtrek van het gebod gevonden: het reikt tot het lichaam en de plaats van de ouder. Ik heb het getal gevonden: het werkwoord draagt de Naam. Ik heb de omkering gevonden: opvoeden is inwijden naar de weg van het kind, en de Tora zelf ordent de jaren zo dat een zoon kan gaan zonder zijn vader te onteren.
Wat ik niet heb gevonden, is wat er gebeurt als de ouder niet acht. Als de vader in Charan niet alleen blijft steken, maar de zoon vasthoudt. Als de moeder haar plaats niet laat. Het gebod aan het kind blijft dan staan, met de Naam erin, en het kind moet het lichaam verzorgen en de plaats laten van iemand die zijn eigen plaats niet inneemt. Rav Assi verliet zijn moeder toen zij een man vroeg zoals hij. Hij ging naar Israël. De Talmoed vertelt niet of dat eren was of vrezen, of geen van beide.
Ik denk dat het achten was, in de Nederlandse zin. Hij had gekeken. Hij had gewogen. En hij ging.
Lees verder:
eer-uw-vader-en-uw-moeder-4/
eer-uw-vader-en-uw-moeder-1/
eer-uw-vader-en-uw-moeder-2/
eer-uw-vader-en-uw-moeder-3/
Lees ook: ik-acht-jou/

