En zij gingen beiden tezamen
Het kind in mij, is bevroren op het moment dat ik iets niet kreeg wat ik wel nodig had of iets kreeg wat ik op dat moment niet nodig had. [Lees daar meer over: overlevingsmechanisme-afsplitsen/]
De paniek die eerder is dan het besluit
Iemand besluit iets te doen wat hij al jaren wil, en op de ochtend dat het concreet wordt, is hij doodsbang. Hij is in paniek. Niet bezorgd, niet aarzelend: bang op een manier die het besluit zelf belachelijk maakt. Wie dat meemaakt, denkt meestal dat de angst iets zegt over het besluit. Dat is bijna nooit zo. De angst zegt iets over wanneer ze is ontstaan, en dat is het eerste wat uit elkaar gehaald moet worden: het besluit is van nu, de angst is van toen.
Het lichaam bewaart ervaringen op twee manieren, en die twee kennen elkaar niet. De ene manier is de herinnering die je kunt vertellen: wat er gebeurde, wanneer, met wie. Die herinnering heeft een datum en weet dat het voorbij is. De andere manier is ouder en ligt dieper: een toestand die het hele organisme ooit aannam om te overleven, opgeslagen zonder woorden en zonder datum. Die toestand weet niet dat het voorbij is, omdat ze niet weet dat er tijd bestaat. Ze wordt niet opgehaald, ze wordt opnieuw geïnstalleerd, compleet, zodra de omstandigheden er genoeg op lijken. Een kind dat op zijn vijfde meemaakte dat iemand wegging en niet terugkwam, heeft daar meestal geen vertelbare herinnering aan. Het heeft er een toestand aan overgehouden, en die toestand wacht, veertig jaar lang, op een vertrek dat er genoeg op lijkt.
Dat kind is geen beeldspraak. Het is de leeftijd waarop het verlies binnenkwam, met alles wat die leeftijd kon en niet kon. Een kind van vijf kan nog niet denken dat dood onomkeerbaar is en tegelijk dat het niet zijn schuld is; die twee gedachten passen nog niet naast elkaar. Het kan nog niet weggaan van wie het liefheeft zonder dat het lichaam dat als gevaar registreert, want het is nog volledig afhankelijk. En het kan nog niet dragen wat het zag zonder een volwassene die het mee draagt. Wat het toen kreeg, was de dood, onbegeleid. Wat het niet kreeg, was iemand die zei: dit is te groot voor jou, geef het aan mij. Die twee dingen, het te veel dat het kreeg en het te weinig dat het niet kreeg, zijn samen de toestand die op de ochtend van het vertrek opnieuw aangaat.
Waarom het kind wint
Het kind wint omdat het sneller is. De toestand van toen zit in het deel van het zenuwstelsel dat gevaar signaleert vóór er een gedachte is gevormd, en het besluit van nu zit in het deel dat gedachten vormt. Tussen die twee zit, in tijd gemeten, een fractie van een seconde, en in die fractie is de paniek al compleet terwijl het besluit nog moet beginnen met zichzelf te verdedigen. Wie dan zegt: ik wil dit toch echt, spreekt tegen een lichaam dat al besloten heeft dat er gevaar is. Argumenten komen te laat, altijd.
De volwassene doet in die situatie meestal een van twee dingen, en beide maken het erger. Het eerste is onderhandelen: het kind geruststellen met redenen die het niet kan horen, omdat het kind geen redenen kent, alleen aanwezigheid of afwezigheid. Elke reden die de volwassene aandraagt, bevestigt het kind dat het alleen is met zijn angst, want er is niemand die bij de angst blijft; er is alleen iemand die haar wil laten ophouden. Het tweede is overstemmen: gewoon gaan, de angst wegzetten als onzin, doorbijten. Dat lijkt volwassen, en het is precies de herhaling van wat er toen gebeurde. Ook toen ging er iemand weg terwijl het kind in paniek achterbleef. De volwassene die de eigen paniek overstemt, wordt in het systeem van het kind de ouder die vertrok, en het kind blijft achter, nu zonder iemand die het ziet, omdat degene die het had kunnen zien, net de deur uit is.
Er zit nog iets onder, en dat is het minst prettige. De volwassene heeft de paniek van het kind meestal nodig. Zolang het kind waakt, hoeft de volwassene niet te voelen wat er zou gebeuren als er niet gewaakt werd, en zolang het kind niet weg kan, hoeft de volwassene niet te ontdekken wat er van hem overblijft zonder de mensen om wie hij zich zo bezorgd maakt. De angst van het kind houdt de volwassene op zijn plek, en die plek is vertrouwd. Wie dat ziet, ziet ook waarom het onderscheid tussen die twee zo zelden wordt gemaakt: het is niet alleen moeilijk, het is ook ongewenst.
Het onderscheid
Het kind kan niet weggaan. Voor een kind is weggaan van degenen van wie het afhankelijk is levensgevaarlijk, en een kind dat een dode heeft meegemaakt, weet bovendien dat weggaan en doodgaan hetzelfde zijn. De volwassene kan wel weggaan, en terugkomen, en weet dat die twee bij elkaar horen. Het kind moet waken, omdat het geleerd heeft dat zijn blik de enige is; de volwassene kan het waken overdragen, aan de mensen die inmiddels voor zichzelf kunnen zorgen, en aan wat groter is dan hijzelf. Het kind ís het verlies: er is in het kind geen plek van waaruit het verlies bekeken kan worden, want het verlies vult alles. De volwassene kan het verlies een plek geven, omdat hij zelf een plek heeft die niet het verlies is.
Dat laatste is de kern. De volwassene in ons is niet degene die geen angst heeft; hij is degene die een plek heeft van waaruit de angst gezien kan worden zonder erin te verdwijnen. Alles wat de diepte-psychologie over het innerlijke kind heeft gezegd, komt hierop neer: niet dat het kind moet groeien, maar dat er een volwassene moet zijn die er bij is. En alles wat het systemisch denken erover zegt, komt hierop neer: het kind in ons volgt de dode, uit liefde, en alleen een volwassene kan de dode aankijken en zeggen: ik blijf nog. Het kind kan die zin niet zeggen. Het kan alleen meegaan of achterblijven, en allebei zijn ondraaglijk.
Wie het onderscheid eenmaal voelt, hoeft niet meer te kiezen tussen de angst en het besluit. De paniek is dan geen oordeel meer over het besluit, maar een kind dat spreekt, en tegen een kind dat spreekt hoeft niet gewonnen te worden. Er hoeft alleen iemand bij te zijn. Dat is minder dan de meeste mensen denken dat er nodig is, en tegelijk meer dan de meeste mensen ooit gedaan hebben: bij de angst blijven zonder haar te willen laten ophouden, en ondertussen niet weggaan. Niet uitleggen, niet troosten, niet oplossen. Er zijn, bij wat het kind toen zonder iemand heeft gedragen.
Hier ben ik
Er is een tekst waarin een volwassene en een kind samen een berg op gaan, en waarin het kind de vraag stelt die elk kind in paniek stelt, en de volwassene het antwoord niet weet. Genesis 22. Abraham krijgt de opdracht zijn zoon mee te nemen naar een berg die hem gewezen zal worden — dezelfde vaagheid als bij zijn eerste vertrek, het land dat Ik je zal laten zien. Ze gaan drie dagen. Dan laat hij de knechten achter, legt het hout op Isaak, en er staat: “en zij gingen beiden tezamen”.
Onderweg spreekt Isaak: “Mijn vader.” En Abraham zegt: hineni beni, hier ben ik, mijn zoon. Dan de vraag: “Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam?” Abraham antwoordt niet dat het goed komt. Hij zegt: “God zal zichzelf het lam voorzien, mijn zoon.” Hij weet het niet, hij zegt niet dat hij het weet, en dan staat er, voor de tweede keer, letterlijk dezelfde zin: “en zij gingen beiden tezamen.” Tussen die twee zinnen zit het hele onderscheid. Het kind stelt de vraag waarop geen antwoord is. De volwassene heeft dat antwoord niet en doet niet alsof. En ze lopen door, naast elkaar. De herhaling van de zin is geen stijlfout van een oude tekst; de rabbijnen lezen haar als: vóór de vraag liepen ze samen, en ná de vraag, toen het kind wist dat de vader het niet wist, liepen ze nóg samen. Het samen-gaan overleefde de vraag.
Het woord dat Abraham tegen zijn zoon zegt, hineni, zegt hij drie keer in dit hoofdstuk: tegen God aan het begin, tegen Isaak halverwege, tegen de engel aan het einde. Het is geen antwoord op wat er gevraagd wordt; het is de mededeling dat er iemand is die de vraag hoort. Voor het kind in ons is dat het enige wat de volwassene te zeggen heeft, en het is precies de zin die het kind toen niet hoorde. Er was niemand die “hier ben ik” zei toen het kind vroeg waar iedereen was.
En dan geeft de tekst de berg een naam. Abraham noemt de plek: de HEER ziet, en de verteller voegt toe dat men tot op de dag van vandaag zegt: op de berg van de HEER wordt gezien. Het kind dat na een verlies is gaan waken, kijkt omdat het gelooft dat er anders niemand kijkt. De plek waar de volwassene en het kind samen aankomen, heet: hier wordt gezien, door een ander dan jij. Dat is geen troost die het kind kan horen. Het is een plek waar de volwassene het kind naartoe kan brengen.
Eén stem die moeder en kind is
Psalm 131 is drie verzen lang, en het middelste vers doet iets wat pas opvalt als je het hardop leest: “Ik heb mijn ziel tot rust gebracht, als een gespeend kind bij zijn moeder; als een gespeend kind is mijn ziel in mij.” Degene die spreekt, is degene die tot rust bréngt, en degene die tot rust wordt gebrácht. Moeder en kind in één stem. De psalm beschrijft geen kind dat getroost wordt door een ander; hij beschrijft een volwassene die het kind in zichzelf draagt zoals een moeder een kind draagt, en het woord dat de psalm daarvoor kiest, is nauwkeuriger dan het lijkt.
Gespeend, is een kind dat net van de borst is. Spenen is het eerste weggaan dat een kind overleeft. De moeder onttrekt zich, het kind protesteert, en ontdekt dan dat de moeder er nog is, anders, op afstand, en toch. Een kind dat goed gespeend is, heeft in het lichaam geleerd dat weggaan en terugkomen bij elkaar horen. Een kind dat rond die leeftijd iemand verloor, heeft het tegendeel geleerd: dat weggaan definitief is. Voor dat kind is elk later vertrek een spenen dat nooit is afgerond, en de paniek op de ochtend van het vertrek is het protest van een kind dat nog steeds wacht tot iemand terugkomt.
Wat de volwassene dan doet, als hij het kind bij de hand neemt en toch gaat, is dat spenen alsnog voltrekken. Niet door het kind alleen te laten, want dat is de herhaling, maar door zelf de moeder te zijn die weggaat én er is. De volwassene gaat, het kind gaat mee, en onderweg leert het kind, in het lichaam en niet in het hoofd, wat het toen niet kon leren: dat er iemand bij blijft terwijl er iemand weggaat. Dat is waarom deze psalm op de weg thuishoort en niet in een stoel. Het kind leert het niet uit een gesprek. Het leert het uit een vertrek dat wordt overleefd.
Wat openblijft
Aan het einde van Genesis 22 staat: “Abraham keerde terug naar zijn knechten, en zij stonden op en gingen samen naar Berseba.” Isaak wordt niet genoemd. Ze gingen beiden tezamen de berg op; van de berg af gaat er één. De joodse uitleg heeft daar eeuwen over gedaan en is er niet uitgekomen: Isaak bleef achter om te leren, zegt de een; Isaak was jaren weg, zegt de ander; Isaak is nooit meer dezelfde geworden, zegt een derde, en wijst op zijn latere blindheid. De tekst zelf zwijgt. De volgende keer dat Isaak verschijnt, is hij volwassen, en zijn moeder is dood.
Dat zwijgen hoort bij het onderscheid. De volwassene die het kind meeneemt, weet niet wat er met het kind gebeurt op de berg. Misschien komt het kind mee terug, kleiner, op zijn eigen plek, niet meer op wacht. Misschien blijft er iets van het kind daarboven, op de plek die heet: hier wordt gezien. Misschien is de volwassene die terugkeert een ander dan degene die vertrok, en is dat het enige wat er over het kind te zeggen valt. Wat de tekst wel geeft, is de volgorde: eerst samen, dan de vraag, dan weer samen, dan de berg, en pas daarna het zwijgen. Wie de paniek op de ochtend van het vertrek herkent als het kind dat spreekt, en “hier ben ik” zegt, en gaat, weet niet hoe het afloopt. Hij weet alleen dat het kind deze keer niet alleen achterblijft.