Engel en bengel
De broer die bleef en de zus die wegging
In de familie Hendriks, eigenaar van een bouwbedrijf in de Achterhoek, groeiden twee kinderen op die als twee kanten van één munt waren. Erik was de jongen die altijd hielp. Hij stond op zaterdag op de bouwplaats, haalde goede cijfers, ruimde zonder morren zijn kamer op en zei nooit nee tegen zijn vader. Hij nam het bedrijf over toen hij dertig was. Iedereen in het dorp noemde hem een prima vent.
Zijn zus Marleen was het tegendeel. Ze maakte ruzie aan tafel, ging op haar zeventiende op kamers in Amsterdam, studeerde kunstgeschiedenis en zei bij elke verjaardag iets wat de sfeer bedierf. Over het bouwbedrijf zei ze dat het een patriarchaal bolwerk was. Haar ouders zeiden dat ze altijd al lastig was geweest.
Erik is nu achtenveertig en heeft voor de tweede keer een burn-out. Marleen woont alleen in Amsterdam en komt nog maar twee keer per jaar naar huis. Ze lijken in niets op elkaar. Toch zijn ze, zou je kunnen zeggen, twee antwoorden op dezelfde vraag, en ze hebben die antwoorden in hetzelfde huis gevonden.
Twee antwoorden op dezelfde wond
Vroeg in zijn leven ervaart ieder kind een vorm van afwijzing. Vaak een kleine: een vader die geen tijd had, een moeder die met haar zorgen bezig was, een bel van de winkel die altijd voorging. Uit die afwijzing groeit een stil geloof over jezelf: ik doe er niet toe, ik ben niet goed genoeg, ik hoor er niet helemaal bij. Dat geloof is te pijnlijk om te voelen, dus bouwt een kind er iets overheen: een strategie die ervoor zorgt dat het geloof niet hoeft te worden gevoeld.
In een familiebedrijf zie je die strategieën vaak in twee gestalten. De engel past zich aan. Hij zegt: ik moet helpen, ik moet sterk zijn, ik moet doen wat er van me verwacht wordt, want anders doe ik er niet toe. De bengel zet zich af. Hij zegt: ik moet onafhankelijk zijn, ik moet mijn eigen weg gaan, want anders word ik opgeslokt. Erik is een engel. Marleen is een bengel. Ze lijken tegenpolen, maar ze beschermen zich tegen hetzelfde: het gevoel dat ze er in dit huis, naast dit bedrijf, niet echt toe deden.
Dat is het verrassende aan die twee gestalten. Van buiten oordeelt iedereen verschillend over hen. De engel wordt geprezen, de bengel wordt verweten. Van binnen zijn ze verwanten. Allebei hebben ze het eigen gevoel ingeruild voor een rol. Allebei houden ze die rol krampachtig vast, omdat hij ooit heeft gewerkt. En allebei betalen ze er als volwassene een prijs voor. Erik betaalt met zijn lichaam, dat hem twee keer heeft stilgezet. Marleen betaalt met eenzaamheid, omdat haar onafhankelijkheid geen plek overlaat voor iemand die bij haar mag komen.

Waarom broers en zussen de rollen verdelen
Dat Erik en Marleen zo verschillend werden, is minder toevallig dan het lijkt. Ontwikkelingspsychologen zien al decennia dat broers en zussen die vlak na elkaar komen, zich sterker van elkaar onderscheiden dan je op grond van erfelijkheid en opvoeding zou verwachten. De Amerikaanse psychologe Frances Schachter noemde dat de-identificatie: kinderen zoeken bewust en onbewust een eigen terrein, juist omdat het terrein van de ander al bezet is. Als de een de goede leerling is, wordt de ander de grappenmaker. Als de een de sporter is, wordt de ander de lezer. Zo vermijden ze een strijd die ze niet kunnen winnen, en krijgen ze elk een eigen plek in de ogen van hun ouders.
De Amerikaanse historicus Frank Sulloway trok die lijn verder. In zijn onderzoek naar de geschiedenis van wetenschap en politiek zag hij dat oudste kinderen vaker de bestaande orde verdedigen, en jongere kinderen vaker in opstand komen. Het oudste kind identificeert zich met de ouders en hun waarden, omdat dat de positie is die het eerst kon innemen. Een jonger kind vindt die plek al bezet, en zoekt zijn kracht in het andere.
In een familiebedrijf is er één plek die alles domineert: die van de opvolger. Wie die plek inneemt, wordt bijna vanzelf de engel. Hij past zich aan de zaak aan, aan de vader, aan de verwachtingen. Voor de ander blijft dan vooral de tegenpool over. Marleen had misschien ook graag in de bouw gewerkt, maar die plek was al van Erik. Ze werd wat er nog te worden was.
Systemisch gezien vullen de twee elkaar aan. Een familie heeft iemand nodig die de orde bewaart, en ook iemand die laat zien wat er aan die orde schuurt. Als de engel wegvalt, verandert vaak ook de bengel. Er zijn families waarin de rebelse dochter de zaak overnam nadat haar brave broer instortte, en waarin ze tot verbazing van iedereen een uitstekende ondernemer bleek.
De bengel als boodschapper
In de gezinstherapie is al lang bekend dat het kind dat problemen maakt, vaak niet het probleem is. De Amerikaanse gezinstherapeute Virginia Satir sprak van de aangewezen patiënt: het gezinslid dat het symptoom draagt van een spanning die het hele gezin betreft. Het kind dat lastig is, laat zien wat er in het gezin schuurt, en wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden. Zo hoeft de rest er niet naar te kijken.
Als je goed luistert naar wat Marleen bij elke verjaardag zegt, hoor je dingen die waar zijn. Dat haar moeder veertig jaar de boekhouding deed en nooit is bedankt. Dat haar vader nooit heeft gevraagd of Erik het bedrijf eigenlijk wel wilde. Dat er in deze familie alleen over het werk wordt gepraat. Ze zegt het scherp en op het verkeerde moment, en daardoor kan iedereen het afdoen als haar lastige karakter. Maar de bengel is in veel families de enige die hardop zegt wat de anderen voelen. Ze is de boodschapper, en de boodschap wordt genegeerd door de boodschapper weg te zetten.
De engel draagt ook een symptoom, alleen is het lang onzichtbaar. Erik deed alles goed, tot zijn lichaam het niet meer deed. Zijn burn-out is een boodschap van een andere soort. Waar Marleen met woorden zei dat er iets niet klopte, zei Erik het met zijn uitputting. Een systeem dat de bengel niet hoort, krijgt de boodschap uiteindelijk via de engel, en dan veel later en veel duurder.
Zo bezien dragen Erik en Marleen samen de last van een familie die haar spanningen niet zelf onder ogen ziet. De een draagt ze door ze naar buiten te brengen, de ander door ze naar binnen te slikken.
Wat zonen en dochters mogen zijn
Wie in familiebedrijven kijkt, ziet dat de gestalten van engel en bengel niet voor zonen en dochters hetzelfde betekenen.
Een zoon in een familiebedrijf wordt vaak al vroeg in de richting van de engel geduwd. De zaak heeft een opvolger nodig, en de verwachting valt meestal op de zoon. Een zoon die bengel is, valt daardoor extra op. Hij is het zwarte schaap, de zoon die zijn vader teleurstelt. Maar als hij later zijn eigen bedrijf begint, wordt zijn opstandigheid achteraf soms gewaardeerd als ondernemersgeest: hij was altijd al eigenwijs. Voor een zoon kan de bengel een omweg naar respect zijn.
Een dochter heeft het in sommige opzichten makkelijker en in andere moeilijker. Er wordt minder van haar verwacht als opvolger, en dat geeft haar meer ruimte om weg te gaan. Maar een dochter die bengel is, wordt anders beoordeeld dan een zoon. Wat bij haar broer eigenwijs heet, heet bij haar lastig. Wat bij hem daadkrachtig heet, heet bij haar moeilijk. Haar opstand wordt eerder als karakterfout gezien dan als kracht. En een dochter die engel is, past zich vaak aan op een manier die nog minder opvalt dan die van haar broer. Zij zorgt voor de ouders, doet de administratie, regelt de verjaardagen, en wordt zelden gezien als iemand die iets opgeeft.
Marleen voelde dat verschil al als meisje. Als Erik eens tegen zijn vader inging, werd dat gezien als een teken dat hij een echte vent werd. Als zij tegen haar vader inging, werd ze naar haar kamer gestuurd. Ze leerde dat haar kracht in deze familie als probleem gold. Misschien is ze daarom zo ver weg gaan wonen. Een bengel heeft afstand nodig om niet steeds opnieuw de lastige te zijn.
Naar vrij
Engel en bengel zijn allebei manieren om een oude pijn niet te hoeven voelen. Voor een volwassene zijn ze niet meer nodig, maar ze laten zich niet zomaar afleggen. Wie dertig jaar engel is geweest, weet niet wie hij is zonder die rol. Wie dertig jaar bengel is geweest, weet niet hoe het is om dichtbij te komen zonder op te vallen.
Daartegenover staat wat je vrij zou kunnen noemen: zeggen wat je voelt of wilt, zonder je ertegen te beschermen. Voor Erik zou vrij klinken als: ‘Ik weet niet of ik dit bedrijf wil blijven leiden.’ Een zin die hij nog nooit heeft gezegd, ook niet tegen zichzelf. Voor Marleen zou vrij klinken als: ‘Ik mis jullie, en ik vond het pijnlijk dat ik er nooit bij hoorde.’ Zonder aanval, zonder scherpte, als een mededeling van iemand die er toch bij wil horen.
Voor de ouders begint de beweging bij het zien van hun kinderen achter de rollen. Erik is meer dan een betrouwbare opvolger. Marleen is meer dan een lastige dochter. Ze hebben allebei, elk op hun eigen manier, iets gedragen voor deze familie. Ouders die dat kunnen benoemen, maken de rollen een beetje losser.
Soms biedt een crisis daarvoor een opening. De tweede burn-out van Erik kan het moment zijn waarop hij voor het eerst niet meer de engel kan zijn. En het moment waarop Marleen, die alles altijd van een afstand zag, haar broer opbelt. Of dat gesprek plaatsvindt, hangt af van de vraag of een van beiden het aandurft om een zin te zeggen die buiten zijn rol valt.
