Het manna en de dauw
In een vorig artikel beschreef ik dat trouw een werkwoord is: bewerken en bewaken.
Nu wil ik onderzoeken waarom een huwelijk/liefdesrelatied een houdbaarheidsdatum heeft.
Het ontroert me altijd weer hoe een Tora-verhaal nooit alleen een gebeurtenis is die ooit heeft plaatsgevonden. Het is een tekening van hoe de ziel werkelijk functioneert, in elke tijd opnieuw. Niet voor niets zegt de joodse traditie dat er in elke tekst, elk verhaal, 70 lagen zitten, die elke tijd op zijn eigen manier opdeflt. Wat er dan in dat delven gebeurt, is niet dat een mens een mooi beeld op de werkelijkheid plakt. Het is dat de werkelijkheid, die altijd al in het verhaal getekend stond, zich eindelijk laat zien voor wat ze is.
Het huwelijk en het manna liggen daarom niet toevallig in elkaars verlengde — de Schrift zelf heeft het verbond tussen twee mensen en het dagelijkse brood in de woestijn nooit als twee aparte registers behandeld, ze zijn er altijd al één geweest, twee namen voor dezelfde structuur: iets wat niet valt te bewaren, en dat alleen blijft leven door wie er, dag na dag, opnieuw voor naar buiten gaat.
Daarom heb ik het verhaal van de dauw en het manna uitgeplozen (Exodus 16). En mijzelf afgevraagd: wat wil mij dit zeggen? In de woestijn valt er meel (witte korrels) voor brood dat niemand hoeft te verdienen. Er zit maar één regel aan vast: verzamel niet meer dan je voor vandaag nodig hebt, want wat je bewaart tot de morgen, gaat wormen en gaat stinken. En dat gebeurt ook, bij wie het toch probeert. Het manna heeft, letterlijk, een houdbaarheid van precies één dag.
Maar voordat het manna valt, gebeurt er nog iets anders. Lang dacht ik dat de dauw simpelweg viel — ’s nachts, zomaar, een geschenk zonder oorzaak. Dat is niet wat er echt gebeurt. Overdag verdampt vocht onder invloed van de zon; ’s nachts, als de grond afkoelt, slaat diezelfde damp weer neer. De dauw van vannacht is het verwarmde vocht van gisteren, teruggekeerd in een andere vorm. Er is geen dauw zonder een dag die eraan voorafging waarin iets werkelijk is opgewarmd. De dauw bewijst dat wat er vannacht neerdaalt, de neerslag van de warmte is die gisteren daadwerkelijk gegeven is. Geen zon vandaag, geen dauw vannacht. Er is geen ochtend die op zichzelf staat. Elke ochtend draagt de vorige dag al in zich, gecondenseerd.

Pas onder die dauw, als ze optrekt, wordt het manna zichtbaar. Wat er dan ligt, moet vandaag gehaald worden voor de zon zijn werk doet, want anders smelt het.
Er zijn dus twee bewegingen tegelijk aan het werk. De warmte accumuleert, onzichtbaar, van dag op dag, in wat er ’s nachts kan neerslaan. Maar wat er daadwerkelijk beschikbaar is om te voeden, accumuleert nooit — dat moet, hoe rijk de dauw ook was, elke ochtend opnieuw verzameld worden voordat de zon het weer opneemt.
Dat verandert wat een dag zonder aanwezigheid eigenlijk kost. Niet alleen: vandaag is er niets gehaald. Ook: er is morgennacht minder om te condenseren. De schade verplaatst zich niet alleen naar morgenochtend. Ze verplaatst zich naar de nacht die nog komen moet — naar wat er, ver voordat iemand het merkt, al minder wordt om uit te vallen.
Daarbij is het manna niet gebrekkig meel dat toevallig snel bederft. Het is zo ontworpen dat niemand het kon oppotten. De houdbaarheid is geen fout in het meel — het is een eis tot dagelijkse terugkeer. Je kunt niet leven van het vertrouwen van gisteren. Je moet vandaag weer naar buiten, en verzamelen wat er vandaag ligt. Er is precies één uitzondering: de dag vóór de rustdag mag een dubbele hoeveelheid worden verzameld, en die bederft niet — niet omdat het brood die dag anders is, maar omdat het bewaard wordt binnen een ritme dat op rust is gericht, in plaats van een voorraad die het dagelijkse verzamelen wil vervangen.
Dus wat is het, in een huwelijk, dat elke dag opnieuw verzameld moet worden en niet bewaard kan blijven?
Ik denk: de aandacht, het verlangen, de aanwezigheid die je gisteren gaf en vandaag denkt nog te bezitten.
Wat gisteren vers was, is vandaag niet meer te eten. Niet omdat de liefde bedorven is. Omdat liefde, zoals manna, niet oppotbaar is.
Wie leeft van het feit dat hij tien jaar geleden voor haar koos, in plaats van vandaag opnieuw te verzamelen, eet van iets dat allang stinkt — en noemt dan het huwelijk over de datum, terwijl het alleen het gisteren was dat hij probeerde te bewaren.
Hier ligt, denk ik, de eigenlijke reden waarom mensen zeggen dat hun huwelijk is verlopen. Niet omdat de tijd verstreken is. Omdat er ergens is gestopt met verzamelen, en niemand dat moment heeft opgemerkt — want een dag zonder verzamelen ziet er nog precies uit als een dag mét verzamelen. Pas de volgende ochtend, bij het openen van de pot, zie je wat er is gebeurd. Scheefgroei laat zich nooit zien op het moment zelf. Ze laat zich alleen zien in het resultaat, met vertraging, wanneer het al te laat lijkt om de oorzaak nog aan te wijzen.
Volgens mij is niet het gebrek aan geven zelf, maar het gebrek aan erkennen wat er daadwerkelijk gebeurt, dag na dag, in beide richtingen tegelijk — in wat er gehaald wordt én in wat er, door dat halen of niet-halen, weer kan gaan neerslaan. Een systeem zoals een liefdesrelatie kan alleen in balans komen als erkend wordt wat er werkelijk is, zonder het mooier of lelijker te maken dan het is. Een stel dat nooit hardop benoemt wie er de afgelopen maanden heeft gegeven en wie heeft ontvangen — niet als verwijt, maar als constatering — is een stel dat elke avond dauw binnenkrijgt zonder te beseffen dat de hoeveelheid daarvan al een tijd afneemt, om een reden die zich pas veel later laat zien. Scheefgroei laat zich nooit zien op het moment zelf. Ze laat zich zien in het resultaat, met vertraging van dagen, soms van jaren, wanneer het al te laat lijkt om de oorzaak nog aan te wijzen.
Als het manna gegrepen wordt maar niet werkelijk ontvangen — geproefd, erkend, niet kleiner gemaakt dan het was — dan is dat geen verlies dat bij de maaltijd zelf blijft staan. Het reikt verder terug dan wie at. Want de gloed is nooit een bron die zichzelf blijft voeden, hoeveel leven er ook in zit. Ze wordt, net als de bundel, gevoed door wat er de dag ervoor werkelijk gebeurd is — en het enige wat haar voedt, is niet dat er gegeven werd, maar dat het gegevene gezien is. Ontvangen is dus niet het sluitstuk van de cyclus, het punt waarop het verzamelen ophoudt en de rust begint. Het is de grondstof van de volgende dag: schijnen. Wat vandaag niet werkelijk wordt binnengelaten, is er morgennacht niet om weer te condenseren.
Een relatie kan dus net zo goed uitdoven aan de kant van het ontvangen, zonder dat er ooit minder geschenen is. Iemand die alles wat haar gegeven wordt onmiddellijk relativeert — het was niets, dat had hij toch moeten doen, dat telt niet — grijpt het manna misschien nog wel, maar eet het niet. En omdat er niets werkelijk is binnengelaten, is er de volgende nacht ook niets om als warmte terug te keren. De gloed van de ander dooft dan niet omdat hij is opgehouden te stralen. Ze dooft omdat er, nacht na nacht, niets is teruggekomen om haar te voeden.
Dat is de reden waarom ontvangen nooit passief is, ook al klinkt het woord zo. Het is de plek waar de cirkel zich sluit of openbreekt — niet aan het begin, bij wie schijnt, maar aan het eind, bij wie toelaat dat er iets werkelijk geraakt heeft.
Hoe komt het nu dat we ons er zo weinig bewust van zijn?
Er is een fase in de liefde die grotendeels instinctief is — de verliefdheid, gedreven door iets dat zich niet laat vasthouden, en die inderdaad een eindige levensduur heeft. Niemand blijft jaren in die roes, hooguit 3 maanden tot een jaar. Soms voelt het aflopen daarvan als het aflopen van het huwelijk. Maar dat is het niet. Het is het eerste moment waarop er iets anders gevraagd wordt: een keuze die niet meer door het instinct wordt gedragen, maar die een nieuwe beweging vraagt van dauw en manna. Het is het beginpunt van iets dat, voor het eerst, niet meer op toeval, op instincten draait maar op verzamelen. En verzamelen is nooit een eenmalige keuze die daarna vanzelf doorwerkt. Het is een keuze die zichzelf, dag na dag, opnieuw moet condenseren uit wat er die dag werkelijk gebeurd is.
Aan de andere kant is er geen garantie dat wanneer het verzamelen hervat wordt, zodra het is opgemerkt, dat gaat helpen. De pot die al een tijd niet is geopend, ruikt niet vriendelijker omdat je nu begrijpt waarom. Je zult aan de slag moeten. De pot moet schoongemaakt worden (niet weggegooid). En er moet iemand naar buiten gaan om het te verzamelen.

En als ik ga invullen van wat nu de zon is en wat het manna, dan denk ik, bij het schijnen van de zon is er een verschil tussen mannen en vrouwen. Want wat de zon doet is niet één beweging maar twee. Het gaat om de mannelijke vorm van aandacht, aanwezigheid en de vrouwelijke vorm van levenskracht. De mannelijke vorm van schijnen is gericht — een bundel, geen gloed. Het is de aandacht die op één plek blijft liggen, die kiest te blijven kijken in plaats van af te dwalen. Warmte door richting, niet door omvang. De vrouwelijke vorm van schijnen is geen bundel maar een gloed — niet gericht maar vullend, niet kiezend maar stralend, gewoon omdat er leven is dat niet wordt binnengehouden. Zij warmt niet doordat ze naar iets kijkt, maar doordat ze zelf niet dooft.
Beide zijn nodig, en ze zijn niet uitwisselbaar. Een bundel zonder gloed warmt maar één plek, smal en scherp — aandacht die alleen registreert, niet voedt. Een gloed zonder bundel warmt overal een beetje en nergens genoeg — leven dat aanwezig is maar nergens landt. De grond die ’s nachts genoeg dauw geeft, heeft allebei gehad: iemand die echt keek, en iemand die echt straalde.
In het verzamelen gaat het over de mannelijke vorm: naar buiten gaan, op tijd, voordat de zon het laat smelten, want aanwezig zijn op het juiste moment, niet wegzakken in slaap of gewoonte. Maar het manna moet niet alleen gehaald worden. Het moet ook werkelijk gegeten worden, en dat is een andere handeling dan grijpen. De vrouwelijke vorm van verzamelen is niet het naar buiten gaan, maar het ontvangen wat er ligt — het niet wegwuiven, niet kleiner maken dan het is, niet zeggen dat het niets was terwijl het er wel lag. Ontvangen is geen passiviteit. Het is een even actieve keuze als het verzamelen, alleen naar binnen gericht in plaats van naar buiten. Wie alles wat er gegeven wordt onmiddellijk relativeert of bekritiseerd, oogst niets, ook al staat ze midden in het veld.
Beide polen doen in wezen hetzelfde ene ding, twee keer — eerst naar buiten, dan naar binnen. Het mannelijke is, in schijnen én in verzamelen, telkens gerichtheid: eerst de bundel die warmt, dan de stap die op tijd grijpt. Het vrouwelijke is, in schijnen én in verzamelen, telkens openheid: eerst de gloed die niet dooft, dan het ontvangen dat niet afweert. Niet vier losse bewegingen dus, maar twee karakters — gerichtheid en openheid — die zich allebei twee keer laten zien, één keer gevend, één keer nemend.
En dat verklaart misschien ook waarom een relatie kan scheefgroeien op een manier die niemand ziet aankomen. Als er wel gericht wordt maar niet ontvangen — als hij kijkt en zij alles wegwuift — is er een bundel zonder iemand die de warmte binnenlaat. Als er wel gestraald wordt maar niet gehaald — als zij open is en hij nooit op tijd komt kijken — is er een gloed die niemand oogst voor de zon hem weer opneemt. Het hoeft dus niet aan gebrek aan liefde te liggen. Het kan net zo goed liggen aan een van de vier bewegingen die wel aanwezig is, maar zonder de beweging die hem beantwoordt.
