Het ongemak van ‘ik wil’
Dit is het eerste deel van een drieluik over de kunst van het willen: we beginnen bij de oorsprong van de wil, hoe deze zich vormt in de kindertijd en hoe onze eerste ervaringen met “ik wil” de basis leggen voor ons latere leven.
Er zijn maar weinig zinnen die zo eenvoudig lijken en tegelijkertijd zoveel spanning oproepen als: “Ik wil.”
Veel mensen aarzelen om deze woorden uit te spreken. Zodra iemand zegt wat hij of zij wil, ontstaat er vaak direct een innerlijke twijfel: mag ik dat eigenlijk wel zeggen? Is het niet egoïstisch? Is het niet te direct, te dwingend, te weinig rekening houdend met de ander?
Tegelijkertijd zien we in het dagelijks leven een andere vorm van willen die juist wél overal aanwezig is. Een vorm die we al als kind leren: “ik wil dat jij…”. Dat is de wil die zich richt op de ander, die iets van de ander verlangt of afdwingt. Deze vorm van willen hoort bij de vroege ontwikkeling van de mens. Het kind ontdekt zijn eigen kracht door invloed uit te oefenen op zijn omgeving. In die fase is willen nog nauw verbonden met behoefte, afhankelijkheid en onmiddellijke bevrediging.
Maar ergens onderweg in het leven zou er een andere stap moeten plaatsvinden. Een stap die minder zichtbaar is, minder vanzelfsprekend wordt geleerd en daarom ook vaak ontbreekt. Dat is de ontwikkeling van een volwassen wil.
Een volwassen “ik wil” richt zich niet op het beheersen van de ander, maar op het kennen van de eigen innerlijke richting. Het is geen eis en geen bevel, maar een uitspraak van binnenuit. Juist wanneer iemand werkelijk kan zeggen wat hij wil, ontstaat er ruimte voor iets nieuws: dialoog. Want wanneer ik kan zeggen wat ik wil, kan de ander dat ook. En pas wanneer twee mensen hun eigen wil kennen, kunnen zij elkaar werkelijk ontmoeten.
In dit artikel onderzoeken we wat het eigenlijk betekent om te willen. Niet alleen vanuit de psychologie, maar ook vanuit filosofische en ontwikkelingsperspectieven. Daarbij kijken we naar de verschillende lagen van willen: van impuls en verlangen, tot een meer bewuste en innerlijk gedragen wil die richting geeft aan het leven.
Want misschien ligt het probleem van onze tijd niet in het feit dat mensen te veel willen, maar juist dat veel mensen niet geleerd hebben hoe ze werkelijk kunnen willen.
De ontwikkeling van wil
Wanneer een mens voor het eerst “ik wil” zegt, heeft dat nog weinig te maken met een bewuste innerlijke keuze. Het eerste willen ontstaat vanuit behoefte. Het kind ervaart een impuls – honger, vermoeidheid, nieuwsgierigheid, frustratie – en deze impuls zoekt onmiddellijk een uitweg naar buiten.
De wil verschijnt in deze fase vooral als een directe beweging naar bevrediging. Het kind wil eten, wil aandacht, wil een speeltje, wil dat iets gebeurt. Het heeft nog nauwelijks het vermogen om afstand te nemen van die impuls of deze te relativeren. Wat gevoeld wordt, wordt meteen tot wil.
Ontwikkelingspsychologisch is dit een normale en noodzakelijke fase. Onderzoekers zoals Jean Piaget beschreven hoe jonge kinderen de wereld aanvankelijk vanuit een egocentrisch perspectief ervaren. Niet in de morele betekenis van egoïsme, maar in de eenvoudige zin dat het kind de wereld nog niet los kan zien van zichzelf. Wat het ervaart, is de werkelijkheid.
Ook in de ontwikkelingsfasen van Erik Erikson zien we hoe het kind in een vroege levensfase leert omgaan met autonomie. In de fase die Erikson beschrijft als autonomie versus schaamte en twijfel ontdekt het kind dat het invloed kan uitoefenen op zijn omgeving. Het kan iets doen, iets pakken, iets weigeren of iets eisen.
In deze periode wordt de wil voor het eerst ervaren als macht.
Het kind ontdekt dat het door te willen iets kan laten gebeuren. Door te huilen komt er iemand. Door te wijzen krijgt het een object. Door te protesteren kan het een situatie veranderen. De wil wordt zo een instrument om de wereld te beïnvloeden.
Dat betekent dat het eerste “ik wil” vaak impliciet betekent: “Ik wil dat jij…”
De wil richt zich in deze fase namelijk niet alleen op een doel, maar ook op degene die dat doel moet mogelijk maken. De ander – ouder, verzorger, opvoeder – wordt onderdeel van de wil van het kind.
Dit is geen fout in de ontwikkeling, maar juist een noodzakelijke stap. Het kind moet eerst ervaren dat het kan willen en dat zijn wil effect heeft. Pas later ontstaat de mogelijkheid om een andere vorm van willen te ontwikkelen: een wil die niet gericht is op het beheersen van de ander, maar op het kennen van de eigen innerlijke richting.
En juist die tweede vorm van willen blijkt in het volwassen leven vaak veel minder vanzelfsprekend te zijn.
In deze fase reageren volwassenen vaak corrigerend op de uitingen van de kinderlijke wil. Ouders proberen het kind te leren rekening te houden met anderen, te wachten, of niet alles onmiddellijk te eisen. Dat is begrijpelijk en soms ook noodzakelijk. Toch gebeurt er in deze correcties iets subtiels: het kind leert niet alleen grenzen kennen, maar kan ook gaan ervaren dat willen zelf ongewenst is.
Dat zien we terug in bekende opvoedingsuitspraken zoals: “Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken.” Of: “Kinderen die vragen worden overgeslagen.” Ook zinnen als “Je moet niet zo zeuren”, “Doe niet zo egoïstisch”, “Altijd maar jij”, of “Je kunt niet altijd krijgen wat je wilt” komen veel voor. Hoewel deze uitspraken vaak bedoeld zijn om het kind te leren rekening te houden met anderen, kunnen ze ook een andere boodschap overbrengen: dat het uitspreken van een wil iets is waar je voorzichtig mee moet zijn, of zelfs iets dat beter onderdrukt kan worden.
Zo kan het gebeuren dat het kind niet alleen leert dat zijn wil grenzen heeft, maar ook dat het veiliger is om zijn wil minder duidelijk te voelen of uit te spreken. De oorspronkelijke kracht van het willen – die eerst nog spontaan en levendig was – raakt dan gemakkelijk vermengd met schaamte, terughoudendheid of aanpassing. Later in het leven kan dat zich uiten in volwassenen die wel veel doen voor anderen, maar moeite hebben om eenvoudig te zeggen: dit is wat ik wil.
Het onderdrukte willen van de volwassene
Wanneer het kind volwassen wordt, zou je verwachten dat ook de wil zich verder ontwikkelt. In werkelijkheid gebeurt dat lang niet altijd vanzelf. Veel volwassenen bewegen zich eerder tussen twee uitersten, zonder dat er een werkelijk vrije en bewuste wil ontstaat.
Aan de ene kant staat de onderdrukte wil. Mensen passen zich voortdurend aan, houden rekening met de verwachtingen van anderen en proberen conflicten te vermijden. Ze zeggen gemakkelijk ja terwijl ze eigenlijk nee bedoelen. Hun aandacht is sterk gericht op wat de ander nodig heeft, verwacht of verlangt. In de psychologie wordt dit verschijnsel vaak beschreven als people pleasing: het voortdurend proberen om harmonie te bewaren door de eigen wensen naar de achtergrond te schuiven.
Deze houding kan voortkomen uit een diep ingesleten overtuiging dat het uitspreken van de eigen wil spanningen veroorzaakt of relaties in gevaar brengt. De wil wordt dan niet zozeer bewust gekozen, maar stilzwijgend ingeperkt.
Aan de andere kant bestaat er een tegenovergestelde reactie: de controlerende wil. Hier wordt de wil juist sterk naar buiten gebracht, maar in een vorm die zich richt op de ander. Mensen proberen situaties te sturen, stellen eisen, oefenen druk uit of proberen de ander te beïnvloeden. De wil krijgt dan de vorm van dominantie, overtuigen of manipuleren.
Hoewel deze twee vormen tegenovergesteld lijken, hebben ze iets gemeenschappelijks: in beide gevallen is de wil nog steeds sterk verbonden met de ander. In de ene situatie wordt de eigen wil opgegeven om de relatie te behouden, in de andere wordt de ander gebruikt om de eigen wil te realiseren.
In veel relaties ontstaat hierdoor een vorm van onderlinge afhankelijkheid. De ene persoon past zich voortdurend aan, terwijl de ander de richting bepaalt. Soms wisselen deze rollen elkaar zelfs af. Psychologen spreken in dit verband ook wel over symbiotische patronen, waarin mensen sterk op elkaar reageren maar tegelijkertijd moeite hebben om een eigen, zelfstandige positie in te nemen.
Wat in beide situaties ontbreekt, is een eenvoudige maar fundamentele stap: het vermogen om eerst de eigen wil te herkennen en te dragen, zonder deze direct op te leggen aan de ander of te verbergen uit angst voor spanning.
Willen en nederigheid
In sommige christelijke tradities bestaat er een zekere terughoudendheid tegenover het uitspreken van de eigen wil. Het kan al snel klinken alsof iemand zijn eigen verlangens centraal stelt. Woorden als eigenwil, zelfzucht of egoïsme worden dan gebruikt om te waarschuwen tegen een leven dat alleen om het eigen belang draait.
Toch ontstaat hier gemakkelijk een misverstand. De Bijbel waarschuwt niet tegen het hebben van een wil, maar tegen een wil die zichzelf absoluut maakt en geen rekening houdt met God of met de ander. Het probleem is dus niet dat een mens wil, maar dat de wil zich losmaakt van relatie en verantwoordelijkheid.
Wanneer iemand eenvoudig zegt: “Dit is wat ik wil,” kan dat juist een vorm van eerlijkheid en nederigheid zijn. Het is een erkenning van de eigen positie, zonder te doen alsof je meer weet of meer kunt overzien dan je werkelijk kunt.
Het tegenovergestelde gebeurt wanneer mensen proberen te raden wat de ander wil, of wanneer zij hun eigen wil verbergen om de relatie te bewaren. Dan ontstaat er een subtiel spel van verwachtingen, aannames en stilzwijgende druk. In zekere zin wordt de ander dan bijna almachtig gemaakt: alsof die ander precies zou moeten weten wat er in ons leeft, of alsof wij zouden moeten weten wat er in de ander leeft.
Maar dat is een positie die in de christelijke traditie eigenlijk alleen aan God toekomt. Alleen God kent het hart van de mens. De mens zelf blijft altijd beperkt in zijn kennis van de innerlijke wereld van de ander.
De Bijbel laat juist vaak zien dat mensen hun verlangen uitspreken. In de Psalmen worden verlangens, angsten en wensen openlijk voor God gebracht. Ook in relaties tussen mensen zien we dat verlangens worden benoemd en besproken. Eerlijkheid over wat iemand wil of nodig heeft, vormt vaak juist de basis voor ontmoeting en wederzijds begrip.
In dat licht kan het uitspreken van een wil eerder worden gezien als een daad van verantwoordelijkheid dan van egoïsme. Door te zeggen wat je wil, neem je verantwoordelijkheid voor je eigen innerlijke beweging. Tegelijk laat je daarmee ruimte voor de ander om ook zijn of haar wil te uiten.
Zo ontstaat er niet een strijd van verborgen verwachtingen, maar een gesprek tussen twee mensen die beiden hun eigen positie kennen.
Misschien ligt ware nederigheid daarom niet in het ontkennen van de eigen wil, maar in het eenvoudige vermogen om te zeggen: Dit is wat ik wil – en ik ben benieuwd wat jij wilt.
Jezus vraagt: “Wat wil je dat Ik voor je doe?”
Een van de meest opvallende momenten staat in het verhaal van de blinde Bartimeüs.
Wanneer Bartimeüs naar Jezus roept, stelt Jezus hem een opmerkelijke vraag: “Wat wilt u dat Ik voor u doe?” Dit gebeurt in het evangelie van Evangelie van Marcus (Marcus 10:51).
Dat is een opvallende vraag. Jezus weet immers dat de man blind is. Toch neemt Hij de wens van de ander niet automatisch aan. Hij vraagt eerst dat de man zelf zijn verlangen uitspreekt.
De blinde antwoordt: “Rabbi, dat ik weer kan zien.”
Pas daarna volgt de genezing.
Zelfs wanneer Jezus het verlangen van de ander zou kunnen raden, vraagt Hij er toch naar. De ander wordt uitgenodigd om zijn wil onder woorden te brengen.
“Vraag en u zal gegeven worden”
Een tweede lijn vinden we in de woorden van Jezus over gebed: Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
Dit staat onder andere in het Evangelie van Mattheüs (Mattheüs 7:7, Mattheüs 21:22; Markus 11:24; Lukas 11:9; Johannes 14:13; 16:24; Jakobus 1:5,6; 1 Johannes 3:22; 5:14).
Hier wordt de menselijke wil niet onderdrukt, maar juist geactiveerd. De mens wordt uitgenodigd om zijn verlangen uit te spreken: vragen, zoeken, kloppen.
Belangrijk is dat deze uitnodiging niet betekent dat elke wens automatisch vervuld wordt. Maar het laat wel zien dat de relatie met God niet gebaseerd is op het onderdrukken van verlangen, maar op het eerlijk uitspreken ervan.
“Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”
Een derde voorbeeld wordt vaak gebruikt om het tegenovergestelde te bewijzen, maar eigenlijk laat het iets anders zien.
In de tuin van Getsemane bidt Jezus: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.
Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.”
Dit moment staat onder andere in het Evangelie van Mattheüs (Mattheüs 26:39).
Wat hier opvalt, is dat Jezus eerst zijn eigen wil uitspreekt. Hij verbergt zijn verlangen niet. Hij zegt eerlijk wat Hij zou willen.
Pas daarna volgt de overgave.
De volgorde is dus belangrijk:
– het verlangen wordt uitgesproken
– daarna wordt het in relatie gebracht met Gods wil
Het christelijke geloof vraagt dus niet om het ontkennen van de wil, maar om het plaatsen van de wil in relatie.
Vanuit deze bijbelse lijnen kun je een sterke conclusie trekken:
De Bijbel leert niet dat mensen geen wil mogen hebben.
Wat problematisch wordt genoemd is eigenwil die zich afsluit voor God en voor de ander.
Maar een wil die eerlijk wordt uitgesproken kan juist:
– ruimte scheppen voor ontmoeting
– verantwoordelijkheid nemen voor het eigen innerlijk
– en een gesprek mogelijk maken over wat werkelijk goed is.
In dat licht is het misschien niet egoïstisch om te zeggen: “Dit is wat ik wil.”
Het kan juist een vorm van waarachtigheid en nederigheid zijn. Want wie zijn wil uitspreekt, doet niet alsof hij de wil van de ander al kent — en al helemaal niet alsof hij de plaats van God kan innemen.
De volwassen wil: zelfpositionering
Wanneer de wil zich verder ontwikkelt, verandert ook de manier waarop iemand “ik wil” zegt. Het is niet langer een impuls die onmiddellijk bevredigd moet worden, en ook geen eis die aan de ander wordt opgelegd. De volwassen wil ontstaat wanneer iemand zich bewust wordt van zijn eigen innerlijke richting en daar verantwoordelijkheid voor neemt.
Dat begint met zelfbewustzijn. Iemand merkt op wat er in hem leeft: verlangens, waarden, voorkeuren, grenzen. In plaats van deze impulsen direct te volgen of juist te onderdrukken, leert hij ze eerst onder woorden te brengen. De wil wordt daarmee minder een reflex en meer een bewuste positie.
Een volwassen wil betekent ook dat iemand verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen verlangen. Niet de ander is verantwoordelijk voor wat ik wil, en de ander hoeft het ook niet automatisch te vervullen. Het uitspreken van een wil is geen bevel, maar een mededeling: dit is wat er in mij leeft.
Juist daardoor ontstaat er ruimte voor de ander. Wanneer ik mijn wil uitspreek zonder die op te leggen, kan de ander hetzelfde doen. De ander hoeft niet te raden wat er in mij leeft, en ik hoef ook niet te raden wat er in de ander leeft.
De beweging wordt dan eenvoudig: Ik wil dit — en ik ben benieuwd wat jij wilt.
In die eenvoudige verschuiving verandert de dynamiek van een relatie. De wil wordt geen instrument van macht meer, maar een uitnodiging tot gesprek. Twee mensen kunnen hun verlangens naast elkaar leggen, verschillen onderzoeken en zoeken naar wat mogelijk is.
Daarmee ontstaan nieuwe kwaliteiten in de relatie:
– wederkerigheid
– gelijkwaardigheid
– dialoog
– en soms ook onderhandeling
De volwassen wil probeert de ander niet te beheersen en verbergt zichzelf ook niet uit angst voor conflict. Zij neemt een positie in, maar laat tegelijkertijd ruimte voor de positie van de ander.
Juist in die ruimte kan ontmoeting ontstaan.
Nu we hebben gezien hoe de wil zich ontwikkelt van kinderlijke impuls tot volwassen zelfpositionering, rijst de vraag: wat betekent het eigenlijk om te kiezen wie je bent? In de filosofie wordt de wil niet alleen gezien als persoonlijke voorkeur of verlangen, maar als een existentiële daad — een manier om jezelf te definiëren en te leven volgens je eigen waarden. Het volgende artikel verkent deze diepere, morele en existentieel geladen kant van willen.
Drieluik:
1) Het ongemak van ‘ik wil’
2) De moed om te willen
3) De ontmoeting van twee willen