Het touw op de grond
Wat de hand weet
Ik geef cliënten een touw en vraag hun op de grond hun eigen land neer te leggen. Het land van hun gaven en talenten, zo groot en in de vorm die erbij past. Het meetsnoer waarmee in Israël het erfdeel werd uitgemeten, chevel, was ook een touw. De oefening doet wat daar gebeurde: een plek krijgt zichtbare randen.

Wat er dan ligt, verrast bijna altijd. Ook de cliënt zelf. Iemand die net heeft verteld dat hij weet wat hij waard is, legt een cirkel waar hij nauwelijks in past. Iemand die zichzelf bescheiden noemt, trekt het touw tot in de hoek van de tuin.
Dat komt doordat het touw langs een andere weg loopt dan het verhaal. Wat iemand over zichzelf zegt, gaat door de taal. Taal is laat in de ontwikkeling gekomen en is gevoelig voor wat sociaal wenselijk is en wat iemand van zichzelf wil geloven. De verhouding tot ruimte is veel ouder. De hersenen houden een kaart bij van het lichaam en van de ruimte er direct omheen. Die ruimte wordt behandeld als bij het Zelf horend. Onderzoek laat zien dat dit lichaamsschema zich bij het vasthouden van een touw uitbreidt tot het eind ervan. Wat we als “van mij” ervaren, heeft dus ook een ruimtelijke kant, en die wordt in het brein letterlijk in kaart gebracht.
Die kaart is gevormd in de eerste jaren, voordat er woorden waren. Hoeveel ruimte een kind mocht innemen, hoe dichtbij de ander kwam, of een grens werd gerespecteerd, is opgeslagen als impliciet geheugen. Je herinnert het niet. Je doet het. Het zit in hoe je in een kamer gaat zitten, hoe je je tas neerzet, hoe dicht je bij iemand gaat staan.
Als de hand het touw legt, spreekt die oudere kaart. Het verhaal kan het daarna nog uitleggen, maar het touw ligt er al.
Een te klein stuk
Sommige mensen leggen een cirkel waar ze met moeite twee voeten in kunnen zetten. Soms vragen ze nog of het niet te veel is. Ze zijn overal en altijd aanraakbaar en hebben geen ruimte om te rusten.
Klein blijven is een oplossing die ooit werkte. Een kind dat merkt dat zijn behoeften de ouder overbelasten, past zich aan. Het vraagt minder, wil minder, voelt minder. Het zenuwstelsel heeft geleerd dat ruimte innemen de verbinding in gevaar brengt, en zonder verbinding overleeft een kind niet. Dus wordt de eigen omvang teruggebracht tot wat de omgeving kon dragen. Dat patroon zie je terug in het lichaam: schouders die naar binnen draaien, een stem die wegvalt aan het eind van de zin.
Daaronder ligt vaak nog een tweede laag. Klein blijven kan loyaliteit zijn. Een dochter die niet groter mag worden dan haar moeder, die zelf nooit haar land heeft ingenomen. Een zoon die zijn vader niet voorbij mag streven, omdat dat zou voelen als verraad. Dan houdt het kind zijn eigen land klein om bij het systeem te blijven horen. Wat er als bescheidenheid uitziet, is de prijs die het betaalt om erbij te horen.
Wat ik bij deze cliënten zie, is dat ze heel precies weten wat de ander nodig heeft. Hun aandacht ligt buiten hun eigen touw. Het land is klein omdat er nauwelijks iemand in woont.
Een te groot stuk
Anderen trekken het touw zo ver als het reikt. Soms vragen ze om een tweede en soms zelfs een derde touw. Het land loopt tot tegen de muren, tot om een boom, soms tot over de plek waar ik zelf sta.
De eerste lezing ligt voor de hand: zelfoverschatting. Maar als ik vraag om in het land te gaan staan en naar de randen te kijken, zie ik zelden trots. Ik zie vermoeidheid. Een groot deel van dat land wordt bewaakt in plaats van bewoond.
Vaak gaat het om mensen die als kind meer moesten dragen dan bij hun leeftijd paste. Een kind dat de ouder troostte, het gezin bij elkaar hield, de stemming van iedereen in de gaten hield. Dat kind kreeg een plek die niet de zijne was: de plek van een ouder, of van een partner van een ouder. In systemisch werk heet dat parentificatie. Het kind voelt zich groot, omdat het zo veel draagt. Maar wat het draagt, is andermans land. Het eigen stuk ligt ergens binnen die enorme omtrek, en het is meestal klein.
Er is ook een tweede vorm. Een groot land kan een verdediging zijn tegen een innerlijke leegte. Als het eigen gevoel van waarde nooit vanzelf is gegroeid, moet het van buiten worden aangevuld: met prestaties, met invloed, met ruimte. Het land wordt groot omdat het van binnen niet stevig genoeg voelt.
In beide gevallen is er meer grond dan iemand kan bewerken. Wat Exodus over het beloofde land zegt, geldt hier ook: een land met te weinig bewoners verwildert aan de randen.
Lijnen die door elkaar lopen
Er zijn ook cliënten bij wie het touw kronkelt, terugloopt, over zichzelf heen gaat. Als ik vraag wat binnen en wat buiten is, kunnen ze het niet zeggen. Soms beginnen ze opnieuw en wordt het nog onoverzichtelijker.
Om een grens te kunnen trekken, moet je weten waar jij ophoudt en de ander begint. Dat onderscheid is niet aangeboren. Het groeit in de eerste jaren, in de relatie met wie voor het kind zorgt. Een baby heeft nog geen eigen regulatie. Het zenuwstelsel van de ouder reguleert dat van het kind mee. Langzaam leert het kind dat zijn eigen gevoel iets anders is dan dat van de moeder. Daarvoor is nodig dat de ouder het gevoel van het kind kan opvangen zonder er zelf in te verdwijnen, en zonder haar eigen gevoel in het kind te leggen.
Waar dat niet gebeurde, blijft het onderscheid vaag. De angst van de moeder werd de angst van het kind. Haar verdriet woonde in zijn lichaam. Zo iemand voelt als volwassene vaak sterk wat anderen voelen, maar kan het niet scheiden van wat hij zelf voelt. Het systemische denken spreekt hier van een gebrek aan differentiatie: het vermogen om verbonden te blijven en toch een zelf te zijn.
Lijnen die elkaar kruisen, wijzen vaak ook op tegenstrijdige loyaliteiten. Een kind tussen twee ouders die elkaar niet konden verdragen, legde een stuk van zijn land bij elk van hen neer. Het touw gaat dan heen en weer omdat het leven ook heen en weer ging.
In het eerste artikel stond de regel van de Torahrol: geen letter mag de andere raken. Hier zie je wat er gebeurt als dat wel gebeurt. De tekst wordt onleesbaar, ook voor wie hem zelf schreef.
Alleen een lijn
De meest raadselachtige vorm is het touw dat recht ligt. Geen cirkel, geen vlak. Alleen een lijn van de ene kant van de tuin naar de andere.
Als ik vraag waar het land is, krijg ik verschillende antwoorden. Sommigen wijzen naar de ene kant: alles daar is van mij. Dan is de lijn een scheidslijn. Ze weten waar ze tegenover staan, maar niet wat er binnen ligt. Hun identiteit is gevormd door afgrenzing: niet zoals mijn vader, niet dat leven, niet die mensen. Dat geeft richting, maar geen woonplaats. Wie zichzelf alleen kent aan wat hij afwijst, heeft een grens zonder grond.
Anderen zien de lijn als een weg. Ze lopen erover heen en weer. Hun leven bestaat uit taken, projecten, het volgende doel. Er is beweging, maar geen plek om stil te staan. Deze mensen kunnen veel, en vaak goed. Alleen wonen doen ze nergens. Rust voelt als stilstand, en stilstand als gevaar.
Wat beide vormen delen, is dat er geen binnenkant is. Een lijn omsluit niets. Er is geen ruimte waar iets kan groeien, waar iets van henzelf kan zijn zonder dat het iets hoeft op te leveren of tegen iets in hoeft te gaan. Vaak hoor ik dan ook: ik weet niet wat ik wil. Dat is precies wat het touw laat zien. Het willen heeft nog geen grond onder zich.
Een grens die je kunt houden
Naast vorm en grootte kijk ik naar de rand zelf. Is het touw gesloten, of liggen de uiteinden los? Is er een opening, en als die er is, is ze gekozen of vergeten?
De oefening kan nog een stap verder gaan. De coach gaat aan de rand staan en stapt erover. Wat gebeurt er dan?
Sommige cliënten doen een stap achteruit. Ze maken plaats. Anderen verstijven en zeggen niets. Weer anderen worden fel. Al deze reacties zijn oud. Ze komen uit het zenuwstelsel, dat drie wegen kent als iets te dichtbij komt: vechten, vluchten, of bevriezen en verdwijnen. Een grens die alleen met een van die drie te verdedigen is, kost te veel, en daarom wordt hij meestal niet bewaakt totdat het te laat is.
Een verdedigbare grens is een grens die je kunt aangeven terwijl je rustig blijft. Je zegt: hier begint mijn land, en je hoeft daarvoor niet boos te worden of weg te gaan. Dat vraagt een zenuwstelsel dat zich veilig genoeg voelt om in contact te blijven terwijl het nee zegt. Dat vermogen ontstaat waar een kind ooit nee mocht zeggen zonder de liefde te verliezen.
Hier zit ook het verschil tussen een grens en een muur. Een muur sluit af en vraagt geen aanwezigheid meer. Een grens moet bewoond worden. Je moet er staan om hem te kunnen aangeven.
Erin staan
Het meest veelzeggende moment komt als het touw ligt. Waar gaat de cliënt staan?
Sommige mensen blijven buiten hun eigen land. Ze kijken ernaar, lopen eromheen, leggen een bocht recht. Ze praten over het land zoals je over een plattegrond praat. Ook wie een mooi, passend stuk heeft gelegd, blijft soms aan de rand staan. Je kunt je eigen land dus kennen zonder erin te wonen.
Die positie van de toeschouwer is vertrouwd voor wie heeft moeten leren zichzelf van buitenaf te bekijken. Een kind dat steeds moest inschatten hoe het overkwam, ontwikkelt een waarnemer die naast het eigen leven staat. Dat beschermt. Wie buiten zijn land staat, kan niet worden geraakt in wat van hem is. Hij kan ook niet tekortschieten op zijn eigen plek.
Als ik vraag om erin te stappen, gebeurt er bijna altijd iets in het lichaam. De adem verandert. Sommigen worden emotioneel zonder te weten waarom. Anderen stappen er direct weer uit, en zeggen dat het raar voelt. Het lichaam herkent iets voordat het hoofd het kan benoemen: hier sta ik op iets wat van mij is.
En dan is er de vraag die ik zelf niet kan beantwoorden. Het touw laat zien hoe iemand zich tot zijn land verhoudt. Het laat niet zien hoe groot dat land werkelijk is. Wie te klein legt, weet niet hoe groot het had mogen zijn. Wie te groot legt, weet niet welk deel van hem is. Het erfdeel werd in Israël verloot, niemand bepaalde zelf de omvang. Een touw op de grond maakt zichtbaar wat iemand ervan heeft gemaakt. Wat er gegeven is, blijft zich langzamer tonen.