Iedereen knikt
De tweede vestiging die niemand wilde
Op de familievergadering van het tegelbedrijf lag het voorstel voor een tweede vestiging in Zwolle op tafel. Vader Herman had het ingebracht, als iets waar hij al een tijd over nadacht. Hij keek de tafel rond. Zijn zoon Jeroen, die het bedrijf zou overnemen, knikte. Zijn dochter Saskia, die de financiën deed, knikte. Zijn vrouw Ans knikte. De zwager die aandeelhouder was, knikte ook. Het voorstel werd aangenomen. Iedereen ging tevreden naar huis.
In de auto zei Jeroen tegen zijn vrouw dat hij er weinig in zag. Ze hadden de mensen niet, en de markt in Zwolle was verzadigd. Saskia belde haar zus dat ze de cijfers niet vond kloppen. Ans zei die avond tegen Herman dat ze hoopte dat hij zich niet te veel op de hals haalde. En Herman, zo bleek een jaar later, had het voorstel vooral ingebracht omdat hij dacht dat Jeroen een eigen project wilde. Zelf zag hij er eigenlijk tegenop.
De vestiging in Zwolle ging open. Na twee jaar ging ze weer dicht, met een verlies van een paar ton. Niemand had het gewild. Iedereen had geknikt.
Een reis naar Abilene
De Amerikaanse organisatiekundige Jerry Harvey beschreef in 1974 een verschijnsel met een anekdote uit zijn eigen familie. Op een snikhete zondagmiddag in Texas zat hij met zijn vrouw en schoonouders op de veranda. Zijn schoonvader stelde voor om in Abilene te gaan eten, ruim tachtig kilometer verderop. Zijn vrouw zei dat het een goed idee was. Harvey zei dat hij het prima vond, als zijn schoonmoeder ook wilde. Zijn schoonmoeder zei dat ze er al lang niet was geweest. Ze reden vier uur heen en terug in een auto zonder airco, en aten slecht. Terug op de veranda bleek dat niemand had willen gaan. Iedereen had ingestemd omdat hij dacht dat de anderen het wilden.
Harvey noemde dat de Abilene-paradox: een groep neemt een besluit dat geen van de leden wil, omdat iedereen denkt dat hij de enige is die twijfelt. Er is wel degelijk overeenstemming, alleen spreekt niemand haar uit. Iedereen is het eens, alleen weet niemand het.
In familiebedrijven is de reis naar Abilene een terugkerende tocht. De familie van Herman is er een schoolvoorbeeld van. Elk lid had bedenkingen, en elk lid dacht dat de anderen enthousiast waren. Herman deed het voorstel voor Jeroen, Jeroen knikte voor Herman, Saskia knikte omdat de mannen al leken te hebben besloten, en Ans knikte omdat ze de sfeer niet wilde bederven. Een paar ton later bleek dat er aan tafel vier mensen hadden gezeten die het allemaal niet wilden.
Harvey zag dat de oorzaak minder in de groep zelf lag dan in een angst die iedereen deelde: de angst om de enige te zijn die afwijkt. Die angst is in families groter dan in de meeste andere groepen, omdat er meer op het spel staat dan een besluit.

Wat het brein doet als je afwijkt
In de jaren vijftig liet de Amerikaanse psycholoog Solomon Asch proefpersonen in een groep de lengte van lijnen vergelijken. De andere groepsleden waren ingewijd en gaven bij sommige vragen bewust een verkeerd antwoord. Een groot deel van de proefpersonen ging minstens één keer mee met het foute antwoord, ook al zagen ze met hun eigen ogen dat het niet klopte. Asch’ proef is beroemd geworden als bewijs van de kracht van groepsdruk.
Recenter onderzoek laat zien wat er in het brein gebeurt als iemand afwijkt van de groep. Onderzoekers van het Donders Instituut in Nijmegen, onder leiding van Vasily Klucharev, lieten proefpersonen gezichten beoordelen en lieten hen daarna zien wat de groep had gekozen. Als hun eigen oordeel afweek van de groep, reageerde het brein met een signaal dat leek op het signaal dat het geeft bij een fout. Het beloningssysteem werd juist minder actief. Hoe sterker dat signaal, hoe meer mensen hun oordeel daarna in de richting van de groep bijstelden. Het brein behandelt afwijken van de groep dus als een vergissing die moet worden gecorrigeerd.
Ander onderzoek, van de Amerikaanse neurowetenschapper Gregory Berns, liet zien dat mensen die tegen de groep in gingen, meer activiteit vertoonden in de amygdala, het gebied dat bij angst en dreiging betrokken is. Afwijken voelt in het lichaam als gevaar.
In een familie is dat effect sterker dan in een groep vreemden in een laboratorium. Daar zitten je vader, je moeder en je broer tegenover je, in plaats van een lijn op een kaart. Wie afwijkt, riskeert meer dan een ongemakkelijk moment. Hij riskeert zijn plek. Het knikken van Jeroen en Saskia aan de vergadertafel was voor een deel een reflex van een lichaam dat afwijking als dreiging registreert.
De spiraal van het zwijgen
De Duitse communicatiewetenschapper Elisabeth Noelle-Neumann beschreef in de jaren zeventig hoe zwijgen zichzelf versterkt. Mensen tasten voortdurend af wat de heersende mening is. Wie denkt dat zijn opvatting in de minderheid is, houdt haar eerder voor zich, uit angst om alleen te komen staan. Daardoor lijkt de minderheid nog kleiner dan ze is, en zwijgen nog meer mensen. Zo ontstaat een spiraal waarin een mening steeds stiller wordt, terwijl evenveel mensen haar hebben. Alleen spreken steeds minder mensen haar uit.
In een familievergadering werkt die spiraal razendsnel. Iedereen kijkt naar het gezicht van de vader. Als Herman enthousiast kijkt, leest Jeroen daarin dat het besluit al vaststaat. Jeroen knikt. Saskia ziet haar vader en haar broer instemmen, en concludeert dat zij de enige is met bedenkingen. Ans ziet drie mensen knikken. Bij elke knik wordt het moeilijker voor de volgende om iets anders te zeggen.
Sociaal psychologen noemen het resultaat meervoudige onwetendheid: een situatie waarin bijna iedereen privé iets anders denkt dan wat hij denkt dat de anderen denken. Niemand liegt. Iedereen schat alleen verkeerd in wat er in de hoofden van de anderen omgaat, en past zijn gedrag daarop aan.
Wat het in families extra hardnekkig maakt, is dat het knikken jarenlang wordt geoefend. In de familie van Herman knikt men al dertig jaar. De kinderen hebben als tieners geleerd dat vader beslist en dat bezwaar maken weinig oplevert. Op de vergadering knikken ze met een eigen mening in hun hoofd, omdat hun lichaam nog weet hoe het aan tafel ging toen ze vijftien waren.
Waarom hij knikt en waarom zij knikt
Aan de vergadertafel van Herman knikte iedereen, ieder om een eigen reden. Dat verschil volgt vaak de lijn tussen mannen en vrouwen.
Jeroen knikte vanuit de rangorde. Tegenover zijn vader is hij nog altijd de zoon. Ingaan tegen een voorstel van zijn vader voelt als een uitdaging van diens positie, en die uitdaging durft hij niet in het openbaar aan te gaan. Voor veel mannen speelt een conflict met de vader zich af op het terrein van wie de sterkste is. Wie verliest, verliest status. Dus wacht Jeroen tot hij zelf de baas is, en neemt hij intussen besluiten voor lief waar hij niet achter staat.
Saskia en Ans knikten vanuit de verbinding. Voor hen voelde bezwaar maken als het verstoren van de sfeer aan tafel, en die sfeer is in veel families het domein van de vrouwen. Ans had dertig jaar lang de vrede bewaard aan de keukentafel. Saskia had van haar moeder geleerd hoe dat moest. Hun bedenkingen kwamen later, in een telefoongesprek met een zus of in bed, waar de verbinding niet in gevaar was.
En dan was er Herman zelf, die ook knikte, alleen in de vorm van een voorstel. Hij bracht de vestiging in Zwolle in omdat hij dacht dat zijn zoon dat wilde. Ook hij paste zich aan aan wat hij dacht dat de ander verwachtte. Hij voelde zich als vader verplicht om zijn zoon een uitdaging te geven. Dat hij er zelf tegenop zag, hield hij voor zich, omdat een vader die twijfelt in zijn beeld geen goede vader is.
Zo zaten er vier mensen aan tafel die alle vier iets anders voelden dan ze lieten zien, ieder om zijn eigen reden, en die samen een besluit namen waar niemand achter stond.
Het nee een plek geven
In een familie waar iedereen knikt, helpt het weinig om mensen op te roepen eerlijker te zijn. Het knikken is een gewoonte van het lichaam en van het systeem, en die verandert alleen als de vorm van het gesprek verandert.
Een eerste stap is de volgorde. Wie het voorstel doet, spreekt als laatste over zijn eigen voorkeur. Als Herman het idee voor Zwolle had ingebracht als vraag, en eerst de anderen had laten zeggen wat zij ervan vonden, was de spiraal van het zwijgen niet begonnen voordat iemand zijn mond had opengedaan.
Een tweede stap is het nee vooraf een plek geven. In plaats van de vraag ‘zijn we het eens?’ de vraag ‘wat zijn de bezwaren?’ Die vraag maakt bezwaar tot een bijdrage in plaats van een aanval. Sommige families spreken af dat er bij grote besluiten altijd iemand is die bewust de andere kant verdedigt, en wisselen die rol per vergadering. Dan hoeft niemand de lastige te zijn, omdat iemand het is.
Een derde stap is iedereen eerst voor zichzelf laten opschrijven wat hij ervan vindt, voordat er wordt gepraat. Dan ontstaat er een moment waarop iedereen zijn eigen mening heeft vastgelegd voordat hij de gezichten van de anderen heeft gezien.
En een vierde stap is achteraf de vraag van Harvey stellen: wie wilde dit eigenlijk? Een familie die na de sluiting van Zwolle die vraag aan tafel had gesteld, had ontdekt dat niemand het wilde. Die ontdekking is pijnlijk, en tegelijk een opening. Een familie die weet dat ze samen naar Abilene is gereden, hoeft het de volgende keer niet meer te doen.
