Innerlijke roeping en het appel van gaven
Deze serie van zes reflectieve artikelen onderzoekt de samenhang tussen roeping, gaven, bezieling en wat ik noem zielsverantwoordelijkheid.
Wat betekent het om te leven naar wat in je is gelegd — niet als zelfverwerkelijking, maar als antwoord op een diepere roep?
In elk deel staat één vraag centraal:
I – Wat in mij gelegd is – Wat als je gaven geen toeval zijn — maar een appel in zich dragen?
II – De bedoeling als richting, niet als blauwdruk – Hoe ontdek je waartoe je geroepen bent, als je het niet op een briefje krijgt?
III – Bezieling: vuur of versiering? – Wanneer leeft iets werkelijk vanuit de ziel — en wanneer is het slechts façade?
IV – Trouw aan wat klopt – Wat vraagt het om gehoorzaam te blijven aan je innerlijk weten, als de weerstand groeit?
V – Voor wie doe je dit? – Roeping is geen zelfverwerkelijking — het is een antwoord. Maar aan wie?
VI – Samenvatting: leven in volheid én genade – Hoe houd je roeping, bezieling en overgave in balans zonder jezelf te verliezen?
Wat in mij gelegd is – over gaven die hun oorsprong verraden
“Je krijgt het niet op een briefje”
“Maar wie ben jij om te zeggen wat jouw bedoeling is?”
Die vraag komt niet zelden wanneer je spreekt over innerlijke roeping. Soms klinkt ze scherp — als kritiek op vermeende hoogmoed of zelfoverschatting. Soms klinkt ze eerder aarzelend — een uitdrukking van oprechte twijfel of verwarring. Want wie kán dat inderdaad zeggen, zonder zich te verliezen in illusie of projectie?
Toch zijn er van die momenten waarop je iets in jezelf herkent dat groter is dan jijzelf. Geen resultaat van training of inspanning, maar een gave die zich stilletjes aandient, als een vanzelfsprekendheid. Een kracht, een intuïtie, een gevoeligheid — alsof het in je gelegd is, niet door jezelf, maar door Iemand anders.
En dan wordt de vraag niet langer: “Wie ben ik om te denken dat dit mijn bedoeling is?”
Maar veeleer: “Wat vraagt deze gave van mij?”
Je krijgt het niet op een briefje.
Maar soms klopt iets in je zo diep, dat het geen zekerheid vraagt — alleen gehoorzaamheid.
Gaven als richtingaanwijzers — geen toeval, geen bezit
Gaven zijn geen verdienste.
Ze zijn ook geen eigendom.
Ze worden je gegeven — niet op basis van inspanning of moreel gehalte, maar als genade.
“Wij hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is.”
(Romeinen 12:6)
Het zijn dus geen instrumenten die je naar believen kunt inzetten. Ze vragen om afstemming, om gehoorzaamheid, om verantwoordelijkheid.
In de praktijk raken we gemakkelijk verstrikt in het functionele denken over talenten: vaardigheden die je ontwikkelt, competenties die je traint. En dat is legitiem — tot op zekere hoogte. Maar daaronder ligt iets anders:
een laag van oorspronkelijke gaven — dat wat als vanzelf uit je voortkomt. Je hebt het niet aangeleerd, het wás er. Als een klank die bij jou hoort, als een sfeer die je meebrengt zonder het te beseffen.
Deze gaven openbaren niet alleen wat je kunt, maar wie je bént.
En daar ligt hun appel.
Ze roepen om afgestemd gebruik. Ze willen niet misbruikt of genegeerd worden, maar in hun bedoeling tot bloei komen.
“Gaven zijn als zaden die al weten wat ze moeten worden.
De verantwoordelijkheid is: geef je ze de juiste grond?”
De middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino sprak over de deugden als gaven die de menselijke natuur vervolmaken in haar gerichtheid op het goede. Ook daar klinkt het besef door: een gave is niet neutraal. Ze is nooit zomaar een optie op het palet van het leven. Ze draagt een innerlijk spoor van haar oorsprong — en een uitnodiging tot instemming met dat spoor.
Niet om jezelf te bewijzen. Maar om trouw te zijn aan wat je ontvangen hebt.
Innerlijke roeping: geen routekaart, maar een echo
Roeping wordt vaak misverstaan als een soort goddelijk loopbaanadvies: een gedetailleerde routekaart, waarbij je alleen nog maar de juiste afslagen hoeft te nemen. Maar wie werkelijk luistert naar de taal van roeping, ontdekt al snel: het is geen invuloefening, maar een innerlijke beweging. Een echo van iets dat oorspronkelijker is dan jouw keuzes.
Roeping klinkt niet van buitenaf als commando, maar van binnenuit als herkenning.
Ze openbaart zich niet in helderheid, maar in resonantie.
Er zijn drie signalen waarop veel mensen hun roeping herkennen — niet als zekerheid, maar als richting:
* Herkenning – “Hier klopt iets.”
Je komt ergens of doet iets, en merkt: dit is niet willekeurig. Het sluit aan bij iets dat al lang in je leefde.
* Aantrekking – “Ik moet hier iets mee.”
Je voelt dat het je trekt — niet omdat het makkelijk is, maar omdat het betekenisvol is.
* Onrust – “Het laat me niet los.”
Zelfs als je het wegduwt, blijft het terugkomen. Niet als druk, maar als aanwezigheid.
Roeping is dan geen project dat jij uitvoert, maar een weg waarop jij bewoond wordt.
Niet: “Ik wil iets doen met mijn leven.”
Maar eerder:
“Wat wil mijn leven met mij doen?”
In die zin vraagt roeping vooral om aandacht.
Simone Weil noemde aandacht “de zeldzaamste en zuiverste vorm van vrijgevigheid.”
Aandacht is het tegenovergestelde van wilskracht of controle. Het is beschikbaar zijn voor dat wat zich aandient — ook als het je eigen plannen overhoop haalt.
Kierkegaard beschreef het leven van de mens als een beweging van de enkeling voor God. Niet de mens in het algemeen, niet als categorie, maar jij — met jouw gaven, jouw verwondingen, jouw verlangen — in directe verhouding tot de Eeuwige.
Dat maakt roeping niet gemakkelijk. Maar wel waarachtig.
De valkuil van klein denken – de makkette als verleiding
Er is niets mis met een makkette.
Een goed ontworpen schaalmodel kan overzicht geven, veiligheid bieden, ruimte voor oefening scheppen. In die zin is het begrijpelijk dat veel mensen hun leven inrichten als een makkette: zorgvuldig gebouwd, met oog voor detail, beheersbaar en begrensd.
En voor sommigen is de makkette werkelijk de stad.
Ze leven in een vorm die overeenkomt met hun innerlijke maat.
Daar is niets kleinerends aan.
Maar voor wie geroepen is tot méér, wordt de makkette benauwend.
Niet omdat het niet goed genoeg lijkt, maar omdat het niet goed genoeg voelt.
Er wringt iets. Alsof het leven onder zijn potentieel gehouden wordt.
Niet vanuit nederigheid, maar vanuit angst.
“Je kunt vrede hebben met minder — zolang je ziel er geen bezwaar tegen maakt.”
Maar als ze wél bezwaar maakt, ontstaat er innerlijke wrijving: een soort geestelijke onrust die je niet loslaat.
In een cultuur die comfort prijst en iedere norm relativeert, klinkt de oproep tot ‘meer’ al snel verdacht. Alsof het streven naar volheid automatisch leidt tot perfectionisme of prestatiedwang.
Maar wat als het precies andersom is?
Wat als je diepste rust niet ligt in tevredenheid, maar in trouw aan wat je ontvangen hebt?
Dan wordt de makkette niet veroordeeld, maar doorzien — als een tussenstation dat uitnodigt tot verder bouwen. Niet in ambitie, maar in afstemming.
Niet om groter te lijken, maar om waarachtiger te worden.
Maar ook dat verlangen naar “meer” is geen garantie voor echtheid.
Soms verlangen we naar groter, zichtbaarder, indrukwekkender — terwijl onze ziel daar in wezen niets mee kan.
De vraag is dus niet simpelweg: wil ik meer?
Maar:
Is dit het méér dat bij mij hoort?
Er is verlangen dat oprecht is — en verlangen dat afleidt.
Daarom is onderscheidingsvermogen essentieel:
Verlang ik naar méér, of naar waarheid? Naar vervulling, of naar bevestiging?
Een roeping tot volheid is geen uitnodiging tot mateloosheid.
Ze is een oproep tot afgestemde gehoorzaamheid.
Tot bouwen, ja — maar alleen waar iets in jou al draagt,
en waar de ziel niet protesteert, maar instemt.
En een makkette is op zichzelf niet minder waard dan een stad.
Voor beide zijn visie, creativiteit, toewijding en vakmanschap nodig.
Sterker nog: in een makkette komen soms zelfs méér details tot hun recht dan in een stadswijk. Het vraagt aandacht, precisie, liefde voor vorm en verhoudingen.
De waarde ligt dus niet in de schaal, maar in de waarachtigheid:
in de vraag of wat je bouwt klopt met wat er in je gelegd is.
Voor sommigen ís de makkette precies het goede formaat.
Voor hen is het de plek waar gaven, grenzen en bestemming samenkomen.
Maar voor anderen is de makkette een tussenstap —
een tijdelijke vorm die begint te knellen zodra de ziel rijpt.
Dan wordt de vraag niet: is dit goed genoeg?
Maar: is dit trouw aan wat mij is toevertrouwd?
Een begin van verantwoordelijkheid
Gaven zijn richtinggevend.
Niet omdat ze je vastleggen, maar omdat ze iets laten zien van wat er in je leeft — en misschien zelfs van wat er door je heen zichtbaar wil worden.
Roeping is zelden luid. Maar ze is wél voelbaar.
Niet als zekerheid, maar als echo.
Niet als antwoord, maar als richting.
Wie eenmaal iets van die innerlijke klank heeft gehoord, merkt vroeg of laat: ik kan niet meer doen alsof ik het niet heb gehoord.
Dat is het begin van wat in deze serie steeds meer gestalte zal krijgen:
zielsverantwoordelijkheid.
Niet in de zin van bewijsdrang of controle.
Maar als oefening in gehoorzaamheid, eerlijkheid en afstemming.
Je hoeft het niet zeker te weten.
Er is ruimte om te zoeken, te tasten, te twijfelen.
Maar soms weet je wél dit:
“Ik weet het niet zeker.
Maar ik weet wel dat ik niet meer níet kan luisteren.