Levenskracht en stuwing
Over de kracht die je niet maakt
Hoe ontzagwekkend is hoe een embruo gemaakt wordt. Ongeveer drie weken na de bevruchting begint er een hart te kloppen. Er is op dat moment nog geen brein. Er is niets dat kan besluiten dat het nu tijd is. Het klopt, en daarna wordt alles gebouwd dat later zal denken dat het de baas is.
Dat is de volgorde. Het kloppen komt vóór het weten. En ik wil weten wat daar klopt.
De term die daarvoor is, is: surplus aan levenskracht. Een overschot. Ik heb de neiging om daar meteen langs te lopen alsof ik het begrijp, maar ik begrijp het niet. Een overschot ten opzichte van wat? Een baby verbruikt alles wat hij krijgt. Er is geen reserve, geen spaarpot. En toch groeit hij. Dus het overschot kan niet zitten in de hoeveelheid. Het moet ergens anders zitten.
Ik vind het in wat er gebeurt als het ophoudt. Halverwege de vorige eeuw werden zuigelingen beschreven in tehuizen waar alles klopte: eten, hygiëne, warmte. Ze groeiden niet. Sommigen stierven. Later werd zichtbaar wat er fysiologisch gebeurde: onder aanhoudende dreiging, ook de dreiging van niemand die naar je kijkt, wordt de aanmaak van groeihormoon onderdrukt. Het lichaam stopt met bouwen zodra het moet verdedigen. Het zenuwstelsel kent maar één modus waarin herstel en groei toegestaan zijn, en dat is de modus waarin er niets te verdedigen valt.
Dan is het overschot dus geen hoeveelheid. Het is wat overblijft wanneer niets wordt weggetrokken. De baby in de buik heeft niets te verdedigen. Alles wat binnenkomt, gaat naar bouwen. Dát is het surplus: onbewaakte kracht.
En dan keert de vraag om, want ik hoef niet te weten hoe ik meer levenskracht maak. Ik moet weten wat eraan vreet.
Ik ga naar het woord. Leven is in het Hebreeuws chai, twee letters: chet en jod. Acht en tien. Achttien, het getal dat joden elkaar toewensen en in veelvouden geven. Maar ik wil niet bij de som blijven; ik wil de letters zelf.
De chet is in haar oudste vorm een omheining. Een afgesloten ruimte, een hek. De jod is de kleinste letter van het alfabet, nauwelijks meer dan een punt, de letter waaruit in de overlevering alle andere letters voortkomen. Leven is dus, letterlijk gespeld: een punt binnen een omheining. Een zaad in een besloten ruimte. Ik kan het niet anders lezen dan als de baarmoeder. Het woord leven beschrijft de situatie waarin leven begint.
En dan de acht. De schepping telt zeven dagen en daarmee is de cyclus gesloten. Acht is wat over die gesloten cyclus heen gaat, wat er niet meer in past. In de joodse mystiek is de acht de dag die na de laatste dag komt, de wereld die niet af is. Leven draagt de acht in zich. Leven is, in zijn eigen getal, het overschot boven het voltooide.
Hier stuit ik op iets dat ik niet had gezocht. Het verbond wordt in Genesis gesneden op de achtste dag. En het wordt gesneden op het geslacht. Van alle plekken op het lichaam kiest de traditie de plek waar het leven overstroomt, en juist daar legt ze een teken van binding. Op de achtste dag, de dag van het overschot, wordt de plaats van het overschot gebonden.
Als we het over seksualiteit hebben, dan hebben we vaak te weinig aandacht voor het niet-verspillen van seksuele energie zodat ze omgezet wordt in iets fijners. Dat is precies wat de joodse traditie al drieduizend jaar in de huid kerft. Het overschot dat niet wegloopt, wordt fundament. In de boom van de sefirot heet die plek ook zo: Jesod, fundament. De negende sefira, de doorgang waar alle kracht van boven doorheen moet voordat ze de wereld bereikt. Ze zit in het lichaam waar je verwacht.
De mens die bij Jesod hoort is Jozef. Zijn naam komt uit de mond van zijn moeder, die net na jaren onvruchtbaarheid is bevallen: de Eeuwige voege mij een andere zoon toe. Josef betekent: hij zal toevoegen. Hij zal vermeerderen. De man van het fundament heet Overschot.
Wat doet hij? Hij weigert de vrouw van Potifar. Hij verspilt niet. En vanaf dat moment gebeurt zijn leven hem: een put, een gevangenis, een paleis. Niets daarvan heeft hij bedacht. Als hij zijn broers jaren later terugziet, zegt hij de zin die het hele aangereikte stuk in één regel samenvat: niet jullie hebben mij hierheen gestuurd. Hij ziet het pas achteraf. Hier had ik blijkbaar te zijn.
En waar wordt hij voor gebruikt? Voor het bewaren van overschot. Zeven vette jaren waarin hij niet opmaakt maar opslaat, zodat er in de zeven magere jaren brood is voor de wereld. Het verhaal van de man die zijn zaad niet verspilde, is het verhaal van een man die het graan niet verspilde. Ik had die twee nooit naast elkaar gelegd. Ze zijn hetzelfde verhaal.
Terug naar de baby, want ik was hem kwijt. Hij groeit, en dan komt hij in beweging. Van de rug naar de buik, de kamer door, het hek uit. Ik wil weten wat er van binnen naar buiten duwt, want groei en beweging zijn niet vanzelfsprekend hetzelfde.
Wat de ontwikkelingspsychologie hierover heeft gevonden, staat haaks op wat ik intuïtief zou denken. Het kind kruipt niet weg ondanks de moeder. Het kruipt weg omdát ze er is. Een kind dat niet zeker is van zijn plek, blijft plakken. Een kind dat zeker is, verkent. De beweging naar buiten is de andere kant van het zeker-zijn van een plaats. Exploratie is wat een veilig systeem doet met zijn overschot.
Dat betekent dat stuwing een plek nodig heeft om vandaan te komen. Wie geen plek heeft, wordt niet gestuwd; die wordt geduwd, en dat voelt anders. Geduwd word je van achteren, door wat je ontvlucht. Gestuwd word je van onderen.
Van onderen. Bij Zacharia staat een zin over de messiaanse figuur die ik altijd overheen las: zie, een man, Spruit is zijn naam, en van onder zichzelf zal hij uitspruiten. Niet van boven. Niet vanuit een visie, een doel, een plan. Van onder zichzelf. De hele cultuur waarin ik werk denkt dat groei van boven komt, uit de kop, uit het besluit. De tekst zegt: het komt van onder je. Uit de grond waar je op staat. Uit de plek.
In het Marcus-evangelie vertelt Jezus een gelijkenis die bijna niemand navertelt, omdat er niets in gebeurt. Een man zaait, gaat slapen, staat op, gaat slapen, staat op, en het zaad ontkiemt en groeit, hij weet niet hoe. Het Grieks heeft daar een woord voor dat wij hebben overgenomen: automatè. De aarde brengt vanzelf voort. Automatisch.
De taak van de man is slapen en opstaan. Meer staat er niet. Het groeien doet de aarde, en de man weet niet hoe.
’s Morgens bij het wakker worden, heb je vaak de beste ideeen en inzichten. Het is gebeurd terwijl je sliep en opstond. Ik denk dat de gelijkenis over die ochtend gaat. Dat ze bedoeld is voor de mens die ontdekt dat er in hem iets groeit waar hij niet bij is, en dat het gezond is om daar niet bij te zijn. Het ik dat de groei wil bewaken, is het ik dat groeihormoon onderdrukt.
Nu wil ik iets over de twee bewegingen die het stuk tegenover elkaar zet. Je kunt je leven realiseren. Je kunt door het Leven gerealiseerd worden. Scheppingskracht en verschijningskracht.
Ik voel weerstand tegen het woord gerealiseerd worden. Het klinkt lijdend. Alsof je iets ondergaat. Maar Jozef onderging niet; hij weigerde, hij droomde, hij organiseerde het graan. Hij was niet passief. En hij had het ook niet in de hand.
Het Hebreeuws heeft hiervoor een werkwoordsvorm die het Nederlands is kwijtgeraakt. Naast de bedrijvende vorm, ik doe, en de lijdende vorm, mij wordt gedaan, staat een derde: de nif’al, de vorm waarin iets in je gebeurt en je erbij bent. Ook het Grieks had dat, de mediale vorm. Wij hebben er nog één rest van, het wederkerende werkwoord. Het kind ontwikkelt zich. Niet: het kind ontwikkelt. Niet: het kind wordt ontwikkeld. Het ontwikkelt zich. De grammatica bewaart wat het denken kwijt is.
Ik denk dat de tegenstelling tussen scheppen en verschijnen een tegenstelling is die alleen bestaat in een taal zonder mediale vorm. De hele polariteit tussen richting en overgave, tussen wat in de traditie het mannelijke heet, dat een lijn trekt, en het vrouwelijke, dat leven laat stromen, valt in die derde vorm samen. Wie alleen schept, verspilt; dat is de man die alles wil realiseren en op zijn vijftigste leeg is. Wie alleen wacht, spruit niet; dat is de plek zonder beweging. Het overschot heeft beide nodig, en het heeft ze niet nodig als twee dingen.
Hoe start ik het?, is de vraag die over lijkt te blijven. Het is het ik dat zich weer in de stoel van het hart wil zetten, terwijl het hart klopte voordat er een ik was. Ik weet niet of een mens kan besluiten om niet meer te besluiten. Ik weet wel dat het kind niet besloot om te gaan kruipen, en dat de man in de gelijkenis sliep.
Het is niet de vraag: hoe maak ik meer. Maar: wat bewaak ik dat ik niet hoef te bewaken. Waar sta ik nog op wacht terwijl er niemand komt. Bij het kind in het tehuis was het antwoord: er keek niemand. Bij een volwassene weet ik het niet. Misschien is de wacht ergens ooit nodig geweest en heeft niemand haar afgelost.
Op de achtste dag wordt het overschot gebonden, en Jozef ziet pas in Egypte wie hem heeft gestuurd. Ik zie het ook niet. Dat lijkt me de juiste plek om te stoppen.