Mens in volheid. Hoogbegaafd in balans
Mens in volheid
Hoogbegaafd in balans
Hoogbegaafdheid wordt bijna altijd vastgesteld met een IQ-test: wat boven de grens komt, heet hoogbegaafd. Maar een maat bepaalt niet alleen wat je meet, ze bepaalt ook wat je ziet. Wie hoogbegaafdheid gelijkstelt aan een hoog verstand, mist de rest: het scherpere waarnemen, het heftigere verlangen, de hardnekkige honger naar zin. Die heten dan te gevoelig, te druk, te zwaar. Een kind leert zo dat zijn verstand telt en dat de rest van zijn intensiteit beter verborgen kan blijven.
Mens in volheid beschrijft hoogbegaafdheid als intensiteit in vier domeinen die uit dezelfde bron komen: hoogintelligent, hoogsensitief, hoogseksueel en hoogspiritueel, van denken en voelen tot levenskracht en zingeving. Werken ze samen, dan ontstaat een rijk en scheppend leven. Vindt de intensiteit geen bedding, dan ontspoort ze in chaos of in controle: in overprikkeling, innerlijke strijd en vervreemding, die zoveel hoogbegaafde mensen kennen zonder ze te kunnen plaatsen. Vanuit het werk van Kazimierz Dabrowski laat Dineke van Kooten zien hoe juist die spanning de motor van groei kan worden: de weg van uiteenvallen naar een hogere samenhang.
Voor wie zichzelf in deze bladzijden herkent, en voor wie een hoogbegaafde begeleidt, liefheeft of probeert te begrijpen.
Drs. Dineke van Kooten (1963) hoorde in 1995 dat ze hoogbegaafd is en dacht eerst dat de test niet deugde. Sinds 2004 heeft ze een eigen coachingspraktijk. Daar zag ze bij veel cliënten dezelfde intensiteit, vaak zonder dat ze het zelf wisten. Uit dat werk en uit honderden artikelen groeide het Balansmodel van Hoogbegaafdheid. Eerder schreef ze De fik erin en Dwars door de pijn.
Mens in volheid
Hoogbegaafd in balans
Deel 1 van de reeks Hoogbegaafd in al zijn facetten
© 2026 Drs. Dineke van Kooten
Uitgeverij: Emmaüs | Academie voor Bezield Leven, Garderen
Eerste druk, 2026
ISBN 978-90-838006-7-7
NUR 770
Deel 1 · Hoogbegaafd in al zijn facetten

De nieuwe serie Hoogbegaafd in al zijn facetten omvat 9 delen.
De eerste is: Mens in Volheid. Hoogbegaafd in balans.
Het e-book direct bestellen? Klik hier
De inhoudsopgave


Het e-book direct bestellen? Klik hier
VOORWOORD
In 1995 hoorde ik dat ik hoogbegaafd ben, en mijn eerste gedachte was dat de test niet deugde. Het kwam onverwachts. Ik had een test gemaakt als onderdeel van een selectie voor een pilotproject, zonder iets daarbij te denken. Wat uit de test kwam, paste op geen enkele manier bij het beeld dat ik van mezelf had. Veel had ik me kunnen voorstellen over mezelf, maar dit niet. Ik hoorde het, zoals dat heet, in Keulen donderen. In plaats van het te omarmen, deed ik wat ik later bij talloze cliënten zou terugzien: ik ging op zoek naar de fout. Een half jaar lang verdiepte ik me in hoogbegaafdheid, niet om mezelf erin te herkennen, maar om aan te tonen dat de uitslag niet klopte, dat het een vergissing moest zijn. Dat ik niet hoogbegaafd was.
Pas toen ik de conclusie niet meer onderuit kreeg, begon er iets te kantelen. Het was een moeizame verschuiving van een oud, ingesleten idee over mezelf naar een nieuw, ongemakkelijk besef. Ik was niet dom.
Dat klinkt als goed nieuws, maar wie jarenlang van zichzelf heeft gedacht dat hij tekortschoot, ontdekt met zo’n uitslag niet alleen wie hij is, maar ook hoeveel jaren hij zichzelf verkeerd heeft begrepen. De erkenning en het verlies kwamen tegelijk binnen.
Mijn eerste leermeester was Rob Brunia (1947–2005). Hij begeleidde onze dochter, maandelijks en met grote toewijding: hij deed bordspellen met haar, at met ons mee en beantwoordde ondertussen al mijn vragen. Toen hij ziek werd, nam Wendy Lammers van Toorenburg het stokje van hem over. Zij is de oprichter van HIQ, Expertisecentrum Hoogbegaafdheid, en auteur van Hoogbegaafd, nou én? (2005) en Ben ik in beeld? (2015).
Daarna begon een zoektocht, die zich niet liet scheiden van mijn eigen ontwikkeling. In diezelfde tijd zat ik in een groep voor mensen met chronische pijn. Daar leerde ik iets wat de boeken me niet hadden kunnen geven: dat zelfonderzoek geen denkwerk is, maar een afdaling, en dat het lichaam meepraat. Rond 2000 raakte ik betrokken bij Choochem, een christelijke vereniging voor mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid.
Ik heb me er tientallen jaren voor ingezet en ontmoette er mensen met verhalen die niet pasten in de gangbare beelden. Te gevoelig, te veel, te intens, te zoekend — en nergens een taal die dat omvatte.
In 2004 begon ik mijn eigen praktijk en tot mijn verrassing droeg een groot deel van mijn cliënten dezelfde kenmerken, vaak zonder het zelf te weten. Ze kwamen voor iets anders — vastgelopen, overspoeld, op zoek — en gaandeweg bleek telkens diezelfde intensiteit eronder te liggen. Ik merkte hoe nodig het was om snel en concreet te kunnen laten zien wat er aan de hand was. Niet als diagnose, maar als taal. Want wat geen naam heeft, kun je niet dragen.
Uit dat werk groeide langzaam een manier van kijken die de complexiteit hanteerbaar maakte: vier domeinen — hoogintelligent, hoogsensitief, hoogseksueel en hoogspiritueel — die samen de verschillende vormen van intensiteit beschrijven. Deze vier intensiteiten komen bij hoogbegaafde mensen vaak samen voor. Na elke nieuwe ontdekking schreef ik er een artikel over op mijn website, met de simpele gedachte dat iemand anders er misschien iets aan had. Het werden honderden artikelen. En juist door die hoeveelheid ontstond een nieuw probleem: niemand zag door de losse stukken nog het geheel. Of ik het niet eens wilde samenbrengen, werd me steeds vaker gevraagd.
Dit boek is het antwoord op die vraag. Het is geschreven voor wie zichzelf in deze bladzijden herkent, maar evengoed voor iemand die een hoogbegaafde begeleidt, liefheeft of probeert te begrijpen. Niet om een etiket uit te delen, maar om iets te geven wat veel hoogbegaafde mensen nooit hebben gekregen: een spiegel die klopt. Want uiteindelijk gaat het daarom — dat een mens leert begrijpen wie hij is, zijn gaven leert aanvaarden in plaats van wantrouwen, en zijn leven in overeenstemming durft te brengen met wat voor hem werkelijk telt. Dan kan hoogbegaafdheid veranderen van een bron van verwarring naar wat ze altijd al was: een kracht die richting geeft aan een bezield leven.
INLEIDING
Hoogbegaafdheid wordt bijna altijd gemeten door het verstand te meten. Het IQ staat centraal, de score bepaalt, wat boven de grens komt heet hoogbegaafd. Het lijkt logisch. En toch klopt er iets niet. Bijna iedereen die met hoogbegaafde mensen werkt, stuit vroeg of laat op hetzelfde: dat de mensen die zo gemeten worden hun leven niet alleen in hún denken intens beleven. Ze voelen intenser, nemen scherper waar, verlangen heftiger, zoeken hardnekkiger naar zin. Het verstand is maar één plek waar de intensiteit zich toont. Juist die plek is het makkelijkst te meten en slokt daardoor alle aandacht op.
Daar zit de fout, en het is geen kleine fout. Een maat bepaalt niet alleen wat je meet; ze bepaalt wat je ziet. Wie hoogbegaafdheid gelijkstelt aan een hoog verstand, maakt al het andere onzichtbaar. Niet onbelangrijk, maar letterlijk onzichtbaar. Het valt buiten de maat en wordt daardoor niet opgemerkt. De gevoeligheid wordt dan overgevoeligheid, een probleem. De levenskracht wordt te druk zijn, iets om in te tomen. De honger naar zin wordt zwaarmoedigheid, een kwestie voor later. Stuk voor stuk worden de andere intensiteiten weggezet als afwijking, terwijl ze in werkelijkheid bij dezelfde gave horen. De focus op het hoge verstand maakt dat de andere intensiteiten niet in beeld komen, erger nog: ze worden verminkt door ze als iets anders te benoemen dan ze zijn.
En dat raakt de mens zelf, niet alleen de theorie. Want een kind dat met die maat wordt gemeten, past zich aan naar die maat. Het leert zichzelf zien zoals het gezien wordt: knap, maar verder te veel, te gevoelig, te ingewikkeld. Het leert dat zijn verstand telt en dat de rest van zijn intensiteit een last is die het beter verbergen kan. Zo groeit een mens op die in zichzelf een tegenstelling voelt — alsof zijn hoofd en zijn hart, zijn lijf en zijn ziel niet bij elkaar horen, terwijl ze in werkelijkheid uit dezelfde bron komen.
Dit boek vertrekt vanuit die andere, bredere kijk. Het beschrijft hoogbegaafdheid niet als een hoog vermogen, maar als intensiteit op vier samenhangende domeinen: hoogintelligent, hoogsensitief, hoogseksueel en hoogspiritueel. Wat die vier precies zijn, hoe ze zich tonen en hoe ze in elkaar grijpen, is waar de hoofdstukken over gaan; hier volstaat dat ze niet los van elkaar staan, maar samen één manier van zijn vormen. Wanneer ze samenwerken, ontstaat een rijk en scheppend leven. Wanneer ze botsen — en dat doen ze, zodra ze niet worden herkend — ontstaat de overprikkeling, de innerlijke strijd, de vervreemding die zoveel hoogbegaafde mensen kennen en niet kunnen plaatsen.

Het Balansmodel van Hoogbegaafdheid is bedoeld om zichtbaar te maken: waar de intensiteiten samenkomen, waar ze uit balans raken, en hoe persoonlijke ontwikkeling ze weer kan laten samenwerken. De eerste hoofdstukken brengen het model en de vier domeinen in kaart. Daarna volgt de disbalans — hoe ze ontstaat, en hoe ze zich in het dagelijks leven laat voelen. In het laatste hoofdstuk komt de wending die het hele boek draagt: de innerlijke spanning waaronder een hoogbegaafde lijdt, blijkt de motor van zijn groei, de weg, zoals Dabrowski het zag, van uiteenvallen naar een hogere samenhang.
Uiteindelijk wil dit boek perspectief brengen, verder dan begrip alleen. Hoogbegaafdheid hoeft geen bron van verwarring te blijven. Wanneer ze in haar volle breedte wordt herkend en gedragen, kan ze uitgroeien tot wat ze in de kern is: een kracht die om bedding vraagt in plaats van om beheersing.
