Mijn man, niet mijn baäl
Over het zevende gebod, het beeldverbod en de rekensom waarin God verschijnt
Iedereen zegt het zonder erbij na te denken. Mijn huis, mijn werk, mijn auto, mijn man. Hetzelfde bezittelijk voornaamwoord voor iets dat je gekocht hebt en voor de mens die naast je slaapt. De taal maakt daar geen onderscheid. Dat hoeft ook niet, zolang je hart het maakt.
Maar dat hart doet het niet vanzelf, en het houdt het niet vanzelf vol. In elke relatie die lang genoeg duurt komt er een moment waarop de ander ophoudt iemand te zijn die er ook níet had kunnen zijn. Hij wordt vanzelfsprekend. Zij is er zoals de tafel er is. Er is niets gebeurd. Niemand is vreemdgegaan, niemand heeft gelogen, er valt niets te vergeven. En toch is precies datgene weg waardoor je ooit niet kon geloven dat zij bleef.
Daar is in kerkelijke taal geen woord voor. Wie is opgegroeid met het zevende gebod, heeft geleerd dat het over het bed gaat: over wat je doet, met wie, en sinds de Bergrede ook over wat je dacht toen je keek. Zo geleerd is het een gebod dat je overtreedt in het donker en waar je je voor schaamt. Het gaat over jou alleen.
Het Hebreeuws vertelt een ander verhaal. Daar is het woord voor echtgenoot baäl: heer, eigenaar, bezitter. Een man is de baäl van zijn vrouw zoals een boer de baäl van zijn akker is. En baäl is de naam van de god waarmee Israël vreemdging. Eén woord, voor de afgod en voor de echtgenoot. Het tweede gebod en het zevende struikelen in het Hebreeuws over hetzelfde.

Wie dat ziet, ziet dat er in het zevende gebod iets anders op het spel staat dan gedrag. Wat er breekt wanneer er iets breekt, is dat een mens een ding is geworden — iemand die verschijnt op de plek waar iemand stond die zich ook had kunnen onttrekken. En dat kan gebeuren zonder dat er ooit iets is voorgevallen.
Hosea heeft er één zin voor. Er komt een dag, zegt de HEER, dat je Mij ishi zult noemen, mijn man, en niet meer baali, mijn eigenaar.
Voor je bij die zin bent, moet je langs de telling.
De telling
Er zijn twee tellingen van de tien woorden, en het verschil tussen die tellingen is geen boekhoudkwestie.
Wie in de katholieke of lutherse traditie staat, hoort bij het zevende gebod: gij zult niet stelen. Wie joods is opgevoed of gereformeerd, hoort: gij zult niet echtbreken.
Dat verschil ontstaat op één plek. Aurelius Augustinus (354-430 na Christus) voegde het verbod op andere goden samen met het verbod op beelden, tot één gebod, en moest daarna ergens een gebod bijmaken om aan tien te komen. Hij vond het bij het begeren, en splitste dat in tweeën: de vrouw van je naaste, en zijn huis, akker, knecht, os en ezel.
Twee bewegingen, en ze gaan dezelfde kant op. Het beeldverbod verliest zijn eigen plek in de tien; het wordt een onderafdeling van de afgoderij in plaats van een zelfstandig woord. En de vrouw wordt uit de opsomming van het huis getild en krijgt een eigen gebod, als eigen categorie van verboden verlangen. In de telling zelf verschuift het gewicht dus al: weg van het beeld, naar het bed. Wat je in kerkelijke kringen hoort wanneer het over het zevende gebod gaat — vreemdgaan, echtscheiding, en verder het hele veld van wat men onkuisheid noemt — begint niet op de kansel van de negentiende eeuw. Het is ingebouwd, ergens rond het jaar 400.
De man die de vrouw tot eigen categorie van verboden begeerte maakte, heeft in zijn eigen leven met een vrouw van vlees en bloed hetzelfde gedaan. Augustinus was niet losbandig met vele vrouwen tegelijk. Hij koos bewust voor een monogame relatie in de vorm van een concubinaat, een in die tijd wettelijk erkend maar lager geplaatst samenlevingsverband, en hij bleef haar veertien jaar trouw. Ze kregen een zoon. Onder druk van zijn moeder Monica en met het oog op zijn maatschappelijke carrière werd de relatie beëindigd: hij stuurde haar weg om te kunnen trouwen met een welgestelde jonge vrouw die Monica had uitgekozen. Omdat de bruid nog te jong was om te trouwen, nam hij in de tussentijd een nieuwe concubine, voordat hij in 386 definitief koos voor een kuis leven.
In de Belijdenissen noemt hij haar geen enkele keer bij naam.

Wat de Tora zelf doet
Het merkwaardige is dat de Tora precies de andere kant op beweegt.
De tien woorden staan op twee plaatsen: Exodus 20:1-17 en Deuteronomium 5:6-21, en het zijn geen kopieën van elkaar. De joodse traditie noemt ze trouwens geen geboden maar woorden — zo staat het ook in Exodus 34:28 en Deuteronomium 4:13. Daar komt het Griekse dekalogos vandaan.
Bij het sabbatsgebod verschilt de motivering. Exodus verwijst naar de schepping, God rustte op de zevende dag; Deuteronomium naar de uittocht, omdat je slaaf bent geweest in Egypte. En bij het laatste woord staat de verschuiving. In Exodus 20 komt eerst het huis van de naaste en dan zijn vrouw, in één reeks met de knecht en het vee. In Deuteronomium 5 is die volgorde omgedraaid: eerst de vrouw, en pas daarna het huis — en voor dat huis wordt zelfs een ander werkwoord gebruikt. De vrouw wordt daar losgemaakt uit de inventaris. Ze staat er niet meer als bezit tussen bezittingen.
Augustinus maakt honderden jaren later hetzelfde gebaar en bereikt het tegenovergestelde. Hij maakt haar ook los, en maakt haar tot een eigen soort verboden begeerte. Dezelfde handeling, andere richting. In het ene geval verlaat ze de categorie eigendom, in het andere geval wordt ze een categorie op zichzelf — en juist daardoor blijft ze object.
Het woord zelf luidt: u zult niet echtbreken (Exodus 20:14), en: u zult geen overspel plegen (Deuteronomium 5:18).
Wat er tegenover wat staat
De Mechilta, een klassiek rabbinistisch commentaar op het bijbelboek Exodus, legt de twee tafelen naast elkaar en leest ze paarsgewijs. Het eerste woord tegenover het zesde: Ik ben de HEER, uw God — tegenover: gij zult niet doodslaan. Wie een mens doodt, tast de gever van het leven aan. Het vierde tegenover het negende: de sabbat, die getuigt van de schepping — tegenover de valse getuigenis. En dan het tweede tegenover het zevende. Het beeldverbod tegenover de echtbreuk.
Ze staan niet toevallig op dezelfde hoogte. Het is één gebaar, uitgevoerd op twee niveaus.
De profeten weten dat, en ze hebben er ook maar één woord voor. Jeremia zegt dat Israël overspel heeft bedreven met steen en hout. Niet als overspel, niet bij wijze van vergelijking — hetzelfde werkwoord, ná’af. Ezechiël doet het in hoofdstuk 16 en 23 uitvoeriger en gewelddadiger dan een moderne lezer verdraagt. Hosea doet het door met zijn eigen leven te betalen.
Het Hebreeuws onderscheidt hier zorgvuldig. Záná is het losse leven, de hoererij, het gaan waar je zin in hebt. Ná’af is smaller en zwaarder: er is een verbond dat al bestaat, en dat wordt opengebroken. Er is een derde in het geding, en er is een band die al gelegd was. Je kunt ná’af alleen plegen als er iets ís. Het zevende woord veronderstelt dus wat het beschermt. Het is geen zedelijk voorschrift dat van buitenaf op een relatie wordt gelegd; het getuigt ervan dat er iets bestaat dat gebroken kán worden — en dat je alleen kunt breken van binnenuit.
De Heidelbergse Catechismus vertaalt dat in Zondag 41 met “alle onkuisheid”, en breidt het dan uit naar daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en alles wat de mens daartoe verlokken kan. Die verbreding over het hele seksuele veld is tegelijk een versmalling. Het woord verhuist van het verbond naar het lichaam, en van de gemeenschap naar het binnenste van de enkeling. Wat overblijft is een overtreding waar een breuk stond.

Waarom uitgerekend daar
Eugen Drewermann heeft in Kleriker een antwoord gegeven op de vraag waarom die verhuizing plaatsvond, en ik krijg het niet weerlegd. Afgoderij is een zonde die een instituut zelf begaat, en zichtbaar begaat: in haar bezit, haar macht, haar beelden, haar zekerheden, haar gebouwen. Onkuisheid is een zonde die alleen de enkeling begaat, in het donker, en waarvan alleen hij weet. Een instituut dat zijn gezag ontleent aan het beheren van schuld heeft aan de seksualiteit een onuitputtelijke bron. Schaamte die zichzelf reproduceert, die niemand van buitenaf kan controleren, en die dus altijd moet worden opgebiecht.
Het gebod verplaatsen van de afgoderij naar het bed is de veiligste beweging die een kerk kan maken. Het haalt het woord uit het eigen lichaam en legt het in dat van de gelovige.
En er is een sluitsteen. In de Bergrede staat dat wie een vrouw aanziet om haar te begeren, in zijn hart al echtbreuk heeft gepleegd. Zodra de overtreding in de blik zit, bestaat er geen moment meer waarop iemand onschuldig is. Dat is wat de seksualiteit zo bruikbaar maakt: het is het enige terrein waar het verlangen zélf al de daad is, en waar dus niemand ooit klaar is. Wat me daarbij niet loslaat, is dat die zin in de Bergrede staat op een plek waar het hele bouwwerk van de rechtvaardiging door de wet wordt afgebroken. De radicalisering is bedoeld om de weg af te snijden. Er is precies het omgekeerde van gemaakt: een instrument om schuld meetbaar te houden.
Ishi en baali
Hosea doet het met één werkwoord dat niemand opmerkt. Tikre’i — jij zult noemen. Aan God verandert er in die zin niets. Wat verandert is haar mond. Een paar verzen verder staat het nog een keer: Ik zal de namen van de baäls uit haar mond wegnemen, en ze zullen niet meer bij hun naam genoemd worden. De omkering voltrekt zich in wat zij zegt tegen degene die er al was.
Ish is het woord uit Genesis 2, waar de mens haar ziet en zegt: deze zal isha heten, want uit ish is zij genomen. Het woord uit de hof, van voordat er iets te bezitten viel. Hosea geeft haar dus geen nieuwe verhouding, hij geeft haar een oude terug — en het enige dat daarvoor nodig is, is een ander woord.
Wat daaronder ligt is de vraag wat een beeld eigenlijk is. Een beeld maakt het onzichtbare zichtbaar, en daarmee hanteerbaar. Het geeft je iets dat blijft staan waar je het neerzet. Wat je in het beeld verliest is precies het onttrekkende — het levende dat zich niet laat vastleggen omdat het uit zichzelf beweegt. In de echtbreuk gebeurt hetzelfde met een mens. De ander wordt iets dat verschijnt, waar iemand stond die zich ook kon onttrekken. Baäl en beeld zijn dezelfde beweging: bezit maken van wat alleen in relatie bestaat.
De rekensom
Genesis 2:24 zegt: daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn. Basár echád.
Echád is alef, chet, dalet: 1 + 8 + 4 = 13. Ahavá, liefde, is alef, he, bet, he: 1 + 5 + 2 + 5 = 13. Samen zesentwintig. En zesentwintig is de getalswaarde van de Naam: jod 10, he 5, waw 6, he 5.
In de joodse traditie is dat geen woordspel. Het is een aanwijzing dat waar twee tot één worden in liefde, de Naam aanwezig komt. Wat er in de echtbreuk breekt is dan geen regel, maar een rekensom waarin God in de wereld verschijnt.
Er zit meer in dat woord. Echád is het woord uit het Sjema: hoor Israël, de HEER onze God, de HEER is echád. Hetzelfde woord voor de eenheid van God en voor de eenheid van man en vrouw. Het Hebreeuws heeft ook jachid, en dat betekent de enige, de alleen-zijnde. Van God wordt echád gezegd.
En in Genesis 1 heet de eerste dag niet de eerste dag maar jom echád, één dag — nadat er avond is geweest en morgen. Echád ontstaat waar twee zijn. Het is de één die uit tweeheid komt, niet de één die nooit twee is geweest.
De letters zeggen het nog een keer. Alef is de één, de stille letter die je niet horen kunt. Chet is acht, wat over de zeven van de schepping heen gaat. Dalet is vier, de vier windstreken, de uitgevouwen wereld. De Talmoed zegt dat je bij het Sjema de dalet moet aanhouden, langer dan de rest: de Ene strekt zich uit over de vier richtingen. Eenheid die niet samentrekt maar zich uitspreidt.
En dan nog dit, uit Sota 17a, van Rabbi Akiva. Ish is alef, jod, sjin. Isha is alef, sjin, he. Wat ze delen is alef-sjin: esj, vuur. Wat ze niet delen is de jod bij hem en de he bij haar, en die twee samen zijn jod-he — de Naam, in de korte vorm. Haal de Naam weg tussen man en vrouw en er blijft aan beide kanten vuur over, dat verteert wat het aanraakt.
De Naam zit dus al in de woorden, voordat je aan het rekenen begint.

Van den beginne
Als Jezus in Mattheüs 19 naar de echtscheiding wordt gevraagd, is dat een schoolvraag. De Farizeeën vragen of het geoorloofd is een vrouw weg te zenden om allerlei oorzaak, en dat is de lopende ruzie tussen de school van Sjammai en die van Hillel over wat er in Deuteronomium 24 met “iets schandelijks” bedoeld wordt.
Hij antwoordt niet in dat register. Hij gaat terug naar van den beginne: naar de schepping van man en vrouw, en naar het één vlees. De koppeling tussen echtscheiding en echtbreuk wordt daar gelegd, en dat is de haak waaraan de kerkelijke praktijk zich eeuwenlang heeft opgehangen. Maar de grond onder die koppeling is niet juridisch. Er wordt geen regel aangescherpt. Er wordt vastgesteld dat er iets ís — dat de eenheid niet gemaakt hoeft te worden door twee mensen die het met elkaar eens worden, omdat ze er al was voordat zij eraan begonnen.
En over de scheidbrief zegt hij: die heeft Mozes u toegestaan om de hardheid van uw hart. Sklerokardia. Dat is geen morele veroordeling. Verharding is wat weefsel doet dat te vaak gescheurd is. Het is bescherming die zichzelf niet meer kan opheffen. De concessie in Deuteronomium erkent dat er harten zijn waarin het levende niet meer kan wonen, en regelt hoe je dan uit elkaar gaat zonder de vrouw rechteloos achter te laten. Wat de wet daar doet is de schade beperken, niet de werkelijkheid definiëren.
Welke kant rijdt het verkeer op
Bij Hosea lijkt het huwelijk gebruikt te worden om het verbond te laten zien. De ontrouwe vrouw als beeld van het ontrouwe volk, Gomer als illustratie, en de namen van de kinderen — Lo-Ruchama, geen-ontferming, en Lo-Ammi, niet-mijn-volk — als levende titels boven de preek.
Friedrich Weinreb zou die richting omdraaien. Misschien is het verbond de werkelijkheid, en is elk huwelijk daar een instantie van, geen afbeelding ervan. Dan illustreert Hosea niets. Dan doet hij het.
Wat dat betekent voor het zevende woord kan ik niet netjes afmaken, en ik denk dat het niet af te maken is. Als het verbond het eerste is, dan is echtbreuk nooit alleen een sociale kwestie tussen drie mensen, en is afgoderij nooit alleen een religieuze kwestie tussen een mens en zijn god. Dan is er in beide gevallen een derde in het geding — en de vraag is niet óf er een derde is, maar welke.
Want in het verbond zelf is er ook een derde. Dat is precies wat die zesentwintig zegt.



