Niemand leeft voor zichzelf
Leven voor jezelf — of leven als jezelf? – een actuele verwarring
Er zijn mensen die feilloos aanvoelen wanneer ze te veel ruimte innemen.
Ze luisteren goed, stemmen zich af, stellen vragen. Ze weten waar hun grenzen liggen — en negeren ze toch. Niet uit onvermogen, maar uit overtuiging.
In gesprekken over werk, relaties of keuzes voor de toekomst duikt dan vroeg of laat dezelfde twijfel op. Niet luid, eerder voorzichtig geformuleerd: mag ik dit eigenlijk wel willen? Alsof verlangen iets is dat eerst langs een morele toets moet, voordat het bestaansrecht krijgt.
In sommige contexten wordt die twijfel zelfs een deugd. Wie zichzelf te serieus neemt, loopt het risico egocentrisch te zijn. Wie spreekt over persoonlijke ontwikkeling, krijgt al snel het etiket zelfgericht. En wie zijn eigen behoeften onderzoekt, moet uitleggen dat het niet om zelfverheerlijking gaat.
Onder die aarzelingen ligt vaak een hardnekkige overtuiging: dat een betekenisvol leven begint waar het eigen ik wordt losgelaten.
Dat trouw aan iets groters betekent dat je jezelf niet tot uitgangspunt mag maken. Dat “niet voor jezelf leven” hetzelfde is als jezelf wantrouwen.
Die overtuiging wordt zelden expliciet uitgesproken. Ze zit in taal, in advies, in goedbedoelde correcties. In de suggestie dat jezelf serieus nemen al snel te veel is. Dat er iets onzuivers schuilt in de vraag wie je bent en wat je wilt worden.
Dit artikel gaat niet over gelijk of ongelijk. Niet over geloof versus autonomie. Niet over wat je zou moeten doen.
Het onderzoekt een spanning die veel mensen herkennen, vaak zonder haar onder woorden te brengen:
hoe leef je een leven dat niet om jou draait — zonder jezelf kwijt te raken?
De zin die alles lijkt te zeggen
Er is één zin die in dit spanningsveld steeds terugkeert. Soms hardop uitgesproken, soms als vanzelfsprekend kader op de achtergrond. Een zin uit een oude brief, Romeinen 14:7-8, die zijn weg heeft gevonden naar huiskamers, kerken, rouwadvertenties, liederen (Liedboek 961) en morele aansporingen:
7 Niemand van ons leeft immers voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf. (2 Korinthe 5:15; Galaten 2:20; 1 Thessalonicenzen 5:10; 1 Petrus 4:2)
8 Want als wij leven, leven wij voor de Heere en als wij sterven, sterven wij voor de Here. Of wij dan leven of sterven, wij zijn van de Here.
De woorden klinken vertrouwd. Juist daardoor lijken ze zichzelf te verklaren. Ze worden aangehaald bij afscheid en verlies, wanneer het leven niet langer maakbaar is. Ze verschijnen in oproepen tot toewijding, wanneer persoonlijke wensen moeten wijken voor iets groters. En ze functioneren als moreel kompas, wanneer zelfopoffering als vanzelfsprekende deugd wordt gepresenteerd.
De zin lijkt alles te zeggen wat nodig is:
* dat het leven niet om jou draait,
* dat je jezelf niet als middelpunt moet nemen,
* dat er grenzen zijn aan zelfbeschikking.
Maar juist doordat de tekst zo vaak wordt ingezet, raakt een andere vraag ondergesneeuwd. Een vraag die zelden expliciet wordt gesteld, maar wel voortdurend meespeelt: wat wordt hier eigenlijk gezegd — en wat niet?
Gaat het hier over motivatie, over karakter, over innerlijke houding?
Over egoïsme versus altruïsme?
Over jezelf verliezen om trouw te zijn?
Of lezen we in deze woorden meer dan er staat, omdat ze zo goed passen bij overtuigingen die al lang bestaan?
Om die vraag te kunnen stellen, is het nodig de tekst eerst even te laten staan zoals hij klinkt: zwaar, gezaghebbend, cultureel beladen. Nog zonder uitleg. Nog zonder verdediging. Nog zonder toepassing.
Pas daarna wordt zichtbaar wat deze zin werkelijk raakt — en waar hij vaak voor wordt gebruikt zonder dat hij dat zelf zegt.
Wat er letterlijk staat (grondtekst, feitelijk)
Om te begrijpen wat deze zin zegt, is het nodig hem eerst terug te plaatsen in zijn oorspronkelijke omgeving. Niet als tijdloze uitspraak over zingeving, maar als onderdeel van een concreet betoog.
De woorden komen uit een brief die geschreven is aan een gemeenschap in Rome, halverwege de eerste eeuw. De schrijver richt zich tot mensen met uiteenlopende achtergronden, die samen proberen vorm te geven aan een nieuw soort gemeenschap. Dat blijkt geen eenvoudige opgave.
Een praktisch conflict
Het veertiende hoofdstuk van de brief draait niet om grote levensvragen, maar om dagelijkse spanningen. Er is discussie over wat men wel en niet kan eten, en over het belang van bepaalde dagen. Sommigen voelen zich vrij in hun keuzes, anderen ervaren grenzen die ze niet kunnen of willen overschrijden. Het probleem zit niet in die verschillen zelf, maar in wat ermee gebeurt: mensen beoordelen elkaar.
Wie zich vrij voelt, kijkt neer op wie voorzichtig is.
Wie zich gebonden voelt, wantrouwt wie vrij leeft.
Het is in die context dat de zin verschijnt: niet als losstaande wijsheid, maar als onderbouwing van een oproep om elkaar niet tot maatstaf te maken.
“Voor zichzelf”
In de oorspronkelijke taal wordt gezegd: niemand leeft voor zichzelf. Het woord dat hier wordt gebruikt, betekent letterlijk: gericht op zichzelf, met zichzelf als referentie. Het draagt geen bijvoeglijke betekenis in zich. Er staat niet dat dit egoïstisch, kleinzielig of moreel verwerpelijk is.
Het woord zegt niets over intenties of karakter. Het beschrijft alleen de richting van het leven: waar het uiteindelijk op terugvalt, waar het zich aan oriënteert.
“Voor de Here”
Daartegenover staat: voor de Here leven. Ook dit is sober geformuleerd. Er wordt niets uitgewerkt over gehoorzaamheid, navolging of innerlijke toewijding. Het gaat niet over wat iemand voelt of ervaart, maar over tot wie het leven zich verhoudt.
De formulering maakt duidelijk dat leven en sterven in dezelfde relatie staan. De grens die voor mensen vaak beslissend is, verandert hier niets aan het referentiepunt.
Wat hier níet gebeurt
Opvallend is wat in deze woorden ontbreekt.
Er wordt geen moreel oordeel uitgesproken over wie “voor zichzelf” leeft.
Er wordt geen psychologie verondersteld, geen analyse van motieven of verlangens.
Er wordt geen beroep gedaan op persoonlijke roeping of levensdoel.
De zin functioneert niet als zelfonderzoek, maar als kader: niemand in deze gemeenschap is zijn eigen eindpunt.
De kern
Wat hier wordt gezegd, is eenvoudig en tegelijkertijd ontregelend. Niet omdat het een hoge morele lat legt, maar omdat het een uitgangspunt verschuift.
Het leven wordt niet beschreven in termen van innerlijke houding, maar in termen van gerichtheid. Niet: wat drijft je? maar: waartoe verhoudt je leven zich?
Die verschuiving is de sleutel tot deze tekst. Alles wat er later mee is gedaan — moreel, spiritueel, existentieel — begint pas daarbuiten.
De context: waarom Paulus dit schrijft
Om de woorden helemaal te begrijpen, helpt het te zien waar ze vandaan komen. Romeinen 14 speelt zich af in een gemeenschap die nog jong is, samengesteld uit mensen met verschillende achtergronden, tradities en verwachtingen. Het gaat niet om abstracte wijsheid, maar om concrete problemen van samenleven.
Een praktisch conflict
Er ontstaat onenigheid over alledaagse keuzes: wat mag je eten en wat niet, welke dagen zijn belangrijk om te vieren of juist te onthouden. Sommige leden voelen zich vrij, anderen gebonden door gewoonten of overtuigingen. Dat leidt tot een subtiel maar voortdurend patroon van beoordelen en vergelijken.
Mensen zeggen tegen elkaar: “Jij doet het verkeerd,” of “jij bent te strikt,” zonder dat iemand expliciet zegt dat dit verkeerd is. Het sociale weefsel raakt gespannen. In die omstandigheden komt Paulus tussenbeide.
Paulus’ inzet
De schrijver richt zich op een eenvoudig maar scherp punt: stop met elkaar meten. Het gaat niet om individuele perfectie of innerlijke zuiverheid, maar om de manier waarop mensen elkaar behandelen. De centrale boodschap is dat niemand zichzelf toebehoort; niemand kan zijn eigen leven als het laatste gezag beschouwen.
De verzen 7–8, waarin wordt gezegd dat niemand voor zichzelf leeft of sterft en dat leven en sterven onder de Heer vallen, zijn onderdeel van deze argumentatie. Ze dienen als ondersteuning voor het bredere sociale advies: oordeel niet, want het leven is niet autonoom.
Het hoofdthema
Belangrijk om te zien is dat deze woorden niet de kern van de brief zijn, noch een universele filosofische stelling over autonomie of roeping. Ze functioneren binnen een sociaal betoog: de gemeenschap moet leren omgaan met verschil en spanningen, zonder dat iemand de ander tot maatstaf maakt.
De nadruk ligt op samenleven, niet op innerlijke motivatie. Dat maakt de tekst verrassend concreet en tegelijk subtiel: hij verschuift de focus van individueel gedrag naar onderlinge verhoudingen, zonder een morele veroordeling uit te spreken.
Hoe “voor jezelf leven” klonk in de eerste eeuw
Om de impact van Paulus’ woorden goed te begrijpen, helpt het om te horen hoe het idee van “voor jezelf leven” destijds klonk. In de eerste eeuw had de uitdrukking namelijk een veel minder automatische negatieve lading dan veel hedendaagse lezers denken.
Grieks-Romeinse filosofie
In veel filosofische tradities uit de Grieks-Romeinse wereld werd autonomie juist als een deugd gezien. Stoïcijnen prezen de zelfvoorzienende, innerlijk onafhankelijke mens die zijn passies beheerst en leeft in overeenstemming met de natuur. Voor hen betekende “voor zichzelf leven” niet egoïsme, maar: zelfbeschikking, innerlijke vrijheid en morele integriteit.
Ook bij de Epicureeërs had autonomie een positieve klank. Vrij zijn van angst, leven volgens je eigen verstand en streven naar innerlijke rust (ataraxia) werd gezien als een vorm van deugdzaam leven. Het ging er niet om anderen te domineren, maar om jezelf als maatstaf van je handelen te kennen en beheersen.
Kortom: in deze context was leven “voor jezelf” vaak een moreel ideaal.
Joodse context
Bij de Joden in Palestina lag het accent anders. Hier werd leven vooral opgevat als een antwoord op God, als gehoorzaamheid aan geboden en rituelen. Het autonome “voor jezelf leven” werd vaak verdacht of problematisch geacht, omdat het het risico inhield dat mensen hun eigen wil boven Gods wil zouden stellen.
Maar zelfs in deze context betekende het niet automatisch dat een persoon slecht of egoïstisch was. Het ging eerder om de vraag: waar richt je je leven op? Leef je als centrum van jezelf, of als deel van een grotere goddelijke orde?
Wat dit betekent voor Paulus’ uitspraak
Juist door deze culturele achtergrond wordt duidelijk hoe ontregelend Paulus’ woorden zijn: in een tijd en een wereld waar autonomie vaak een deugd of een verworven recht was, zegt hij dat niemand echt voor zichzelf leeft.
Niet als een oordeel over karakter of moraliteit, maar als een stelling die het basisidee van zelfbeschikking in een ander kader plaatst: het leven is niet autonoom, het leven is van de Heer. Dat contrast maakt zijn boodschap scherp en provocerend — en precies daarom zijn de woorden zo moeilijk te vatten als je ze alleen in hedendaagse termen leest.
Wat Paulus ontkent — en wat hij niet ontkent
Een van de meest hardnekkige misvattingen over deze tekst is dat Paulus zou oproepen tot zelfverloochening: dat wie leeft “voor de Heer” zichzelf volledig moet opgeven. Dat is niet wat de tekst zegt.
Wat Paulus wél ontkent
Paulus zet één duidelijk punt: autonomie als eindpunt is niet mogelijk. Het leven, zo schrijft hij, behoort niet primair aan jezelf; het is niet jouw laatste referentiepunt. Daarmee ontkent hij ook het idee van zelfnormering: je kunt je leven niet als maatstaf gebruiken voor wat goed of juist is.
Met andere woorden: wie denkt dat het leven volledig draait om eigen keuzes en eigen grenzen, loopt volgens Paulus een illusie na.
Wat Paulus níet ontkent
Tegelijk ontkent hij niet dat mensen bestaan. Hij ontkent niet: identiteit, persoonlijkheid, verlangens, behoeften, drijfveren
Je mag dus volledig jezelf zijn — maar je bent niet het uiteindelijke ankerpunt van je leven. Het gaat om gerichtheid, niet om eliminatie van jezelf.
De cruciale verschuiving
De kern van Paulus’ boodschap ligt niet in morele correctheid of innerlijke houding, maar in dit subtiele onderscheid: het gaat niet om niet jezelf zijn, maar om niet jezelf als eindpunt nemen.
Dat verschil is fundamenteel. Het verklaart waarom de uitspraak zo vaak verkeerd wordt gelezen en waarom het vaak wordt vertaald in adviezen over zelfopoffering of ascese. Wie dat doet, leest iets in de tekst dat er niet staat.
Paulus verschuift de blik van autonomie naar oriëntatie: waar richt je leven zich op? Dat is het moment waarop zijn woorden sociaal, existentieel en cultureel ontregelend worden — zonder dat hij iemands identiteit of verlangens onderuit haalt.
Filosofische en psychologische vertaalslag
De woorden van Paulus hebben, los van hun religieuze context, een verrassende relevantie voor hoe wij nadenken over persoonlijke ontwikkeling. Ze nodigen uit tot een reflectie die zowel filosofisch als psychologisch interessant is.
Filosofisch perspectief
In de filosofie wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen autonomie en heteronomie.
Waarin de Autonomie betekent: je bent zelf het criterium van je handelen; je leven wordt gestuurd door je eigen regels en doelen. En Heteronomie: je handelen wordt mede bepaald door iets buiten jezelf — een sociale, ethische of relationele norm.
Paulus’ uitspraak kan in dit licht worden gelezen als een oproep tot heteronomie, maar niet in de zin van onderwerping of verlies van zelf, wél als een heroriëntatie van het leven naar een ander referentiepunt.
Daarnaast sluit dit aan bij het idee van een relationeel zelf: het zelf is geen atomair, afgesloten kern die volledig autonoom opereert. Wie zich als volledig onafhankelijk beschouwt, mist de erkenning dat onze keuzes en ons bestaan altijd in relatie staan tot anderen en tot contexten buiten onszelf. Net zoals Martin Buber zegt: door jou leer ik mij zelf kennen.
Psychologisch perspectief
Vanuit de psychologie laat deze visie zien dat gezonde zelfontwikkeling niet betekent dat je alles zelf moet uitvinden of jezelf als ultiem normatief punt moet nemen. Een “gegeven zelf” — met je karakter, beperkingen, verlangens en mogelijkheden — is noodzakelijk om tot ontwikkeling te komen.
Omgekeerd ontstaat pathologie op twee manieren: door Zelfverabsolutering, waarin het eigen leven als maatstaf wordt genomen, met alle druk en perfectionisme van dien. en de ander kant door Zelfverloochening, waarbij jezelf volledig negeert of wegcijfert in naam van gehoorzaamheid of een hoger doel.
Paulus’ tekst ondermijnt dus niet het bestaan van verlangens of identiteit, maar de pretentie dat het leven volledig van jou is, volledig om jou draait. Het gaat om een subtiele heroriëntatie: autonomie wordt beperkt, identiteit blijft behouden.
Plaats van de tekst
In dit perspectief wordt duidelijk wat de tekst bijdraagt: ze stelt een ander uitgangspunt voor zonder het individu te elimineren. Het is een uitnodiging tot reflectie over hoe we ons leven structureren, vormgeven, zonder dat dit een handleiding is voor gedrag of een eenduidige methode voor zelfverbetering.
De kracht van de tekst ligt in deze subtiele verschuiving: niet de zelfexpressie wordt bekritiseerd, maar de zelf-absolutie!

Roeping, bedoeling en een bewuste stap verder
Als we kijken naar de bredere brieven van Paulus, zien we dat hij op andere plaatsen (zoals in Efeze) spreekt over roeping, toebereide werken en verkiezing. Daar verschijnt het idee dat levens van tevoren in een bepaald kader staan, dat er een grotere bedoeling is die iemands bestaan overstijgt.
Romeinen 14 doet dit echter niet. In dit hoofdstuk blijft hij dicht bij het sociale conflict: het gaat om eten, dagen en onderlinge oordelen. Er is geen sprake van een individueel levensplan, noch van een meetlat voor succes of moraliteit.
Het is in dit verschil dat we een expliciete stap maken: we verbinden de uitspraak “niemand leeft voor zichzelf” met het idee dat leven onder Gods claim kan worden gezien als leven binnen een bedoeling die je voorafgaat. Deze stap is interpretatief, geen directe afleiding uit de tekst zelf.
Daarbij gelden een paar belangrijke kanttekeningen:
Er is geen individueel script dat je moet volgen.
Er is geen meetlat voor wat goed of juist is in termen van prestatie.
Er is geen prestatiedenken dat iemand beloont of bestraft op basis van innerlijke perfectie.
Wat deze interpretatie wel doet, is een kader bieden om te begrijpen hoe het leven kan worden gericht: niet op jezelf als laatste autoriteit, maar op iets dat je voorafgaat en groter is dan jijzelf. Je identiteit, verlangens en persoonlijkheid blijven intact, maar je eindpunt ligt buiten je eigen autonomie.
Op deze manier wordt de tekst niet een handleiding of norm, maar een lens waardoor we ons leven kunnen bekijken: wie we zijn, wat we willen, en hoe ons leven zich verhoudt tot iets dat ons overstijgt.
Waarom dit onderscheid vandaag relevant is
Het spanningsveld dat Paulus beschrijft, leeft voort, ook buiten religieuze contexten. In coaching, begeleiding en persoonlijke ontwikkeling zien we dezelfde dynamiek: mensen raken zichzelf kwijt uit loyaliteit aan een overtuiging, een ander, of een hoger doel.
De overtuiging dat “niet voor jezelf leven” betekent dat je jezelf moet wegcijferen, kan leiden tot zelfontkenning. Je doet wat van je verwacht wordt, je volgt wat als moreel of spiritueel ideaal wordt gepresenteerd, en verliest daarbij het contact met wie je werkelijk bent en wat je werkelijk wilt.
Het alternatief is subtiel maar wezenlijk: jezelf serieus nemen zonder jezelf te absolutiseren. Je kunt verlangen, talenten en persoonlijkheid erkennen en ontwikkelen, terwijl je tegelijkertijd accepteert dat het leven niet volledig van jou is en dat je leven zich verhoudt tot iets buiten jezelf.
Juist in dit perspectief kan de tekst van Paulus bevrijdend werken. Niet omdat hij een handleiding geeft, maar omdat hij laat zien dat autonomie niet de enige maatstaf is, en dat het niet nodig is jezelf te verliezen om trouw te zijn aan iets groters. Het vraagt om zorgvuldige lezing en reflectie, maar opent ruimte om het eigen leven én de eigen identiteit te erkennen binnen een breder kader.
De zin opnieuw gehoord
We eindigen waar we begonnen: bij die ene zin die zoveel keren is aangehaald, in rouwadvertenties, in gesprekken, in preken en in goedbedoeld advies. Maar nu klinkt hij anders. Niet als voorschrift, niet als norm, maar als uitnodiging tot nadenken:
“Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. Zolang wij leven, leven wij voor de Here; en wanneer wij sterven, sterven wij voor de Heer. Dus of wij nu leven of sterven, wij zijn altijd van de Here.”
Wat betekent het als het leven niet volledig van onszelf is?
Niet: hoe moet ik leven, wat is goed of fout?
Wel: wie mag ik zijn in een leven dat groter is dan mijn eigen wil?
Wel: Ik ben geplaatst in een groter geheel!
De vraag is verschoven. Niet van zelfverlies naar zelfbevestiging, maar van autonomie als eindpunt naar een heroriëntatie van het zelf. Het nodigt uit tot reflectie: hoe kan ik mijn verlangens, talenten en identiteit serieus nemen, terwijl mijn leven zich verhoudt tot iets dat mij overstijgt?
Het is een vraag die blijft hangen, die geen eenduidig antwoord heeft, maar die de ruimte opent om jezelf én de context waarin je leeft opnieuw te bekijken. Het is een subtiele, maar krachtige verschuiving: van “niet voor jezelf leven” als beperking, naar een lens waardoor leven en zelfbegrip verruimd worden.

