Paniek in de nacht – baarmoedertijd
De oudste ervaring die werkelijk van jou is
Wie ’s nachts wakker schrikt in een paniek zonder inhoud, zoekt de volgende ochtend naar een oorzaak in de dag en vindt niets. Dat niets is geen gebrek aan bewijs. Het is de vorm waarin de eerste ervaring van een mens bewaard blijft — en die ervaring is van hem, niet van zijn moeder.
Het zoeken begint altijd in de dag. Was er iets op het werk, was er een gesprek dat bleef hangen, te veel koffie, te laat gegeten. Wie ’s nachts in paniek wakker wordt, loopt de vorige dag na alsof daar een voorwerp ligt dat is kwijtgeraakt. Vindt hij niets, dan gaat hij verder terug: de maand, het jaar, de jeugd. En als er ook daar niets ligt dat groot genoeg is, blijft er schaamte over. Er is niets gebeurd. Waar slaat dit dan op.
Onder dat zoeken ligt de aanname dat de psyche een archief is. Dat een symptoom een gebeurtenis heeft, dat die gebeurtenis ergens is opgeslagen, en dat het terugvinden ervan de weg is naar heling. Die gedachte is nog geen honderdvijftig jaar oud, ze komt uit de vroege psychoanalyse, en ze is via honderd jaar cultuur in het gewone spreken gezakt met een gezag dat ze in het onderzoek nooit heeft gehad. We geloven dat begrijpen heelt.
Voor wat mensen ’s nachts overkomt klopt dat model ook, maar het materiaal waar het over gaat is nooit als gebeurtenis opgeslagen, omdat er in de periode waarin het ontstond nog geen beelden of taal geven dat gebeurtenissen kon maken. Er was wel een mens. Er was alleen maar de ervaring. Er was alleen nog geen verteller.
De tweede aanname, en die is hardnekkiger
Wie eenmaal accepteert dat de eerste negen maanden meetellen, komt bijna altijd bij dezelfde formulering uit: het kind voelt het trauma van de moeder. Haar angst, haar rouw, haar stress komt binnen, en het kind draagt het mee. In die zin wordt het kind een ontvanger. Een antenne. Een vat.
Ik denk dat dit de kern mist, en dat het ook de reden is dat er in de behandelkamer zo weinig beweegt zolang je op dat spoor blijft. Wat een mens ’s nachts overvalt, is niet de emotie van iemand anders die hij nooit heeft kunnen teruggeven. Het is wat híj heeft doorgemaakt, in zijn eigen lichaam, met zijn eigen middelen, in een situatie waarin niemand naast hem stond omdat er nog geen naast was.
Dat onderscheid lijkt subtiel. Het is het hele verschil tussen een last die je draagt en een geschiedenis die je toebehoort. Van het eerste kun je je alleen ontdoen. Het tweede kun je ontmoeten.
En het is inmiddels ook aantoonbaar het geval.
Het kind had zijn eigen bijnier
In de jaren negentig deed een groep onderzoekers in Londen iets wat niemand eerder zo scherp had gedaan. Bij foetussen die in de baarmoeder een bloedtransfusie kregen, werd de naald op twee manieren ingebracht: via de aanhechting van de navelstreng aan de placenta, die geen zenuwen bevat, of via de leverader in de buik van het kind zelf, die wel geïnnerveerd is. Bij de eerste route gebeurde er niets. Bij de tweede steeg het cortisol en het bèta-endorfine in het bloed van de foetus, en de stijging nam lineair toe met de duur van de ingreep.
Wat daarop volgde is nog belangrijker. In een vervolgstudie bleek de bèta-endorfinerespons al vanaf achttien weken aanwezig en de cortisolrespons vanaf twintig weken — en beide waren onafhankelijk van wat er in het bloed van de moeder gebeurde. Toen het kind fentanyl kreeg toegediend, verdween de respons.
Lees dat nog eens. Een kind van achttien weken heeft een eigen stressas, die reageert op wat er met hém gebeurt, in verhouding tot hoe lang het duurt, los van zijn moeder, en die te dempen is met pijnstilling. Er is nog iets: bij dezelfde ingrepen werd een acute herverdeling van de bloedstroom naar de hersenen gemeten. Het kind beschermt zichzelf.
Dat is geen ontvanger. Dat is een wezen dat een situatie beoordeelt, erop reageert, zich verdedigt en er iets aan overhoudt.
En zijn eigen geboorte
Bij de bevalling wordt zichtbaar hoeveel eigen werk er verzet wordt. De hormoonstoot die op dat moment door een kinderlichaam gaat, is een van de grootste die een mens ooit meemaakt, en hij komt van het kind zelf. Herhaalde weeën drukken telkens kort de navelstrengdoorbloeding dicht; die terugkerende ondervoorziening zet een enorme catecholamine-uitstoot in gang, die de glycogeenvoorraad in de lever mobiliseert, de chemische warmteproductie in het bruine vet aanzet en het vruchtwater uit de longblaasjes trekt.
Het kind bereidt zich voor op iets waarvan het het bestaan niet kent, door een crisis heen die het niet kan overzien.
Dat dit werk van het kind is en niet van de moeder, blijkt uit wat er gebeurt als het overgeslagen wordt. Bij een geplande keizersnede zonder weeën is de hormoonstoot bij het kind veel lager dan bij een vaginale geboorte, en de longfunctie blijft in de eerste uren daarna meetbaar achter. Kinderen na een geplande keizersnede hebben een lagere lichaamstemperatuur. En de neonatoloog Hugo Lagercrantz, die dit veld zijn leven lang onderzocht, beschrijft de eerste ademteugen als het moment waarop de locus coeruleus wordt geactiveerd — de noradrenalinekern die het alarm- en waaksysteem aanstuurt. Je ziet het aan de pupillen van een pasgeborene. Het kind wordt wakker. Voor het eerst.
Wie dit serieus neemt, kan niet volhouden dat het kind passief in een omgeving lag. Het kind had een taak, en die taak liep goed af of niet.
Wat er dan misgaat, gebeurt met een subject
Hier komt de praktijk binnen, en die is minder abstract dan het bovenstaande.
Een navelstreng om de hals. Een weeënstorm die niet ophoudt. Uren geen vordering, en dan handen die trekken. Een vacuümpomp. Meconium in het vruchtwater. Een spoedkeizersnede waarbij het kind midden in zijn eigen inspanning uit het proces wordt gehaald. Een couveuse waarin het wel verzorgd maar niet gedragen wordt. Een moeder onder narcose, dus een aankomst zonder gezicht.
Dat zijn geen omstandigheden. Dat zijn gebeurtenissen met een hoofdpersoon. Ze overkomen iemand die op dat moment volledig aangewezen is op wat zijn eigen lijf kan, die geen begrip heeft van tijd — dus geen idee dat het ophoudt — en die geen manier heeft om hulp te vragen behalve door zijn hartslag te veranderen.
William Emerson, die vijftig jaar geboortetrauma onderzocht, kwam tot de conclusie dat de meeste geboorten in geïndustrialiseerde landen een vorm van trauma bevatten, van licht tot ernstig, en dat verloskundige ingrepen daarin een hoofdrol spelen. Ik hoor dat in mijn praktijk terug op een manier die met toeval niet meer te verklaren is. Mensen die vastlopen vlak voordat iets af is. Mensen die in elke samenwerking het gevoel hebben dat ze er alleen uit moeten komen. Mensen die panisch worden van geholpen worden, en mensen die panisch worden zodra ze het zelf moeten doen.
Dat zijn conclusies. Getrokken door iemand die nog geen woorden had, over hoe het hier werkt.
Waarom je het niet weet
Het geheugensysteem dat impliciet werkt — dat wat je kunt zonder dat je weet dat je het weet — functioneert vanaf het begin. Het expliciete systeem, dat gebeurtenissen tot herinneringen maakt, wordt pas jaren later functioneel rijp. De amygdala, die de alarmwaarde van een situatie vastlegt, rijpt eerder dan de hippocampus, die er een plaats en een tijd bij levert. Het alarm bestaat dus eerder dan het archief.
De gebruikelijke conclusie daaruit is dat er in die eerste periode niets wordt opgeslagen. Die conclusie is te snel. In dierexperimenteel werk blijkt een ervaring uit de periode van infantiele amnesie te worden bewaard als een latent spoor: een passende prikkel jaren later haalt een robuuste, contextspecifieke, langdurige herinnering terug. De vroegste sporen zijn niet gewist, ze zijn onbereikbaar via de weg die wij herinneren noemen.
Er ligt dus iets. Het heeft alleen geen beeld en geen woord, want die kwamen later — de beelden na de geboorte, de taal rond het vierde jaar. Wat er ligt is een toestand: hartslag, ademhaling, spanning, de kleur van de wereld. Reactiveerbaar door een toestand die erop lijkt.
Waarom het ’s nachts komt
Nachtelijke paniek is een non-REM-verschijnsel. Het treedt op in de overgang van lichte naar diepe slaap, in de eerste één tot drie uur na het inslapen, zonder prikkel van buiten en zonder droom. Van de mensen met een paniekstoornis maakt tussen de 44 en 71 procent dit mee, en bij een deel van hen begon het ’s nachts, voordat het ooit overdag gebeurde.
Het beslissende punt is dat er op dat moment geen gedachte kan zijn. De cortex slaapt. Er is geen scenario, geen catastrofale interpretatie, geen beeld dat aan de paniek voorafgaat. Wat nog werkt is de oude bedrading: hersenstam, hypothalamus, periaqueductaal grijs, het autonome systeem, de locus coeruleus. Precies de structuren die het eerst functioneerden, en precies de structuren die de nacht van jouw geboorte hebben gedragen.
Onderzoekers hebben daar een verklaring bij bedacht die scherper is dan ze zelf lijken te bedoelen: wat gevreesd wordt is het verlies van waakzaamheid zelf. Niet iets in het donker. Het loslaten.
Inslapen vraagt elke nacht dezelfde drie dingen die er toen gevraagd werden.
1) Geef de controle op.
2) Vertrouw erop dat de ademhaling doorgaat zonder dat je erbij bent.
3) Wees alleen in het donker.
Er zijn twee alarmen, en dit is het andere
In de affectieve neurowetenschap lopen angst en paniek langs verschillende circuits. Het angstsysteem draait om de amygdala, de mediale hypothalamus en het dorsale periaqueductale grijs: het systeem dat reageert op een roofdier, een auto, een dreigend gezicht. Het scheidingssysteem loopt via de anterieure cingulate, de bed nucleus van de stria terminalis, de dorsomediale thalamus en het preoptische gebied, en wordt gestuurd door endogene opioïden, oxytocine en prolactine. Toediening van opioïden is de sterkste remmer die er is van het huilen van jonge dieren die van hun moeder gescheiden zijn.
Angst wijst ergens naar. Het scheidingsalarm gaat af bij het ontbreken van iets. Daarnaast staat Donald Kleins these dat klinische paniek het misvuren is van een geëvolueerd verstikkingsalarm, een systeem dat de koolzuurspanning in het bloed bewaakt. En het is geen bijzaak dat mensen bij nachtelijke paniek méér lichamelijke symptomen melden dan overdag: hartslag, druk op de borst, het gevoel gesmoord te worden.
De twee dingen die ’s nachts inhoudsloos afgaan zijn: er is niemand, en ik krijg geen lucht. Dat zijn de twee gegevens van de allereerste uren van een mensenleven, in de volgorde waarin ze zich toen aandienden.
Onderzoek naar volwassenen die als kind een ouder verloren of van een ouder gescheiden werden, en die zelf geen enkele diagnose hebben, laat een blijvende aantasting van het endogene opioïdsysteem zien — precies het systeem dat dit alarm hoort te dempen. Diezelfde ontregeling verhoogt de gevoeligheid voor koolzuur én voor scheiding. Bij ratten die als pasgeborene geïsoleerd waren, blijkt het periaqueductale grijs de versterkte paniekreacties op volwassen leeftijd te bemiddelen.
Vroege scheiding maakt dus niet alleen dat iemand later bang is om verlaten te worden. Ze verandert de chemie waarmee het lichaam zichzelf tot rust brengt. Daardoor gaat het alarm af op momenten waarop er niets aan de hand is: bij een stijging van koolzuur, bij het wegvallen van waakzaamheid, bij het inslapen.
Waarom het uitmaakt van wie het is
Zolang je gelooft dat je de angst van je moeder draagt, kun je er twee dingen mee. Je kunt haar erom veroordelen, of je kunt haar vergeven. Allebei brengen ze je niet verder, want in beide gevallen blijft het van haar, en blijf jij degene die iets torst dat hij nooit heeft gekozen.
Zodra je begrijpt dat het van jou is, verandert de aard van het werk. Wat er ’s nachts komt, is dan het oudste dat je hebt meegemaakt. Het is jouw eerste ontmoeting met de wereld, jouw eerste inspanning, jouw eerste keer dat het bijna misging en jouw eerste keer dat het toch lukte. Je bent er destijds doorheen gekomen, met minder dan je nu hebt.
In systemisch opzicht is dit wat het innemen van je eigen plek betekent. Niet alleen tegenover je ouders en je broers en zussen, maar tegenover je eigen begin. Zolang de eerste hoofdstukken van je leven aan iemand anders worden toegeschreven, staat je geschiedenis niet op jouw naam.
Wat dat vraagt van de behandeling
Zolang je zoekt naar een oorzaak in de dag, is de leegte een gebrek. Zodra je weet dat de nacht de laag aanspreekt die er eerder was dan beeld en taal, is de leegte de vorm waarin de oudste informatie zich aandient. Dan werk je niet met een verhaal dat teruggevonden moet worden, maar met een toestand die gedragen moet worden.
Dat verschil is praktisch. Een verhaal zoek je op, benoem je, herzie je. Een toestand kun je alleen leren herkennen terwijl hij er is, en leren verdragen zonder hem weg te willen hebben. Het werk verschuift van betekenis naar aanwezigheid: ademhaling, tempo, het lichaam dat merkt dat het alarm vanzelf afloopt, een ander mens die erbij blijft zonder uitleg te geven. In opstellingen en in lichaamsgericht werk gebeurt vaak wat in een gesprek niet lukt: er komt beeld en taal bij een ervaring die er altijd al was. Niet omdat er een herinnering wordt teruggehaald, maar omdat er eindelijk iemand getuige is.
En er hoort nuchterheid bij. Een deel van wat zich als nachtelijke paniek aandient, is een ademhalingsstoornis in de slaap, reflux, een te snel werkende schildklier of het effect van alcohol op de tweede helft van de nacht. Wie hier maanden last van heeft, laat zich eerst lichamelijk nakijken. Een lichaam dat ’s nachts niet goed kan ademen is ook een lichaam in alarm.
Wat open blijft
Je zult nooit weten wat je toen precies hebt geconcludeerd. Er ligt geen zin klaar, er komt geen scène terug, er is geen ochtend waarop het ineens klopt. Wat er is, is een lichaam dat elke nacht opnieuw de vraag krijgt of het veilig is om los te laten, en dat antwoordt met wat het de eerste keer heeft geleerd.
Dat antwoord is oud, en het is van jou. Dat maakt het niet lichter. Het maakt wel dat er iemand is die het kan dragen.
Meer lezen op deze site
Over de eerste negen maanden en de geboorte heb ik een reeks artikelen geschreven, deels met werk van andere auteurs erin:
* Blauwdruk van je leven — wat een kind in de baarmoeder al waarneemt, en wat daarvan blijft.
* Je geboorte is van invloed op je leven — waarom ik cliënten in het eerste gesprek naar hun geboorte vraag.
* Hechten van foetus tot kleuter en verder — hechting begint bij de conceptie, niet bij de kraamtijd.
* Het leven in de baarmoeder verstoord — over pre- en perinataal trauma en hoe je het in de praktijk herkent.
* Het natuurlijk geboorteproces — wat een ongestoorde geboorte fysiologisch en hormonaal doet.
* Alleen geboren twee-/meerling — over het verlies van een tweelinghelft vroeg in de zwangerschap.

