Pelgrimeren met een verlies
Schreef ik in eerder artikelen al over pelgrimeren [* de-reis-die-ontmaskert-wat-van-jou-is/ en * pelgrimeren-de-weg-naar-binnen-als-noodzakelijke-daad/], nu wil ik een handvat bieden hoe zoiets er mogelijk zou uit kunnen zien wanneer je in je leven verlies hebt geleden, dat je nu vol in het licht wilt zetten, omdat het je dagelijks belemmerd als je dat niet zou doen.
Waarom je met een dode gaat lopen
Wie na een verlies aan een lange pelgrimstocht begint, is zelden bang voor het lopen. Hij is bang voor het weggaan, en dat is iets anders. Bij iemand die een tweelinghelft, een broer of zus, een ouder, een kind of een partner verloren heeft, is weggaan in het lichaam gelijk geworden aan sterven: de ander ging weg en kwam niet terug. Wie zelf zes weken vertrekt, wordt in zijn eigen systeem degene die dat doet. De angst om vrouw, man of kinderen “in de steek te laten” is daarom geen praktisch bezwaar dat weggeorganiseerd kan worden. Het is de plek waar het verlies nog woont, en dus het eerste wat de pelgrim meeneemt.
Daaronder ligt vaak nog een laag. Rond een sterfbed, een lange ziekte, een zwangerschap die verkeerd afliep, is er bijna altijd iemand die achterbleef terwijl alle aandacht naar de stervende ging: het kind dat thuis zat terwijl de ouders in het ziekenhuis waren, de partner die het huishouden overeind hield, het broertje dat niemand meer zag. Wie zo is achtergebleven, weet niet alleen wat het is om verlaten te worden door de dode. Hij weet wat het is om als levende achtergelaten te worden omdat de dood voorging. De gelofte die daaruit ontstaat — ik laat nooit iemand achter — is meestal geen bewuste beslissing. Ze zit in het lichaam, en het lichaam herkent een vertrek van zes weken feilloos als de breuk van die gelofte.
Er is een derde laag, en die is het minst zichtbaar. Een kind dat jong met de dood te maken krijgt, zit in de leeftijd waarin denken en veroorzaken nog niet gescheiden zijn. Een kind van vier, vijf, zes gelooft dat zijn blik, zijn gedachten, zijn braaf zijn de wereld sturen. Wie in die jaren iemand zag sterven, houdt daar dikwijls een omkering aan over die nooit is uitgesproken: zolang ik kijk, gaat het goed met wie ik liefheb. Zo iemand is een wachter geworden, aangesteld door niemand, en daarom door niemand af te lossen. Voor die wachter is zes weken je ogen van je gezin afhalen geen reis. Het is nalatigheid met dodelijke afloop. Volwassenen die op die manier waken, herkennen zichzelf zelden als wachter; ze noemen het zorgzaamheid, verantwoordelijkheid, liefde. De pelgrimage legt precies dat bloot, omdat ze het kijken onmogelijk maakt.
Het artikel over de reis die ontmaskert wat van jou is, beschreef hoe een omgeving die niet verandert het gedrag overneemt, en hoe een familie rollen toewijst om zichzelf in evenwicht te houden. Bij een verlies is die rolverdeling scherper dan ooit. Een dode die geen plek heeft gekregen — een ongeboren kind dat niet werd meegeteld, een broertje dat één jaar leefde en van wie niemand meer spreekt, een eerste man over wie de tweede niets wil horen — verdwijnt niet. Iemand in het systeem neemt zijn plaats in, of leeft voor twee, of volgt hem na in een leven dat nooit helemaal begint. Wie de dode meeneemt op reis, haalt hem uit die onzichtbare positie en zet hem waar hij hoort: naast de levende, zichtbaar, met een naam. Dat is de eigenlijke opdracht van zes weken lopen. Niet het verlies verwerken, want dat woord veronderstelt dat er iets af kan zijn. Wel: de dode zijn plek geven en zelf de eigen plek weer innemen, en voelen wat er dan van de wachter overblijft.
De ruggengraat: 42 dagen, vijftien psalmen en een zevende week
Zes weken is 42 dagen, en dat getal is in de joodse traditie geen toeval. Numeri 33 telt 42 pleisterplaatsen tussen Egypte en het land, en de chassidische lezing daarvan zegt dat ieder mens die 42 reizen in zijn eigen leven aflegt: vanaf de geboorte uit de engte — Mitsrajim, Egypte, betekent letterlijk “de nauwte”, en wordt gelezen als de baarmoeder — tot aan het binnengaan. Elke pleisterplaats heeft een naam, en de meeste namen zijn niet vriendelijk: Bitterheid, Twist, Verbranding, Graven-van-de-begeerte. Wie met een dode loopt, herkent die namen sneller dan wie zonder loopt.
Zes is bovendien het getal van het werk. De schepping wordt in zes dagen gemaakt; de zevende wordt niet gemaakt maar ontvangen. De zes weken van de reis zijn de zes dagen. De zevende week is thuis, en die hoort er wezenlijk bij, omdat daar pas blijkt wat de reis heeft gedaan. Wie vertrekt, moet dat weten voordat hij vertrekt: de reis eindigt niet op de plek van aankomst. Ze eindigt in de eerste week thuis, in het huis dat precies dezelfde prikkels weer aanbiedt als voorheen.
Onder de hele reis ligt één tekst, en dat is geen keuze maar een vondst. De psalmen 120 tot en met 134 dragen elk het opschrift shir hama’alot, lied van de opgang. Het zijn de liederen die pelgrims zongen op weg naar Jeruzalem, drie keer per jaar, en ze bevatten in volgorde precies wat de rouwende pelgrim onderweg tegenkomt:
de wachter die tevergeefs waakt (127),
de diepte waaruit geroepen wordt (130),
de wachters die op de morgen wachten (130),
het gespeende kind bij zijn moeder (131),
de broeders die samenwonen (133), en
het zaaien in tranen dat maaien in gejuich wordt (126).
Vijftien korte psalmen, samen niet meer dan een paar bladzijden. De pelgrim draagt ze bij zich, niet als leesrooster, maar als de ene stem die de hele weg meegaat.
De indeling in weken volgt het patroon dat bij lange pelgrimstochten steeds opnieuw wordt beschreven: eerst het lichaam, dan het gemoed, dan pas de geest. Bij een verlies krijgt dat patroon een eigen invulling. De weken van het gemoed, week drie en vier, zijn hier de weken van de shiva: de zeven dagen die de joodse traditie voor een dode inruimt, en die bij de meeste verliezen nooit zijn gezeten. Wie alleen loopt, kan ze alsnog zitten, lopend.
Het vertrek: wie er meegaat, wordt thuis genoemd
De reis begint niet bij de voordeur. Ze begint aan tafel, met de mensen die achterblijven, en met één zin: dit is wie er met mij meegaat. Vaak weten kinderen niet dat hun vader een tweeling was, dat er een oom is geweest die één of een paar jaar leefde, dat hun moeder een eerste man had, dat er een kind vóór hen was dat niet bleef. Zolang de dode thuis niet genoemd is, vertrekt de pelgrim naar een leegte, en dan is elk vertrek een verlaten. Zodra de dode genoemd is, vertrekt hij om een familielid op te halen dat nog geen plek heeft. Dan is het weggaan het begin van een thuisbrengen, en dat verschil hoeft het gezin niet te begrijpen. Het moet het kunnen voelen.
Genesis 12 laat zien waarom dat noemen vóór het vertrek hoort. Lech lecha — ga, ga naar jezelf — wordt gezegd tegen iemand die uit drie lagen tegelijk moet: zijn land, zijn verwantschap, het huis van zijn vader. Maar Abram gaat niet alleen. Hij neemt Sarai mee, Lot, en alles wat ze in Charan hadden vergaard. Wie een dode meeneemt, doet hetzelfde: hij gaat weg uit het systeem dat de dode onzichtbaar/onervaarbaar hield, en neemt de dode zelf mee naar buiten, waar hij voor het eerst gezien kan worden.
Wat de achterblijvers betreft: in Genesis 32 neemt Jakob, de nacht vóór hij zijn broer ontmoet, zijn vrouwen en zijn elf kinderen en brengt ze de rivier over. Daarna staat er: “en Jakob bleef alleen achter.” Hij laat zijn gezin niet in de steek; hij brengt ze in veiligheid, en blijft dan zelf achter om te worstelen. De pelgrim doet het omgekeerde en hetzelfde: hij zet zijn gezin aan de veilige kant van de rivier, met de afspraak wanneer hij terugkijkt, en gaat dan zelf het water in.
Die afspraak is concreet. Eén dag per week wordt niet gelopen, en die dag is volledig voor thuis. Niet als compensatie, niet als dagelijkse controle of iedereen nog leeft, maar als een sabbat in de reis. Zes keer. Voor de wachter is dat precies het verschil tussen niet durven wegkijken en weten wanneer je terugkijkt.
Week 1 en 2: het lichaam
De eerste twee weken eist het lichaam alles op: blaren, een rugzak die schuurt, spieren die in opstand komen, uitzoeken hoe je slaapt en eet. Bij lange tochten wordt dit meestal beschreven als de fase die je door moet vóór het eigenlijke werk begint. Bij een verlies ligt dat anders. Het lichaam is de plek waar het verlies als eerste is opgeslagen, nog vóór er taal voor was. Wie zijn tweelinghelft verloor, deelde met die ander de eerste kamer waarin hij ooit woonde. Wie een ouder verloor, heeft een lichaam dat uit dat lichaam kwam. Wie een kind verloor, droeg het of verwekte het. Wie een partner verloor, sliep jarenlang naast een adem die er nu niet is. De pijn van de eerste weken is geen obstakel voor de ontmoeting met de dode. Ze is de eerste ontmoeting.
De tekst voor deze weken is Psalm 139: “Uw ogen zagen mijn vormeloos begin.” Het Hebreeuwse woord is golmi, mijn ongevormde, mijn embryo. De blik die de pelgrim zag toen hij nog niet gevormd was, zag ook de ander die niet bleef, en zag de ouder toen die zelf nog niet gevormd was, en het kind dat in het verborgene gemaakt werd. Voor iemand die zichzelf de opdracht gaf alles te zien, is dit de eerste ontheffing: er was al een blik, vóór de zijne.
In deze weken wordt niet gegraven. Er wordt gelopen, en wat het lichaam aandraagt wordt niet geïnterpreteerd. De valkuil van deze fase is bekend: stoppen zodra de pijn het hele project lijkt, of het tegenovergestelde, de reis omzetten in een prestatie van kilometers en tempo, en zo het vergelijkende, presterende patroon van thuis importeren in de reis die daarvan wegging. Bij een rouwende komt daar een derde valkuil bij: de pijn van het lichaam onmiddellijk aan de dode toeschrijven, en zo de ontmoeting forceren voordat het lichaam eraan toe is. Twee weken is de tijd die het zenuwstelsel nodig heeft om zich aan te passen. Die tijd krijgt het.
Week 3 en 4: de shiva onderweg
Zodra het lichaam gewend is, en dat gebeurt meestal plotseling ergens in de tweede week, valt er aandacht vrij, en die aandacht gaat naar wat thuis werd weggeduwd. Bij een gewone pelgrim is dat de rommel van een leven. Bij een rouwende heeft die rommel een gezicht. Daarom krijgen deze twee weken de vorm van een shiva: zeven dagen waarin de dode de enige is, en als er twee doden zijn, twee keer zeven. Shiva betekent zitten: laag, zonder werk, zonder spiegel, en de bezoekers spreken pas als de rouwende spreekt. Lopend zitten is mogelijk. Het betekent: deze week geen andere gedachte dan die ene, geen muziek, geen gezelschap dat de stilte opvult, en elke dag één gesprek met de dode, hardop, onderweg.
In deze weken keert bij de meeste rouwenden de wachter terug. Wie als kind leerde te zien wie zou sterven, gaat het in de stilte van een slaapzaal opnieuw zien. Wie een partner verloor, gaat ’s nachts opnieuw luisteren of er nog geademd wordt. Dat is te verwachten, en wie het van tevoren weet, schrikt er minder van. Hier horen de twee pelgrimspsalmen die de wachter direct aanspreken: “Als de HEER de stad niet bewaakt, tevergeefs waakt de wachter; Hij geeft het zijn geliefden in de slaap” (127), en “Zie, de bewaarder van Israël sluimert noch slaapt” (121). De wachter die niemand aanstelde, kan alleen ontheven worden tegenover degene die volgens deze teksten werkelijk waakt. Ezechiël 33 voegt daar iets aan toe: de wachter heeft één taak, de hoorn blazen. Niet: de stad redden. Wie als kind of als partner de hoorn blies, en niemand kon het horen, draagt sindsdien een verantwoordelijkheid die nooit de zijne was.
En dan is er Elia, 1 Koningen 19, die onder de bremstruik gaat liggen: “Het is genoeg, neem mijn leven.” De engel zegt niet dat het niet genoeg is. Hij zegt: “Sta op, eet, want de weg is te lang voor je.” Veertig dagen later, bij de berg, wordt Elia twee keer hetzelfde gevraagd: wat doe je hier? En twee keer geeft hij hetzelfde antwoord: “Ik alleen ben overgebleven.” Het is hetzelfde werkwoord als bij Jakob aan de rivier: overblijven, achterblijven, de rest zijn. De rouwende is, in de grondtekst van beide verhalen, letterlijk de overgeblevene. Het antwoord dat Elia krijgt, gaat niet in op zijn eenzaamheid. Het corrigeert de telling: er zijn er zevenduizend. En daarvóór, niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur, maar in kol demama daka, de stem van een dun zwijgen. Dat is de stem waarop deze twee weken wachten.
Welke dode er meeloopt, bepaalt wat er in de shiva op tafel ligt. Elk verlies verstoort de orde in het systeem op een eigen manier, en elk verlies heeft in de Schrift een eigen verhaal dat die verstoring al kende.
De tweelinghelft die niet geboren werd
Wie als eenling uit een tweelingzwangerschap kwam, weet meestal pas laat dat er een ander was, en soms nooit. Toch is er in het lichaam een vroege kennis van een ander die er was en toen niet meer. Overlevende tweelinghelften beschrijven, zonder van elkaar te weten, hetzelfde: een gevoel dat er iets ontbreekt zonder te weten wat, een moeite met alleen zijn die tegelijk een moeite met nabijheid is, de neiging om voor twee te leven, en een schuld die aan niets is toe te schrijven. Vaak neemt de overlevende ongemerkt de plaats van de ander in, of houdt hij één voet aan de kant waar de ander bleef.
De tekst is Jakob, en niet omdat Jakob toevallig een tweeling was. Zijn hele leven is de pelgrimage van een tweelinghelft. Het begint bij Rebekka, met de twee die elkaar verdringen in haar schoot, en haar vraag: als het zo is, waarom dan dit ik? Dat is de vraag van elke overgeblevene, en Rebekka doet er iets mee: ze gaat vragen. Dan Jakob die tegen zijn blinde vader zegt: “Ik ben Esau.” Hij leeft twintig jaar in de huid van zijn broer. Aan de rivier, alleen, worstelt hij tot het licht wordt, en krijgt dan de vraag die deze week draagt: “Wat is je naam?” Voor het eerst antwoordt hij niet met de naam van zijn broer, maar met de zijne. Hij krijgt een nieuwe naam en een heup die de rest van zijn leven mank blijft. Beide.
Als de tweelinghelft geen naam heeft, krijgt hij er deze week een. Naamloos is plaatsloos. En de gematria die hier klaarligt: Esau, עשו, is 376. Shalom, שלום, is 376. De broer met wie geworsteld wordt, is de vrede. Wat er dan gezegd kan worden is weinig: jij bent eerder gegaan, ik ben gebleven; ik geef je je plek; ik leef, en ik leef ook voor mij.
Een broer of zus
Een broer of zus die sterft, laat een orde achter die niet meer klopt: de oudste is opeens de enige, de middelste wordt de oudste, de jongste blijft jongste van een rij die korter is. Wie overblijft, gaat vaak de plek van de ander bezetten, in de verwachtingen van de ouders of in het eigen leven, en verliest daarmee zijn eigen plek. Een jong gestorven broertje of zusje wordt bovendien vaak niet meer genoemd, uit bescherming van de overgebleven kinderen, en verdwijnt zo dubbel.
Psalm 131 spreekt over “een gespeend kind bij zijn moeder”, een kind dat net van de borst is, een kind van rond het jaar. Wie een klein broertje of zusje verloor, kan dat kind bij de moeder laten, in plaats van bij zichzelf. En Davids klacht om Jonathan, 2 Samuël 1, geeft taal aan wat het is om een broer te verliezen die je gelijke was: “Ik ben benauwd om jou, mijn broeder Jonathan; je was mij zeer lief.” David zingt dat lied en laat het de kinderen van Juda leren. Het verlies wordt niet weggezet; het wordt overgedragen. Voor de shiva: de eigen plek in de rij hardop noemen, en de plek van de ander, en die twee niet meer verwisselen.
Een vader of moeder
Ouders geven, kinderen nemen; dat is de richting van het leven, en die richting keert zich niet om, ook niet bij ziekte en dood. Wie een ouder verloor, en zeker wie die ouder heeft verzorgd, is die richting vaak kwijtgeraakt: hij is groter geworden dan de ouder, of is de ouder blijven redden nadat die al gestorven was. De opdracht van lech lecha — weg uit het huis van je vader — krijgt hier een tweede bodem: het huis van de vader verlaten kan pas als de vader erin mag blijven, op zijn eigen plek, als de grote, en het kind als de kleine, ook al is het kind inmiddels zestig.
De tekst is 2 Koningen 2. Elisa mag Elia niet loslaten; drie keer zegt Elia “blijf hier”, drie keer gaat Elisa mee. Dan vraagt Elisa een dubbel deel van de geest, en Elia antwoordt: “Als je mij ziet wanneer ik van je word weggenomen, zal het je gebeuren.” Je moet het weggaan zien. Elisa ziet het, roept “mijn vader, mijn vader”, scheurt zijn kleren, en raapt de mantel op die is blijven liggen. Met die mantel slaat hij op het water en vraagt: “Waar is de HEER, de God van Elia?” Het water splijt. Wat een ouder achterlaat, is een mantel, geen leegte, en die mantel werkt pas als het kind hem opraapt als kind, niet als plaatsvervanger. De kaddisj, het gebed dat een kind elf maanden lang voor een ouder zegt, noemt de dood niet één keer. Het prijst. Dat is de houding van deze shiva: niet de ouder redden, niet de ouder oordelen, maar de ouder groot laten en zelf klein blijven, en dan de mantel oprapen.
Een eigen kind
Hier is de orde het diepst verstoord, omdat de dood de verkeerde kant op ging: ouders horen voor te gaan. De ouder die overblijft, wil bijna altijd achterna. Niet in gedachten, maar in het lichaam: liever ik dan jij. Dat is de zin die het hele leven daarna kan gaan sturen, in ziekte, in risico, in een leven dat op halve kracht wordt geleefd, zodat het kind niet alleen is. En de kinderen die er nog zijn, of nog komen, groeien op naast een ouder die half is achtergebleven bij de dode.
David roept het letterlijk, om Absalom: “Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom, was ik maar in jouw plaats gestorven.” Maar de tekst die deze shiva draagt, is de andere David, 2 Samuël 12. Zolang het kind van Batseba ziek is, vast hij, ligt hij op de grond, laat zich niet optillen. Als het kind sterft, staat hij op, wast zich, eet. Zijn dienaren begrijpen het niet. Hij zegt: “Nu het dood is, waarom zou ik vasten? Kan ik het terughalen? Ik ga naar hem, maar hij komt niet terug naar mij.” Ik ga naar hem: op zijn tijd, niet nu. Dat is het onderscheid tussen volgen en blijven. En dan Rachel, die sterft onderweg, “nog een eind van Efrat”, en begraven wordt langs de weg, zodat elke pelgrim naar Jeruzalem haar graf passeert. Jeremia 31 laat haar wenen om haar kinderen en weigeren getroost te worden. De troost die ze uiteindelijk krijgt, is geen uitleg; het is een richting: “Er is hoop voor je toekomst, je kinderen keren terug naar hun gebied.” Voor de shiva: het kind zijn plek geven onder de kinderen, met naam, in de rij, ook als het als eerste kwam en niet bleef; en zelf blijven, in de rij van de ouders, zolang het duurt.
Een man of vrouw
Een partner die sterft, laat een plek achter die niemand mag innemen. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het is een orde die stil wordt overtreden: door een kind dat de plek van de vader gaat vullen, door een nieuwe partner die alleen kan bestaan als de vorige niet meer wordt genoemd, door de weduwe of weduwnaar zelf, die het eigen leven stopzet op het moment van de dood. Wie zes weken met een gestorven partner loopt, loopt met iemand die de eerste blijft, ook als er een tweede is of komt. De tweede komt na de eerste. Dat is geen rangorde van liefde, maar van tijd, en de tijd laat zich niet herschikken.
Naomi is de pelgrim van dit verlies. “Vol ging ik weg en leeg heeft de HEER mij doen terugkeren.” Ze wil niet meer Naomi heten, lieflijk, maar Mara, bitter. De tekst laat haar bitter zijn; er wordt niets goedgepraat. Wat er wel gebeurt, is dat Ruth naast haar loopt — “waar u gaat, ga ik” — en dat Naomi, leeg, toch een veld vindt waar geraapt mag worden aan de rand. En Abraham, die na de dood van Sara voor het eerst in zijn leven iets koopt: een graf. De pelgrim die alles achterliet, bezit uiteindelijk één stuk grond, en het is de plek waar zijn vrouw ligt. Isaak brengt later Rebekka “in de tent van zijn moeder Sara”, en wordt getroost. De tent van de dode blijft staan; de nieuwe komt erin, na haar. Hooglied 8 geeft de zin die de weduwe en weduwnaar kunnen zeggen zonder te liegen: “Sterk als de dood is de liefde.” Niet sterker; even sterk. Voor de shiva: de partner de eerste plek laten, en dan de eigen plek innemen als iemand die nog leeft, en die dat mag.
Week 5: samen, en dan uit elkaar
Na de shiva loopt de pelgrim een week met de dode naast zich, en dat is anders dan de weken ervoor. In de shiva was de dode het onderwerp; nu is hij gezelschap. Psalm 133: “Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het dat broeders ook samen wonen.” Prediker 4 legt daar het beeld onder van de ene die valt en geen tweede heeft om hem op te richten, en van het drievoudig snoer dat niet snel breekt. Wie zijn hele leven de ene zonder tweede was, is deze week voor het eerst niet alleen op een manier die niet uit angst komt.
Maar het beslissende moment van deze week is niet de ontmoeting. Het is wat er in Genesis 33 gebeurt nadat Jakob en Esau elkaar omhelzen en huilen, nadat Jakob zegt: “Ik heb je gezicht gezien zoals men het gezicht van God ziet.” Esau gaat terug naar Seïr, en Jakob naar Sukkot. Ze gaan uit elkaar. Jakob belooft nog dat hij zal nakomen naar Seïr, en doet het nooit. De ontmoeting is geen versmelting. De doden horen bij de doden, de levenden bij de levenden, en wie dat onderscheid niet maakt, blijft half aan de andere kant. De laatste dagen van deze week loopt de pelgrim daarom weer alleen. Het is een ander alleen dan “ik alleen ben overgebleven”: het alleen van iemand die zijn plek heeft ingenomen en de ander de zijne heeft gegeven.
Wie de Camino loopt, kan dit letterlijk maken. Zes weken is precies Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago, en dan verder naar Finisterre, het einde van het land, waar alleen nog zee is. Dat is de plek om de dode te laten en zelf om te keren. Op andere routes is er altijd een plek die hetzelfde doet: een kust, een pas, een rivier die overgestoken wordt. Wat daar wordt achtergelaten, is niet de dode zelf. Het is de positie die de pelgrim al die jaren voor hem bezet hield.
Week 6 en de zevende week: terugkeer
Psalm 126, het lied van de terugkeer: “Wie met tranen zaait, zal met gejuich maaien. Hij gaat al wenend voort, dragend de zak met zaad; hij komt terug met gejuich, dragend zijn schoven.” De psalm zegt niet wanneer. Tussen zaaien en maaien zit een seizoen, en het onderzoek naar mensen die een lange pelgrimstocht voltooiden zegt hetzelfde in andere woorden: wat beklijft, blijkt niet op de laatste dagen, maar maanden later, als het gewone leven met dezelfde prikkels is hervat en niet alles meer hetzelfde antwoord geeft.
Daarom is de laatste week geen hoogtepunt. Jakob komt mank aan bij zijn broer en mank thuis. Abram bouwt een altaar, en in het volgende vers is er hongersnood en liegt hij in Egypte uit angst. De pelgrim komt thuis zonder verhaal, met twee dingen die niet in een verhaal passen: een naam, en een plek in het huis. Een foto, een kaars, een zin aan tafel waarin de kinderen horen wie er is teruggekomen. De dode krijgt een plek in de kamer waar hij al die jaren geen plek had, en juist daardoor hoeft niemand hem meer te dragen.
De zevende week wordt niet gelopen. Het is de week waarin het huis precies dezelfde prikkels weer aanbiedt als voorheen: de stoel, het gesprek dat moeilijk wordt, de nacht waarin geluisterd wordt of iedereen nog ademt. Het enige wat de reis heeft opgeleverd, is een fractie van een seconde tussen die prikkel en de wachter die opstaat. In die fractie zit alles. Rabbi Tarfon, voor wie nooit ophield met waken: “Het is niet aan jou het werk te voltooien, maar je bent ook niet vrij je eraan te onttrekken.”
Voor wie begeleidt
De begeleiding zit vooral vóór het vertrek en in de zevende week. Onderweg is er één vast contactmoment per week, de sabbatdag, en één nummer voor de nachten van week drie en vier, wanneer de wachter terugkomt. Niet meer. Elke extra lijn naar huis is een prikkel die de reis net had weggenomen.
Vooraf hoort het gesprek over wie er thuis genoemd wordt en hoe. Kinderen onder de zeven horen de naam en dat papa of mama iemand gaat ophalen; oudere kinderen kunnen het hele verhaal aan en willen het meestal ook. De angst om weg te gaan wordt niet weggenomen maar in kaart gebracht: wie bleef er destijds achter, wie waakte, wie werd niet geteld. Dat zijn de drie vragen waarmee de shiva onderweg wordt voorbereid.
Wat niet hoort: een groep. De saamhorigheid tussen pelgrims is echt en waardevol, en ze is tegelijk de snelste manier om een nieuw systeem te vormen binnen de reis die aan elk systeem wilde ontsnappen. Wie met een dode loopt, loopt alleen, en laat zich onderweg niet adopteren. Wat ook niet hoort: het eerste sterke inzicht vastpakken als hét antwoord. Bij rouw komt dat inzicht vaak in week drie, in de vorm van een opluchting die te vroeg is. De shiva duurt zeven dagen, ook als het op dag drie klaar lijkt.
En in de zevende week: niet vragen hoe het was. Vragen wat er thuis anders reageert, en wat precies hetzelfde. Dat tweede is geen mislukking. Het is de plek waar het werk verdergaat, nu zonder reis.
Wat gelezen wordt
Één psalm per week, dezelfde alle zeven dagen, ’s ochtends voor de eerste stap.
Week 1: Psalm 121, “ik hef mijn ogen op naar de bergen”.
Week 2: Psalm 139, het lichaam dat gezien werd.
Week 3, de eerste shiva: Psalm 130, “uit de diepte”.
Week 4, de tweede shiva: Psalm 131, het gespeende kind.
Week 5: Psalm 133, de broeders.
Week 6: Psalm 126, de terugkeer.
En op de zes sabbatdagen, de dag dat hij thuis belt, steeds Psalm 127 — de wachter die tevergeefs waakt, precies op de dag dat hij terugkijkt.