TOEN is nog steeds hier: hoe ons verleden ons NU belemmert
Hij zit tegenover zijn collega en hoort één zinnetje dat hem doet schrikken en hij denkt onmiddellijk: “Laat maar, ik moet het zelf doen!” Het lijkt zo klein, bijna onschuldig. Het lijkt daadkrachtig, maar iets in hem gaat eigenlijk volledig op tilt. Zijn adem stokt, zijn hart bonst in zijn keel, zijn handen worden klam. Hij ervaart paniek. Het is alsof hij weer dat kleine babytje is, vijftig jaar geleden, in de baarmoeder, dat zijn tweelinghelft verloor en ervaarde: “Ik ben alleen!!!” en voelt: “ik verzuip!”
Nu is hij 50. Hij weet rationeel dat hij veilig is, dat er niemand fysiek van hem weg kan lopen, dat hij deze emotie nu aankan. En toch… elke cel in zijn lichaam reageert alsof het toen is, alsof dat verlies nog steeds dreigend boven hem hangt. Het NU voelt als toen, alsof het verleden zich plotseling materialiseert in zijn huidige ervaring.
Deze ervaring is niet uitzonderlijk. Voor velen is ons NU vaak doordrenkt met TOEN. De emoties, reflexen en lichamelijke sensaties die we denken in het heden te ervaren, zijn soms echo’s van overlevingsmechanismen die ons lichaam in de vroege jaren heeft opgebouwd. Het kleine kind dat niet kon overleven zonder bescherming, dat werd verlaten, dat paniek voelde bij dreigend verlies… dat kind leeft door in ons volwassene lichaam.

Hoe het brein en lichaam TOEN vasthoudt
Als het NU voelt alsof het TOEN is, is dat geen willekeurige emotie. Ons brein en lichaam zijn meesterlijk in het bewaren van ervaringen, vooral die uit onze vroegste maanden en jaren, toen woorden nog niet bestonden en logisch nadenken nog niet mogelijk was.
Vroege ontwikkeling en trauma
Vanaf de baarmoeder en de eerste levensjaren wordt ons brein gevormd door ervaringen die we niet rationeel begrijpen. Stress, verlies of angst in deze periode worden opgeslagen niet als verhaal, maar als lichaamsherinnering.
Stel je voor: een foetus verliest een tweelinghelft in de baarmoeder. Er is paniek, verlies, intense fysieke ervaring — en het lichaam registreert dat diep.
Dat kleine kind kan er niets tegen doen. Er is zelfs geen ouder die het kan troosten. Het brein ontwikkelt overlevingsmechanismen: manieren om het te overleven zonder te begrijpen wat er gebeurt.
Deze vroege trauma’s vormen een blijvende indruk in het zenuwstelsel. Zelfs vijftig jaar later kan een klein signaal in het NU — een opmerking, een dreiging, een conflict — datzelfde alarm af laten gaan.
Implicit memory: het lichaam herinnert
Ons lichaam heeft een geheugen dat ouder is dan ons bewustzijn: implicit memory.
Je herinnert je misschien niet bewust wat er gebeurde, maar je lijf wel.
Hartslag, ademhaling, spanning in spieren, knopen in de maag: dat zijn de echo’s van TOEN.
Deze herinneringen kunnen worden getriggerd door schijnbaar onschuldige signalen, zoals het gevoel dat iemand je misschien in de steek laat.
Hieruit volgt iets cruciaals: je reageert NU alsof je TOEN was, omdat je lichaam het verschil niet altijd kan maken. De volwassen jij weet rationeel dat er niets ernstigs gebeurt, maar je zenuwstelsel reageert automatisch.

Overlevingsmechanismen
Toen kon je niet anders dan vechten, vluchten, bevriezen of hyperalert zijn. Deze mechanismen waren perfect om te overleven in een omgeving waar je kinderlijke lijf en geest machteloos waren.
=> Vechten: actief reageren op dreiging om jezelf te beschermen.
=> Vluchten: fysiek of emotioneel afstand nemen.
=> Bevriezen: jezelf stijf maken of stil worden, zodat de dreiging je voorbij lijkt te gaan.
=> Hyperalertie: constant scannen van de omgeving voor gevaar.
Nu, als volwassene, zijn dezelfde mechanismen vaak overdreven of contraproductief. Een klein conflict op werk of een lichte dreiging in een relatie kan een paniekreactie veroorzaken, alsof je terug in de baarmoeder bent, terwijl er rationeel geen gevaar is.
Het lichaam als archiveerder
Trauma in het vroege leven kan zelfs celniveau-implicaties hebben (epigenetica). Onderzoek toont aan dat stresshormonen en traumatische ervaringen genexpressie kunnen beïnvloeden, waardoor stressreacties sneller en sterker geactiveerd worden, zelfs generaties later.
Je zou kunnen zeggen: je lichaam draagt het verleden met zich mee, alsof het voortdurend fluistert: “Let op, gevaar dreigt!”
Het verschil tussen TOEN en NU moet bewust worden gemaakt, anders blijf je leven als het kind dat niet kon overleven, en reageert je lichaam zoals toen.
KORTOM: De kern is dat je lichaam en brein niet liegen; ze doen precies wat ze ooit moesten doen om jou te beschermen. Het enige wat nu anders is: jij kunt het ervaren, erkennen en troosten, in plaats van erdoor beheerst te worden.
Het onderscheid tussen TOEN en NU
Wanneer mensen zeggen: “Ik weet wel dat het nu anders is, maar het voelt niet zo”, zeggen ze iets heel precies. Het is niet hun verstand dat in de war is, het is hun zenuwstelsel. Er zijn als het ware twee werkelijkheden tegelijk actief: die van TOEN, en die van NU.
Het innerlijke kind
In de psychologie wordt vaak gesproken over het innerlijke kind. Dat is geen metafoor voor zwakte of onvolwassenheid, maar voor dat deel in ons dat gevormd is voordat we woorden, logica en overzicht hadden. Het innerlijke kind leeft in sensaties, emoties en directe betekenissen: veilig of onveilig, verbonden of alleen.
Dit getraumatiseerde, kindlijke deel draagt de ervaringen van TOEN. Het ervaart nog hoe het was om afhankelijk te zijn, om niet te kunnen vluchten, niet te kunnen spreken, niet te kunnen begrijpen. Als daar angst, verlies of verlating was, dan heeft het geleerd: dit is levensgevaarlijk.
En dat innerlijke kind is niet verdwenen. Het leeft voort in het lichaam.
Hoe TOEN zich voordoet als NU
Het lastige is: het innerlijke kind kent geen tijd. Het maakt geen onderscheid tussen verleden en heden. Zodra een situatie lijkt op toen — een verhoogde stem, een afstandelijke blik, een niet-beantwoorde app — slaat het alarm aan.
Daarom kan het NU eruitzien als een herhaling van TOEN:
– Een lichte dreiging voelt als totale verlating.
– Een conflict voelt als existentieel gevaar.
– Een misverstand roept paniek, schaamte of woede op die buiten proportie lijkt.
Niet omdat iemand zich aanstelt, maar omdat het lichaam reageert vanuit een oud script. Elke cel zegt: dit hebben we eerder meegemaakt, en toen was het niet te doen.
De volwassene in ons
Naast het innerlijke kind is er nog een ander deel: de volwassene. De volwassene is er, omdat we op ons 23ste een volgroeide prefrontale ortext hebben, die de regie heeft. Dit is het deel dat kan overzien, relativeren, onderscheid maken. De volwassene leeft in tijd: die weet dat het nu 2026 is, dat je 50 bent, dat je opties hebt, dat je kunt blijven, weggaan, spreken, steun zoeken. De volwassene weet dat hij het hier en nu aankan!
Maar in momenten van activatie — wanneer het zenuwstelsel in paniek schiet — wordt de volwassene vaak naar de achtergrond geduwd of per direct monddood gemaakt. Dan neemt het innerlijke kind het stuur direct en onmiddellijk weer over, niet uit zwakte, maar uit noodzaak.
Het werk zit niet in het wegduwen van dat kind, maar in het activeren van de volwassene.
Het echte onderscheid
Genezing zit niet in herbeleven of blijven begrijpen wat er toen gebeurde, maar in het helder onderscheiden:
TOEN was ik klein, afhankelijk en machteloos.
NU ben ik volwassen, draagkrachtig en niet alleen.
Dit onderscheid is geen gedachte, maar een ervaring die opnieuw moet worden gevoeld en verankerd. Pas wanneer het lichaam merkt dat het NU anders is dan TOEN, kan het alarm langzaam uit. Dat is veel oefenen en hard werken, want het kind heeft veel meer ervaring dan de volwassene. [Lees ook: de-kracht-van-40-dagen/]
De volwassene hoeft het innerlijke kind niet te corrigeren of weg te redeneren. Die hoeft maar één ding te doen: blijven, aanwezig zijn, en zeggen — niet in woorden maar in houding — “Ik ben hier. Dit kunnen we aan.” De volwassene neemt het kind op de arm en troost het en kalmeert het.
Filosofische reflectie
Misschien is volwassen worden wel precies dit: niet vrij zijn van het verleden, maar het dragen zonder erin te verdwijnen. Niet ontkennen dat TOEN nog meespeelt, maar weigeren om het NU erdoor te laten regeren.
Het verleden verdwijnt niet. Maar het hoeft / mag ook niet meer de toekomst te bepalen.
Praktische implicaties: van overleven naar aanwezig zijn
Weten dat TOEN doorwerkt in het NU is één ding. Het ook herkennen terwijl het gebeurt, is iets anders. Toch begint precies daar de verschuiving: niet bij begrijpen, maar bij opmerken.
Hoe je het innerlijke kind herkent
Het innerlijke kind kondigt zich zelden aan met woorden. Het laat zich zien in plotselinge, intense reacties die het moment lijken te overspoelen: je blik vernauwt zich, het contact met het hier en nu verdwijnt, je stem wordt hoger, etc.
Maar je herkent het ook vaak aan:
– Emoties die groter zijn dan de situatie lijkt te rechtvaardigen
– Een gevoel van urgentie: dit moet nú opgelost worden
– Fysieke signalen: spanning op de borst, knoop in de maag, kortademigheid, bibberen
– Gedachten die absoluut klinken: ik sta er alleen voor, dit gaat mis, ik word verlaten
Dit zijn geen zwakheden. Het zijn oude beschermingsmechanismen die ooit noodzakelijk waren. Het innerlijke kind roept niet om oplossingen, maar om veiligheid, om troost en bescherming.
Het onderscheid maken tussen TOEN en NU
De cruciale stap is niet het analyseren van de emotie, maar het scheiden van tijdlagen. Het lichaam ervaart TOEN; jij kunt NU herkennen.
Dat onderscheid begint in het lichaam:
– Door bewust te ademen: langer uitademen dan inademen helpt het zenuwstelsel te kalmeren.
– Door contact te maken met fysieke realiteit: voeten op de grond, de stoel onder je, geluiden in de ruimte. (zintuigen inzetten)
– Door rond te kijken en voor jezelf op te merken: ik ben hier, ik ben volwassen, dit is nu.
Mindfulness en lichaamsbewustzijn werken hier niet als ontspanningstechniek, maar als oriëntatie-instrument: waar ben ik, hoe oud ben ik, wat is er werkelijk aan de hand?
Troosten zonder te verdwijnen
Veel mensen maken hier een subtiele vergissing. Ze proberen het innerlijke kind te overrulen met ratio, of ze verdwijnen erin door het volledig te volgen.
Troosten is iets anders.
Het betekent:
– De angst erkennen zonder hem de leiding te geven
– De emotie er laten zijn, zonder ernaar te handelen
– Innerlijk zeggen: ik zie je, je hoeft het niet alleen te doen
Het babytje in jou hoef je niet te genezen, alleen te vergezellen. De volwassene blijft aan het stuur.
Integratie: leven vanuit het NU
Wanneer dit vaker gebeurt, verandert er iets fundamenteels. Je leert dat emoties kunnen opkomen zonder dat ze de werkelijkheid dicteren. Dat paniek geen voorspelling is. Dat angst geen bewijs is. Angst is een slechte raadgever.
Je gaat patronen herkennen:
– Bindingsangst: nabijheid roept oude dreiging op, afstand lijkt veiliger
– Paniek bij kleine dreiging: een conflict voelt als existentieel gevaar
– Hyperalertie: constant scannen of het veilig blijft
– Perfectionisme: alles onder controle houden om afwijzing te voorkomen
Deze patronen verliezen hun macht niet door strijd, maar door herkenning en herhaalde blijvende aanwezigheid in het HIER en NU.
Wat er dan ontstaat
Misschien is volwassen zijn niet dat je geen angst meer voelt, maar dat je angst kunt dragen zonder erin te verdwijnen. Dat je kunt blijven staan waar je vroeger moest overleven.
Het innerlijke kind hoeft niet weg. Het hoeft alleen niet meer alleen te zijn.
Filosofische reflectie: tijd, zelf en identiteit
We denken vaak dat tijd iets is wat buiten ons ligt. Iets wat meetbaar is, lineair, voortschrijdend. De klok tikt, de jaren verstrijken, het verleden ligt achter ons. Maar ons lichaam kent een andere tijd. Voor het zenuwstelsel is tijd geen rechte lijn, maar een landschap waarin oude paden nog steeds begaanbaar zijn.
Het verleden leeft niet alleen in herinneringen, maar in spierspanning, ademhaling, hartslag. In de manier waarop we ons schrap zetten, zelfs als er objectief niets te vrezen valt. Ons lijf draagt sporen van wat ooit nodig was om te overleven. In die zin is tijd geen abstract begrip, maar een fysieke ervaring.
Het lichaam als tijdcapsule
Elke ervaring die te groot was om te bevatten, werd niet afgesloten, maar opgeslagen. Niet als verhaal, maar als staat van zijn. Angst werd paraatheid. Verdriet werd terugtrekking. Onveiligheid werd controle.
Zo bezien zijn we allemaal tijdreizigers. We lopen rond in lichamen die ouder zijn dan onze bewuste herinneringen. Soms reageren we niet vanuit wie we nu zijn, maar vanuit wie we ooit moesten zijn om te blijven bestaan.
Dat verklaart de spanning die veel mensen voelen tussen weten en voelen. We weten dat het nu veilig is, maar voelen ons onveilig. We weten dat we volwassen zijn, maar reageren als een kind. Dat is geen zwakte, maar de botsing tussen historische overleving en hedendaags functioneren.
Overleven is geen identiteit
Wat ooit werkte, wordt gemakkelijk wie we denken te zijn. De alerte, de sterke, de zelfstandige, de perfectionist. Overlevingsstrategieën verharden tot identiteit.
Maar overleven is een toestand, geen karaktereigenschap. Het is iets wat we deden, niet wie we zijn.
Vrijheid begint misschien wel bij het losmaken van die verwarring. Niet door het verleden uit te wissen, maar door het op zijn plek te zetten in de tijd. Dit gebeurde toen. En ik leef nu.
Volwassenheid als aanwezigheid
Volwassen zijn betekent niet dat het innerlijke kind zwijgt, maar dat het niet langer alleen is. Dat er een deel in ons is dat kan blijven staan terwijl de oude angst opkomt. Dat kan voelen zonder te verdwijnen. Dat kan kiezen, ook als het lijf protesteert.
Aanwezig zijn in het NU is dan geen vanzelfsprekende staat, maar een bewuste daad. Steeds opnieuw. Het is het vermogen om het lichaam mee te nemen in de tijd, om het te laten ervaren dat de wereld veranderd is.
Misschien is dat de diepste vorm van vrijheid: niet vrij zijn van het verleden, maar vrij ten opzichte van het verleden. Het kunnen dragen zonder erdoor geleid te worden.
Een ander begrip van identiteit
Als we dit serieus nemen, verandert ook hoe we naar onszelf en elkaar kijken. Mensen zijn niet hun reacties. Niet hun paniek, niet hun terugtrekking, niet hun woede. Dat zijn echo’s, geen definities.
Identiteit wordt dan iets vloeibaars: het punt waar geschiedenis, lichaam en bewustzijn elkaar ontmoeten. En waar, soms heel even, ruimte ontstaat om anders te reageren dan vroeger.
Niet omdat het verleden voorbij is, maar omdat het NU eindelijk wordt bewoond.
Kortom: wandelen in het NU
Het NU blijkt vaak minder nieuw dan we denken. Wat we voelen, hoe we reageren, waar we van schrikken of aan vastklampen, zijn niet zelden echo’s van TOEN. Ons lichaam herhaalt wat ooit nodig was om te overleven, ook al leven we inmiddels in een andere tijd, met andere mogelijkheden.
Dat inzicht kan confronterend zijn, maar ook bevrijdend. Want als het NU soms TOEN is, betekent dat niet dat we vastzitten. Het betekent dat er iets in ons aandacht vraagt. Iets ouds, iets kwetsbaars, dat niet langer alleen hoeft te zijn.
Volwassen worden in dit licht betekent niet dat het innerlijke kind moet verdwijnen. Integendeel. Het vraagt om compassie: het erkennen van wat er was, zonder het te veroordelen of te dramatiseren. Maar ook om begrenzing. Het kind mag spreken, voelen, huilen — het hoeft niet te beslissen.
De volwassene in ons kan luisteren én leiden. Kan zeggen: ik zie je, en tegelijk: we zijn hier nu. Dat is geen eenmalige keuze, maar een beweging die zich steeds opnieuw voltrekt, soms moeizaam, soms verrassend vanzelf.
Misschien is dat wat heling werkelijk is: niet het wissen van het verleden, maar het meenemen ervan in het heden in de juiste proporties: het kind gedragen door mij als de volwassene. Met open ogen, vaste voeten, en het besef dat we nu meer kunnen dragen dan toen.
Het verleden mag er zijn.
Maar wij wandelen nu.
Stevig. In het heden.
LEES OOK:
* uit-een-complex-komen-in-het-hier-en-nu/
* stukjes-van-je-ziel-terughalen/
* angst-is-een-slechte-raadgever/
* mijn-gewond-kinddeel/