Van wie is dit gevoel – projectie
Er gebeurt iets in mijn lichaam terwijl een client praat. Een druk achter het borstbeen. Een verdriet dat opkomt nog voordat ik weet waar het vandaan komt. En dan is er de vraag die niemand me ooit heeft leren stellen, omdat de hele opleiding ervan uitging dat het antwoord vanzelf spreekt: van wie is dit?
Het lichaam zegt het niet. Dat is het probleem onder alle andere problemen. Het verdriet komt op, scherp en echt, maar het draagt geen afzender. Het zou van haar kunnen zijn — iets wat zij meebracht en wat mijn zenuwstelsel oppikte voordat mijn hoofd erbij was. Het zou van mij kunnen zijn — een oude pijn die zij per ongeluk heeft aangeraakt en die nu doet alsof ze over haar gaat. Van binnenuit voelen die twee precies hetzelfde. Daar begint dit stuk. Niet bij de vraag of een coach projecteert, maar bij het feit dat ze van het ene moment op het andere niet kan weten of wat ze voelt over de ander gaat of over zichzelf.
Projectie is geen fout
We praten over projectie alsof het een misstap is. Iets wat een goede coach niet doet en een slechte wel. Doe je eigen werk, luidt de regel, dan projecteer je niet meer. Alsof er een staat bestaat — gezuiverd, klaar — waarin je de ander eindelijk ziet zoals hij is.
Die staat bestaat niet. Carl Jung heeft het zo grondig gezien dat het bijna ongemakkelijk is hoe weinig ermee gedaan wordt: alles wat onbewust in ons is, wordt geprojecteerd. Niet soms. Altijd. Het is niet zo dat ik nu en dan in de fout ga en iets van mezelf op een ander leg. Het is zo dat ik de wereld überhaupt waarneem door een psyche die voor een groot deel zichzelf niet kent, en alles wat ze van zichzelf niet kent, ziet ze buiten zich — helder, levendig, vaak met lading. Projectie is niet de uitzondering op het waarnemen. Het is de grondvorm ervan.
Dat verandert de vraag. De vraag is niet: projecteer ik? Want ja. De vraag is: wat doet deze projectie hier — werkt ze voor de client, of voor mij? En die vraag is oneindig veel moeilijker, omdat hij niet met goede wil te beantwoorden is. Goede wil is juist wat hem dichtsmeert.
De wond is het instrument, niet de fout
Het goedkope antwoord ligt klaar en ik wil het meteen wegtrappen, want het houdt zich al jaren staande in supervisiekamers: als jij op een bepaald gebied zelf een onverwerkte wond hebt, dan projecteer je daar. Verlating, afwijzing, niet gezien zijn — heb je dat zelf gekend, dan moet je extra oppassen, want daar zie je spoken.
Het is niet waar. Of preciezer: het is precies verkeerd om. Wat je zelf hebt geleden is juist wat je het scherpst waarneemt in een ander. Een coach die de verlating tot op de bodem heeft gekend, leest verlating in een kamer voordat de client zijn jas heeft uitgedaan. Ze ruikt het. Niet omdat ze het verzint, maar omdat haar lichaam de vorm ervan kent van binnenuit. De wond is niet de stoorzender op de lijn. De wond is de antenne.
Dus de stelling “jij hebt daar zelf iets, dus jij projecteert” deugt niet. Als ze klopte, zou de beste coach iemand zijn die nooit iets heeft meegemaakt — en dat is precies het tegenovergestelde van wat waar is. De vraag waar het werkelijk om draait is niet óf ik een wond heb op dit terrein. Die heb ik, en die heb ik nodig. Bovendien kun je alléén van je wonden vruchten dragen. De vraag is wat er met die wond is gebeurd. Of ik er doorheen ben gezakt, of dat ze nog open onder de oppervlakte ligt te wachten op iemand die haar voor mij komt invullen. Daar zit het verschil. Niet in het hebben van de wond. Maar wat ik ermee heb gedaan!
Eén gevoel, drie afkomsten
Voor ik bij dat verschil kom, moet ik het waarnemingsprobleem eerlijk maken, want het is erger dan twee mogelijkheden.
Dat verdriet achter mijn borstbeen kan uit drie bronnen komen, en alle drie voelen ze identiek.
De eerste is resonantie: ik vang haar toestand op, lijfelijk, rechterbrein op rechterbrein, voordat er een woord is gevallen. Schore heeft die laag in kaart gebracht — het is dezelfde bedrading waarmee een baby de toestand van zijn moeder overneemt, en ze verdwijnt nooit, we blijven elkaars zenuwstelsels lezen ons leven lang. Als ik haar verdriet voel, is dat geen verbeelding. Het is waarneming, alleen niet via mijn ogen maar via mijn lijf.
De tweede bron is projectie in de eigenlijke zin: mijn eigen ongevoelde verdriet, dat zij heeft aangeraakt, en dat zich nu voordoet als kennis over haar. Het komt op met dezelfde scherpte als de resonantie. Het lichaam onderscheidt ze niet.
En er is een derde, die de tweedeling stuk maakt en die in de coachingswereld te weinig wordt genoemd: wat de client in mij legt. Projectieve identificatie heet dat in de dieptepsychologie — de client draagt iets wat hij zelf niet kan voelen over aan mij, lijfelijk, en ik voel het alsof het van mij is, terwijl het van hem is en hij het kwijt moest. Dan voel ík de woede die hij niet mag voelen. De wanhoop die hij heeft weggelegd. Het is van hem, het arriveert in mij, en het voelt als mijn eigen toestand.
Drie afkomsten. Eén signaal in het lichaam, zonder etiket. Hier is waarom “wanneer wel en wanneer niet” geen vraag is met een net antwoord: je staat in de kamer met een gevoel waarvan je de herkomst niet kunt aflezen, en je moet toch handelen. Iedereen die je een schoon onderscheid belooft, verkoopt je gemoedsrust in plaats van waarheid.
Het verschil zit in de haast
Toch is er iets wat onderscheidt, en het is niet cognitief. Het zit in het tempo en in de behoefte.
Projectie heeft haast. Als wat ik in de client zie eigenlijk van mij is, dan zit er een drang aan vast die niet bij háár ritme past. Ik moet het benoemen. Ik moet dat zij het ziet. Er is een lichte, soms onmerkbare aandrang om haar naar de plek te brengen waar ik de pijn heb gelokaliseerd — niet omdat zij eraan toe is, maar omdat het in mij staat te dringen om eruit te mogen. Waarneming die klopt heeft die haast niet. Ze kan wachten. Ze kan wat ze ziet vasthouden zonder dat de client het bevestigt, dagen desnoods, zonder spanning. Ze hoeft niet bevestigd te worden om te kunnen blijven bestaan.
En er is een lijfelijke tel die bijna nooit liegt: opluchting. Als ik iets benoem en ik voel zelf verlichting — niet zij, ík — dan was ik het aan het dragen. Dan heb ik het in haar gelegd en is het uit mij weggevloeid, en die uitstroom voelt als opluchting. Echte waarneming lucht niet op. Na een rake observatie zie ik de client scherper en blijf ik zelf onveranderd. Na een projectie zie ik haar troebeler en voel ik mij lichter. De richting van de verlichting verraadt wie hier eigenlijk werd geholpen.
Bert Hellinger zou zeggen dat ik dan mijn plek heb verlaten. De plek van de coach is naast, niet in. Op het moment dat ik de client gebruik om mijn eigen lading te reguleren, ben ik in haar proces geklommen als hoofdpersoon, en heb ik onder de tafel de balans omgedraaid: ik lijk te geven, maar ik neem — ik neem van haar de ruimte om mijn eigen onverdraaglijke ding kwijt te kunnen. Dat is de stilste vorm van projectie en de schadelijkste, omdat ze eruitziet als toewijding.
Waarom ze door mij heen wil
Nu de wortel onder de wortel. Waarom legt een coach haar ongevoelde ding überhaupt in een ander? Niet uit slordigheid. Uit iets dwingenders.
Wat niet gevoeld is, zoekt voltooiing. Een pijn die ik nooit tot op de bodem heb gemaakt, blijft in mij rondtasten naar een uitweg, en het onbewuste is vindingrijk: het ensceneert zijn eigen thema in de buitenwereld, keer op keer, tot er bewustzijn op komt. Daarom blijf ik, als coach, mijn eigen onvoltooide ding tegenkomen — niet omdat de wereld er vol van is, maar omdat ik het meeneem en het zich aan mij blijft voordoen tot ik het thuis ga voelen. En een client is een gevaarlijk goed toneel. Als ik mijn verlating nooit helemaal heb gerouwd, ga ik haar willen helen in hém. Want hem helen voelt bijna als het zelf voelen — en het is goedkoper, het kost mij de afdaling niet.
Dat is het scharnier. Onverlate waarneming — zien zonder te projecteren — vraagt dat ik zelf al ben afgedaald. Dat ik mijn eigen versie van wat ik bij de ander zie, tot op de grond heb gevoeld en gerouwd. Dán kan ik het in de client zien zonder er iets mee te hoeven. Dan is het informatie, geen opdracht. Maar zolang mijn eigen laag onaangeraakt is, wordt diezelfde waarneming een dwang om te fixen — en die dwang om te fixen is de handtekening van de projectie. Niet het zien. Het moeten ingrijpen.
John Welwood noemde een verwante beweging spiritueel bypassen: inzicht, taal, methode gebruiken om boven je eigen onafgemaakte pijn te blijven hangen. Een coach kan haar hele vakmanschap zo gebruiken. De modellen, de begrippen, de scherpte van de analyse worden dan niet het graafgereedschap maar het deksel. Hoe meer ik weet, hoe makkelijker ik mijn eigen bodem kan vermijden door anderen naar de hunne te wijzen. Expertise is een uitstekende schuilplaats.
De gevaarlijkste coach is de zekere
Hier draait het tegen de gangbare wijsheid in. De coach die je het meest moet wantrouwen is niet de twijfelende. Het is degene die zeker weet dat ze niet projecteert.
Kazimierz Dąbrowski beschreef groei als een uiteenvallen — dat een mens pas verder komt door de oude, gladde ordening te laten kraken, het innerlijke conflict toe te laten, opnieuw te moeten worden. Een coach die meent te zijn aangekomen, die haar werk heeft gedaan en nu integer en heel aan de andere kant staat, heeft geen innerlijke wrijving meer over. En juist die wrijving is haar alarmsysteem. Wie nog in haar eigen ontmanteling staat, wie nog regelmatig op een onverwachte plek in zichzelf stuit, heeft een levend signaal: ze voelt het wanneer iets in haar oplicht bij een client, en ze kan zich afvragen van wie het is. De coach die niets meer voelt oplichten — omdat ze meent klaar te zijn — heeft die vraag uitgezet. En een uitgezette vraag is precies de toestand waarin projectie ongezien zijn gang gaat.
Daarom is het doel niet een projectievrije staat. Die is er niet, en het najagen ervan maakt de zaak erger, want het levert een coach op die overtuigd is van haar eigen helderheid. Het doel is een open lijn naar het eigen onbewuste die nooit dichtgaat. Niet: ik heb mijn werk gedaan. Maar: ik ben nog steeds aan het werk, en dat ben ik mijn leven lang. De zin “ik projecteer hier niet” is, hoe vaker ze met stelligheid wordt uitgesproken, des te zekerder het teken dat er iets niet gevoeld wordt.
Je weet het achteraf, in je lijf
Wanneer is het dan wél projectie en wanneer niet? Ik kan geen regel geven die in het moment werkt, en ik wil er ook geen verzinnen, want elke regel die ik zou geven, zou je dezelfde valse gemoedsrust verkopen waar dit stuk tegen begon.
Wat ik wel weet is dat je het meestal pas achteraf vindt, en niet in je hoofd maar in je lichaam. Loop ik na afloop lichter de kamer uit, opgelucht, ontladen — dan heb ik waarschijnlijk iets bij de client achtergelaten dat van mij was. Zie ik de client scherper en ben ik zelf onveranderd, draag ik mijn eigen ding nog precies even zwaar als toen ze binnenkwam — dan heb ik waarschijnlijk gezien wat er was, zonder het te gebruiken. De richting van mijn eigen verlichting is eerlijker dan elke overtuiging die ik onderweg had.
En soms kom je er nooit achter. Soms vraagt een client je of je niet aan het projecteren bent, en je kunt het niet weten — want zij kan het zeggen om iets bij zichzelf buiten de deur te houden, en ze kan tegelijk gelijk hebben. Dat allebei waar kan zijn, op hetzelfde moment, is geen reden om in een van beide te vluchten. De makkelijke uitweg is de zekerheid dat zij zich verdedigt. De andere makkelijke uitweg is de zekerheid dat ik mezelf heb betrapt. Beide sluiten de vraag. Het werk is om hem open te houden — om in de kamer te kunnen staan met een gevoel waarvan ik de afkomst niet ken, en niet weg te rennen in de geruststelling dat ik weet van wie het is.