Verdriet slinkt niet. Het vraagt een bedding
Een mens wordt onaf geboren. Een veulen staat binnen het uur op eigen benen; een kind heeft jaren nodig waarin een ander lichaam doet wat het eigen lichaam nog niet kan: warm houden, voeden, en ook tot rust brengen. Dat laatste wordt makkelijk onderschat. Een baby kan zijn eigen opwinding niet dempen. Het deel van het brein dat dat moet gaan doen, de prefrontale cortex, rijpt door tot ver na het twintigste jaar. In de tussentijd leent het kind het zenuwstelsel van zijn ouders. Hechting is daarmee een biologische constructie voordat ze een gevoel is: de binnenwereld van het kind wordt in die van de ouder afgemaakt.
Wie zo gebouwd is, verliest bij elk verlies ook een stuk van de constructie waarin hij zichzelf in stand hield. Verdriet is wat de hechting doet wanneer datgene waaraan ze vastzat wegvalt. De band houdt bij afwezigheid niet op; ze blijft reiken, en dat reiken in het lege doet pijn. De omvang van verdriet is daarom gelijk aan de omvang van wat ertoe deed. Het zou alleen kunnen slinken als de band achteraf minder werd.
Er is een tweede soort verlies, moeilijker te herkennen omdat er nooit iets is weggevallen. Een kind kan iets gekregen hebben dat het op dat moment niet nodig had: overspoeling, een beroep op zijn zorg, de stemming van een ouder. Of het heeft niet gekregen wat het op dat moment wel nodig had: een blik, een arm, iemand die bleef. Ook daar reikt de hechting in het lege. Dit verdriet heeft geen datum en geen graf, en het wordt later zelden verdriet genoemd. Het heet dan vermoeidheid, onrust, of het gevoel dat er iets ontbreekt zonder dat je weet wat.
Een golf die niet af mocht
In het lichaam is verdriet een beweging met een verloop. Het komt op, zwelt aan, bereikt een hoogtepunt, er komen tranen, de adem verdiept zich, en dan zakt het. Na afloop is het lichaam zachter en moe; het zenuwstelsel schakelt naar rust. Bij een kind dat wordt vastgehouden zie je dit in een paar minuten gebeuren: ontroostbaar, en dan opeens klaar, soms in slaap.
Dat verloop kan een kind alleen afmaken in aanwezigheid van iemand die zelf rustig blijft. De arm, de stem en de ademhaling van de ouder vormen de oevers waarbinnen de golf kan stijgen zonder het kind te overspoelen. Dat is de bedding. Ontbreekt ze, omdat de ouder er niet is, het verdriet niet verdraagt, zelf overspoeld raakt, het wegwuift of bestraft, dan staat het kind voor iets dat groter is dan zijn systeem aankan. Het lichaam grijpt in. De adem wordt ingehouden, keel en borst trekken samen, de beweging wordt halverwege stilgezet. Wat niet af kon, wordt bewaard.
Dat ingrijpen is intelligent. Een organisme dat overspoeld dreigt te raken beschermt zich, en bewaart het onaffe tot er omstandigheden zijn waarin het wel kan. Het kind trekt er ook een conclusie uit die nergens in woorden staat maar in zijn lichaam gaat wonen: dit gevoel is gevaarlijk, en hiermee ben ik alleen.
Wat wegstoppen kost
Het bewaarde verdriet ligt niet stil. Een onderbroken beweging blijft aandringen op voltooiing, en wegstoppen is dus een activiteit: spieren die aangespannen blijven, een adem die hoog blijft, aandacht die steeds wegstuurt. Dat kost energie, elke dag, en de rekening loopt op. Alles wat aan het verdriet zou kunnen raken, moet namelijk ook vermeden worden. Tederheid is riskant, omdat tederheid het lichaam zacht maakt. Stilte is riskant. Een afscheid, een film, een kind dat huilt, een partner die dichtbij komt. Zo wordt het verdriet groter zonder dat het zelf verandert: het gebied dat eromheen moet worden afgezet breidt zich uit, en het leven dat overblijft wordt smaller.
Het zenuwstelsel kan daarbij niet kiezen wat het dempt. Wie verdriet op afstand houdt, houdt gevoel op afstand, en merkt op den duur dat ook vreugde vlakker wordt. Veel van wat somberheid of leegte heet, is de prijs van die demping.
En het stolt. Verdriet dat niet kan stromen neemt een vastere vorm aan, en wrok is de bekendste. Verdriet heeft geen schuldige nodig, wrok wel: waar binnen geen oevers zijn, zoekt de lading een richting naar buiten, en verwijt is beter te verdragen dan gemis. Wrok doet nog iets. Wie boos blijft op zijn vader, is elke dag met zijn vader bezig. De band wordt vastgehouden in de enige vorm die geen pijn lijkt te doen. Dat maakt wrok zo hardnekkig: wie haar loslaat, komt uit bij het afscheid dat ze uitstelde. Hardheid, cynisme, controle en het onvermogen om te ontvangen zijn stolvormen van dezelfde stof.
De volwassene die op de drempel verdwijnt
Decennia later, met een volgroeid brein, een leven en bewezen draagkracht op allerlei terreinen, deinst dezelfde mens terug voor dat oude verdriet alsof hij nog vier is. “Het is te groot voor mij.”
Dat komt door de manier waarop het is opgeslagen. Het gewone geheugen bewaart een gebeurtenis met een plaats en een tijd: dat was toen, daar. Wat in overspoeling wordt opgeslagen, komt terecht in het impliciete geheugen, als lichaamstoestand, zonder tijdsaanduiding. Wordt het aangeraakt, dan dient het zich aan als iets van nu. Met het verdriet komt ook de inschatting van destijds mee naar boven, want die hoorde bij dezelfde toestand. De schatting “te groot” is gemaakt met kindermaten, door een kind dat alleen was, en ze was juist. Ze is alleen nooit herzien, omdat herzien zou vragen dat je er dichtbij komt.
Daar komt een tweede mechanisme overheen. Het naderen van het oude verdriet registreert het lichaam als gevaar, en onder gevaar geeft de prefrontale cortex het stuur uit handen aan oudere, snellere systemen. Het deel van jou dat weet hoe oud je bent, dat overzicht heeft, dat kan zeggen “dit is een herinnering”, valt weg op het moment dat je het nodig hebt. Je vergeet dat je volwassen bent, in letterlijke zin: de toegang tot die wetenschap wordt tijdelijk dichtgezet.
Daaruit volgt iets over de volgorde. De bedding moet er zijn voordat het verdriet wordt aangeraakt. Ze wordt gebouwd in het lichaam: voeten die de vloer voelen, een adem die laag kan worden, ogen die de kamer zien waarin je nu bent. Zolang dat contact met het heden blijft, blijft de prefrontale cortex erbij. Soms lukt dat alleen in aanwezigheid van een ander, een rustig zenuwstelsel in dezelfde ruimte. Met kinderlijkheid heeft dat weinig te maken: het vermogen om van een ander rust te lenen houdt een mens zijn leven lang, en wat als kind nooit geleend kon worden, wordt later vaak alleen zo geleerd. Eerst samen, dan alleen.
Wat dragen is
Met denken of wilskracht heeft dragen weinig te maken. Het lijkt het meest op wat de ouder had moeten doen: erbij blijven zonder er iets mee te doen. Geen oplossing zoeken, geen verklaring, geen betekenis; de golf laten stijgen en er zelf bij aanwezig blijven. Dat vraagt een dubbele aanwezigheid. Eén deel voelt wat het kind voelde, met de hevigheid van toen. Een ander deel zit ernaast en weet welk jaar het is. Valt het tweede weg, dan wordt het herbeleven, en bevestigt het lichaam zijn oude conclusie dat dit niet te doen is. Valt het eerste weg, dan wordt het praten over verdriet, jarenlang soms, zonder dat er iets in beweging komt.
Wie het zo toelaat, ontdekt meestal iets dat het kind niet kon weten: de golf heeft een einde. Ze komt op, is heftiger dan gevreesd of juist minder, en zakt na minuten. Wat ondraaglijk leek, was voor een groot deel de inspanning van het tegenhouden en de paniek van het alleen-zijn ermee. Er komen meer golven, dagen en maanden later. Er ligt veel.
In die aanwezigheid gebeurt ook het zien, het herkennen en het op waarde schatten. Zien: dit is verdriet, geen moeheid, geen irritatie. Herkennen: het is van mij en het is oud, ik weet bij wie en bij wat het hoort. Op waarde schatten wordt het vaakst overgeslagen. Verdriet wijst een plaats aan. Wat zoveel pijn doet, stond hoog, en wie zijn verdriet kleineert met “anderen hadden het erger” of “ze deden hun best”, kleineert wat hij miste, en daarmee zijn eigen behoefte als kind.
In families werkt dit door. Wie niet betreurd wordt, krijgt geen plaats, en wat geen plaats krijgt verdwijnt niet uit het systeem. Het onbeweende verdriet van een moeder om een doodgeboren kind, of van een vader om zijn oorlog, wordt gevoeld door een kind dat er uit trouw iets van overneemt. Een deel van het verdriet waar je voor staat kan dus van een ander zijn. Het onderscheid is in het lichaam te merken: eigen verdriet dat gevoeld wordt, verzacht en lucht op; overgenomen verdriet blijft zwaar en komt niet in beweging, hoeveel je er ook om huilt. Het kan alleen met eerbied gelaten worden bij wie het hoort.
Het wachten
Onder de angst ligt nog een reden om het niet te dragen, en die heeft met trouw te maken. Zolang ik het niet zelf draag, blijft de plaats open voor degene die het had moeten doen. Het kind wacht nog op die arm. Zelf de bedding worden betekent die plaats sluiten: erkennen dat vader of moeder niet meer zullen komen om het alsnog te doen, ook als ze nog leven, ook als ze het inmiddels zouden willen. Daarmee geef je een vordering op die terecht was. Tussen ouders en kinderen valt de balans nooit te vereffenen; het kind kan alleen nemen wat er gegeven is, en het tekort laten waar het ontstond. Dit afscheid is vaak het eerste verdriet dat gedragen moet worden, vóór al het andere.
Gebeurt dat niet, dan verplaatst het wachten zich gemakkelijk naar de partner. Wie zijn ongedragen verdriet bij zijn man of vrouw neerlegt met de stille eis “draag jij dit nu”, zet de ander op de plek van de ouder. Een partner kan erbij zijn en zijn rust uitlenen, als gelijke, naast je. Op de ouderplek gezet schiet hij of zij altijd tekort, want de maat waaraan gemeten wordt is de behoefte van een kind. De teleurstelling die volgt voelt als een relatieprobleem en is ouder dan de relatie. En tussen iemand die ouder moet zijn en iemand die kind blijft, verdwijnt de aantrekking die man en vrouw als gelijken tussen zich hebben.
Wie zijn verdriet leert dragen, krijgt er geen kleiner verdriet voor terug. Het blijft zo groot als de band was. Wat verandert is de mens eromheen, en die verandering verloopt zelden geleidelijk: de vorm waarin je jezelf bij elkaar hield, met zijn demping en zijn afgezette gebieden, moet eerst losraken, en dat voelt als achteruitgang voordat het iets anders wordt. Een nieuw verlies raakt bovendien aan al het oude, zodat de vraag of je het kunt dragen nooit definitief beantwoord is. Hoeveel er ligt, weet je ook niet vooraf. Dat blijkt pas onderweg.