Vertrouwen of vertrouwdheid
Wie in een familiebedrijf hoort dat wat daar vertrouwen heet meestal vertrouwdheid is, hoort er al snel een verwijt in. Alsof de warmte aan tafel onecht is, of veertig jaar samen werken niets voorstelt. Dat verwijt zit niet in het onderscheid zelf. Luhmann, die het maakte, zag vertrouwdheid als de voorwaarde voor vertrouwen. Alleen wie in een wereld leeft die grotendeels bekend is, kan het zich veroorloven om op één punt het onbekende in te gaan. Wie niets vertrouwds heeft, kan niet vertrouwen, en ook niet wantrouwen. Hij raakt alleen in paniek.
Dat geldt vanaf het eerste begin. Een baby die steeds dezelfde handen voelt, dezelfde geur ruikt en op hetzelfde ritme wordt gevoed, legt in zijn lichaam een grond aan. Op die grond kan het later iets wagen: een vreemde aankijken, een eerste stap zetten, voor het eerst nee zeggen. Vertrouwdheid draagt een kind door zijn eerste jaren.
Wat in veel familiebedrijven ontbreekt, is wat er op die grond gebouwd had kunnen worden. De grond is de vloer geworden waarop iedereen blijft staan.
Een brein dat voorspelt
Het brein voorspelt voortdurend wat er gaat komen, en vergelijkt dat met wat er binnenkomt. Zolang de voorspelling uitkomt, kost het weinig energie. Pas waar ze niet uitkomt, moet het brein werken: opletten, bijstellen, opnieuw rekenen. Vertrouwdheid is in die taal de toestand waarin bijna alle voorspellingen uitkomen. Daarom voelt ze als rust. Het is de goedkoopste toestand die een brein kent.
Een teleurstelling is een voorspelling die niet uitkomt. Op dat moment zakt de afgifte van dopamine onder het gewone niveau. Dat valt samen met het gevoel dat er iets ontbreekt. Komt de teleurstelling van iemand van wie je afhankelijk bent, dan reageert ook het alarmsysteem dat sociale uitsluiting registreert, en dat deels overlapt met de verwerking van lichamelijke pijn. Een vader die een vraag wegwuift, doet zijn volwassen zoon dus letterlijk iets aan. Daar komt bij dat onzekerheid het lichaam meer stress geeft dan een uitkomst die zeker slecht is. Een tegenvaller die je kent, kost minder dan een die misschien komt.
Vertrouwen vraagt dat je een voorspellingsfout bewust toelaat. Je weet dat het anders kan lopen en je blijft toch openstaan. Dat vraagt het deel van het brein dat afweegt, remt en bijstelt, achter het voorhoofd. Dat deel werkt alleen goed als het lichaam zich veilig genoeg voelt. Onder stress verschuift de regie naar oudere systemen, die op gewoonte draaien. Mensen doen dan wat ze altijd deden, ook als ze weten dat het niet werkt.
In een familiebedrijf is de spanning zelden helemaal weg: er is altijd een opvolging die nadert, een jaarcijfer, een ouder die ouder wordt. Wie daarin leeft, staat voortdurend een beetje onder stress, en valt dus voortdurend een beetje terug op gewoonte. Het brein kiest dan wat het kent. Die keuze is al gemaakt voordat iemand aan tafel zit, in het lichaam.
Wat je nodig hebt om teleurgesteld te kunnen worden
Vertrouwen is een voorschot. Je geeft iets weg op een toekomst die je niet kent, en je kunt het kwijtraken. Luhmann wees erop dat dit alleen kan als iemand een teleurstelling in zichzelf kan opvangen. Wie vertrouwt, moet kunnen verdragen dat het misgaat, zonder dat hij daarmee zelf ten onder gaat. Vertrouwen in een ander rust dus op iets wat in de eigen binnenkant ligt.
Die binnenkant wordt vroeg aangelegd, en anders dan we vaak denken. Onderzoek naar moeders en baby’s laat zien dat het merendeel van hun momenten samen niet goed op elkaar aansluit. De moeder kijkt weg als het kind contact zoekt, ze lacht als het kind schrikt, ze is te snel of te laat. Wat een kind veiligheid geeft, is dat het daarna weer goed komt. Een gezonde band bestaat uit duizenden kleine breuken die worden hersteld. Daar leert een kind iets wat het nergens anders kan leren: dat een teleurstelling overleefbaar is, en dat de verbinding er niet aan kapotgaat.
Bij een kind dat krijgt wat het op dat moment niet nodig had, of niet krijgt wat het wel nodig had, en bij wie dat niet wordt hersteld, slaat de teleurstelling neer als een oordeel over zichzelf: ik ben niet goed genoeg, ik doe er niet toe. Als volwassene raakt elke nieuwe teleurstelling dan aan dat oude oordeel. Een vader die zijn woord niet houdt, een broer die een afspraak vergeet, het antwoord op een vraag dat anders uitvalt dan gehoopt: het gaat dan nooit alleen over de zaak zelf. Wie zo in elkaar zit, kan zich vertrouwen niet veroorloven, omdat hij de prijs ervan niet kan betalen.
Hij heeft twee andere wegen. De eerste is aanpassen: zorgen dat er nooit iets hoeft te worden gevraagd, zodat er ook nooit iets kan tegenvallen. Dat is de vertrouwdheid. De tweede is controle: alles zelf in de hand houden, niets aan een ander toevertrouwen. Dat is wantrouwen, en Luhmann zag ook dat als een manier om een onoverzichtelijke wereld hanteerbaar te maken. Beide wegen vermijden het enige wat vertrouwen vraagt: teleurgesteld kunnen worden en blijven.
Een familie die niet breekt, leert niet herstellen
In een familiebedrijf is een breuk duurder dan elders. Wie op zondag ruzie maakt, staat maandag naast elkaar op de bouw. Wie zijn vader tegenspreekt, spreekt ook zijn werkgever, zijn verhuurder en de grootvader van zijn kinderen tegen. Dus wordt er niet gebroken. Kleine teleurstellingen worden ingeslikt, en wat ingeslikt wordt, wordt ook nooit hersteld. Het blijft liggen, in het geheugen van degene die het slikte.
Zo herhaalt de familie op volwassen leeftijd precies wat er in de vroegste jaren had moeten gebeuren en wat bij velen van hen niet is gebeurd. Er wordt weinig gebroken en dus nooit hersteld. Van buiten ziet dat eruit als harmonie. De families met de rustigste oppervlakte hebben vaak de minste oefening in het goedmaken van iets wat misging.
Dat wreekt zich op het moment dat een breuk niet meer te vermijden is: bij een vraag die toch komt, een overlijden, een opvolging. Niemand aan tafel heeft ervaren dat een breuk tussen deze mensen kan worden hersteld. Daarom voelt de eerste breuk als de laatste. Er komt nog iets bij. Vertrouwen in een persoon is altijd vertrouwen in de hele persoon. Je kunt het niet voor de helft intrekken. Wie zijn vader op één punt niet meer kan geloven, verliest hem in zijn beleving op alle punten tegelijk. Zo kan een familie die veertig jaar geen onvertogen woord kende, binnen een paar maanden niet meer met elkaar praten. Wat er veertig jaar was, was vertrouwdheid, en die houdt in één keer op.

Vertrouwen tussen twee plekken
In een familie staat niemand los. Ieder heeft een plek, en de plek bepaalt mee wat iemand kan geven en wat hij kan nemen. Ouders geven, kinderen nemen. Die richting is niet om te keren. Een kind kan zijn ouders nooit terugbetalen wat het van hen kreeg, het leven allereerst. Het kan het alleen doorgeven, aan zijn eigen kinderen of aan iets anders wat het voortbrengt.
Vertrouwen tussen volwassenen veronderstelt twee mensen die naast elkaar staan, op ongeveer gelijke hoogte. Tussen een vader en een volwassen zoon in hetzelfde bedrijf gaat dat alleen als ze allebei op hun eigen plek staan. Een zoon die nog wacht op wat hij als kind niet kreeg, houdt zijn vader op de plek van degene die nog moet geven. Elke teleurstelling in de zaak wordt dan een herhaling van die oude teleurstelling, en weegt veel zwaarder dan de zaak zelf. Pas als de zoon zijn vader heeft genomen zoals hij is, met wat hij wel en wat hij niet gaf, kan hij hem als volwassene iets toevertrouwen, of iets vragen.
De balans van geven en nemen speelt ook tussen volwassenen. Wie veel heeft ontvangen en niets kon teruggeven, staat in de schuld. Een mens in de schuld kan moeilijk vertrouwen. Het voelt dan alsof hij het recht niet heeft om iets van de ander te verwachten, en zeker niet om iets na te vragen. Een opvolger die een bedrijf kreeg dat hij niet heeft opgebouwd, zit vaak precies daar: hij is dankbaar, hij voelt zich schuldig, en hij vraagt niets.
En dan is er het kind dat te vroeg groot werd: de oudste die een ouder droeg toen die het zelf niet kon. Zo’n kind heeft geleerd betrouwbaar te zijn. Het heeft nooit geleerd te vertrouwen, want er was niemand bij wie het zich kon laten vallen. Als volwassene is het de steunpilaar van het bedrijf, en geeft het zelf niets uit handen. Van buiten heet dat verantwoordelijkheid. Van binnen is het de vorm die een kind vond toen er niemand was om het te dragen.
Een man en een vrouw aan dezelfde tafel
Mannen en vrouwen zoeken vertrouwen op een andere manier. Dat is een van de minst besproken bronnen van spanning in familiebedrijven. Een man voelt zich vertrouwd als een ander erop rekent dat hij het kan: dat hij zijn werk doet, zijn woord houdt, het opgelost krijgt. Vertrouwen betekent voor hem ruimte krijgen. Een vrouw voelt zich vertrouwd als ze gezien en gehoord wordt: als iemand wil weten hoe het werkelijk zit en wat het met haar doet. Vertrouwen betekent voor haar contact.
Aan tafel botsen die twee op een voorspelbaar punt: de vraag. Voor veel vrouwen is een vraag een manier om dichterbij te komen. Ze wil weten hoe het zit, omdat ze erbij wil horen en wil meedragen. Veel mannen horen in dezelfde vraag dat er aan hun kunnen wordt getwijfeld. Een dochter, een schoondochter of een moeder vraagt naar de cijfers om erbij te zijn. Haar vader, man of broer hoort dat ze hem niet vertrouwt. Dan sluit hij af, en zij vraagt verder, of zwijgt voorgoed.
Onder spanning gaan ze ook verschillende kanten op. Bij veel mannen trekt het lichaam zich terug: naar binnen, of naar de werkplaats, de loods, de auto, tot het weer rustig is. Veel vrouwen zoeken juist verbinding: praten, bellen, iemand opzoeken. Hij voelt haar toenadering als druk. Zij voelt zijn terugtrekking als verlating. Allebei worden ze teleurgesteld op een manier die de ander niet bedoelde.
In de meeste familiebedrijven is de mannelijke manier de norm geworden: rekenen op elkaar, niet te veel vragen, het werk laten spreken. De vrouwelijke beweging, de vraag naar hoe het werkelijk zit, krijgt daar geen plek. Ze komt dan via omwegen naar binnen, via de keukentafel en via de partner. Daarmee mist het bedrijf juist de beweging die vertrouwdheid kan openbreken. Vertrouwen tussen volwassenen heeft beide nodig: iemand die ruimte durft te geven, en iemand die durft te vragen hoe het werkelijk zit. In die spanning tussen de twee polen kan vertrouwen groeien. Een man die een vraag kan horen zonder dicht te gaan, wordt voor een vrouw betrouwbaar. Een vrouw die een man ruimte geeft zonder het contact te verliezen, geeft hem het vertrouwen dat hij nodig heeft om te blijven.
Hoe vertrouwen groeit
Vertrouwen groeit in kleine voorschotten, die elk iets kunnen kosten en die worden waargemaakt of niet. Een voorschot doet ook iets met de ander. Wie vertrouwen krijgt, krijgt de kans te laten zien dat hij het waard is. Wie het nooit krijgt, kan het ook nooit bewijzen. Zo maakt vertrouwen voor een deel de betrouwbaarheid waar het van uitgaat.
In een familiebedrijf moeten die voorschotten twee kanten op. De oprichter geeft er een als hij zijn opvolger iets laat beslissen wat kan mislukken, en blijft als het mislukt. De opvolger geeft er een als hij zijn vader iets vraagt in de verwachting dat zijn vader de vraag kan dragen. Allebei stellen ze zich daarmee bloot aan wat ze veertig jaar hebben vermeden: een teleurstelling die tussen hen in komt te liggen en die ze samen moeten herstellen.
De eerste kleine breuk die wordt goedgemaakt, leert een familie meer dan veertig rustige jaren. Ze ervaart dan iets wat haar leden als kind misschien nooit hebben ervaren: dat het tussen deze mensen mis kan gaan en weer goed kan komen. Of dat op je zestigste nog kan worden geleerd, valt niet te beloven. Het lichaam leert ook later, maar trager, en alleen door het te doen.
Waar is het aan jouw tafel voor het laatst misgegaan tussen twee mensen? En is het daarna goedgemaakt, of alleen vergeten?
